Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4617

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
23-003059-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen witwassen geldbedrag. Geld verstopt in kinderspeelgoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003059-14

datum uitspraak: 11 juli 2018

VERSTEK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-870632-14 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats 1] ([geboorteplaats 2]) op [geboortedatum],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2014 tot en met 30 maart 2014, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te [bedrijf 2], gemeente Haarlemmermeer en/of Maarssen en/of Maarssenbroek en/of Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een (contant) geldbedrag van ongeveer 754.520,-euro, althans enig geldbedrag, heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd geldbedrag gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moet(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2:
zij op of omstreeks 30 maart 2014 te [bedrijf 2], in de gemeente Haarlemmermeer, al dan niet opzettelijk, als degene die uit hoofde van artikel 3 Verordening (EG) Nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, verplicht was tot het doen van aangifte, deze aangifte niet, onvolledig of onjuist heeft gedaan, immers heeft zij toen aldaar één of meerdere geldbedragen, te weten een geldbedrag van ongeveer 754.520, althans een som gelds met een tegenwaarde groter dan 10.000,-, voorhanden gehad en/of zich met dat geld op de Luchthaven [bedrijf 2] vanuit een vertrekhal gemeld bij de paspoortcontrole en/of vervolgens met dat geld het beveiligde gebied van de Luchthaven [bedrijf 2] betreden en/of vervolgens desgevraagd aan douanepersoneel ter gelegenheid van een douanecontrole gezegd een bedrag van maximaal 4.000 euro bij zich te hebben, althans zonder genoemde aangifte te doen van genoemd bedrag van 754.520 euro.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Overweging

Feiten en omstandigheden

Op 27 maart 2014 is de verdachte vanuit Madrid naar Brussel gevlogen, waarna zij met de trein naar Amsterdam is gekomen. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft haar met de auto opgehaald bij het [bedrijf 1] in Amsterdam en heeft haar naar het adres [adres] te Maarssen gebracht, een leegstaande c.q. onbewoonde maar wel gemeubileerde woning. Op 30 maart 2014 is de medeverdachte met een tas met speelgoed, die hij had opgehaald bij [medeverdachte 2], naar het adres in Maarssen gekomen. [medeverdachte 2] heeft de medeverdachte de tas met speelgoed gegeven en de medeverdachte heeft haar geholpen met de dozen met speelgoed in haar koffer te stoppen. [medeverdachte 2] had aan de medeverdachte verteld dat het speelgoed kostbaar was en dat ze voorzichtig moesten doen. De verdachte heeft desgevraagd aan de medeverdachte verteld dat ze voor de dozen met speelgoed naar Nederland was gekomen en dat zij geld kreeg om die dozen met speelgoed te vervoeren. De medeverdachte overhandigde haar een bedrag van € 4.520,-, maakte een foto van haar en bracht haar vervolgens met haar bagage, waaronder de koffer met het speelgoed, naar de luchthaven [bedrijf 2]. Daar aangekomen heeft de medeverdachte haar geholpen met inchecken voor haar reis naar Panama City (Panama) met als eindbestemming Cali (Columbia). De medeverdachte is bij de verdachte en haar koffer gebleven totdat haar koffer van de bagageband verdween. Tijdens de douanecontrole werd in de ruimbagage van de verdachte een contant geldbedrag van € 750.000,- verstopt in geprepareerd speelgoed, aangetroffen.

Het bedrag bestond uit 1.500 biljetten van € 500. Tevens werd een bedrag van € 4.520,- aangetroffen in de portemonnee van de verdachte.

Witwassen

Het hof stelt het volgende voorop. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zo’n een geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de gelden. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve legale herkomst van het voorwerp.

Vermoeden van witwassen

Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het geldbedrag dat de verdachte op 30 maart 2014 te [bedrijf 2] bij zich had uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof is vervolgens van oordeel dat op grond van de navolgende feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen is gerechtvaardigd.

In de koffer van de verdachte zit een poppenbedje, een poppenkeukentje, twee houten borden en verder babykleren. In het kinderbedje wordt € 750.000,- aangetroffen in biljetten van € 500. In haar portemonnee heeft zij € 4.520,- (vlak voor vertrek met het vliegtuig naar [geboorteplaats 2], bezig met het verplaatsen naar het buitenland en aldus veilig stellend). De verdachte had de koffer ingecheckt om via Panama naar [geboorteplaats 2] te reizen. De verdachte heeft desgevraagd aan de medeverdachte verteld dat ze voor de dozen met speelgoed naar Nederland was gekomen en dat zij geld kreeg om die dozen met speelgoed te vervoeren. De verdachte is door de medeverdachte naar [bedrijf 2] gebracht, die haar op het vliegveld begeleid tot haar koffer op de bagageband verdween. De verdachte heeft drie dagen verbleven in een gemeubileerde, niet voortdurend bewoonde woning, in Maarssen. Voordien was zij vanuit Spanje naar Brussel gereisd en vervolgens via Antwerpen naar Amsterdam gekomen met de trein.

Het fysiek vervoeren van een dergelijk groot contante geldbedrag brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, de verstopplaatsen die zijn gekozen, de (reis-) bestemming van het geld, de gebruikte coupures van € 500 en het feit dat met geldkoeriers werd gewerkt – een omslachtige en dure manier om geld te versturen – is het hof van oordeel dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Opzet op het voorhanden hebben van het geld

Het hof is van oordeel dat uit bovengenoemde omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachte (tenminste) het voorwaardelijk opzet had op het smokkelen van goederen van Nederland naar [geboorteplaats 2]. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat directe wetenschap dat zij geld smokkelde niet is komen vast te staan. Immers, het geld was niet van buiten zichtbaar en geen van de (mede)verdachte heeft verklaard over wetenschap hieromtrent. Door niets te vragen of te onderzoeken heeft zij zich echter willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij een aanzienlijke hoeveelheid geld van criminele herkomst voorhanden had.

Gelet op het eerdergenoemde vermoeden van witwassen, het ontbreken van enige verklaring van de verdachte over de herkomst van de gelden en het voorwaardelijk opzet van de verdachte op het bezit van het geld, acht het hof dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 754.520,-.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
zij op 30 maart 2014, tezamen en in vereniging met een ander te [bedrijf 2], gemeente Haarlemmermeer

en Maarssen, een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van ongeveer 754.520,- euro voorhanden hebben gehad, terwijl zij en haar mededader redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2:
zij op 30 maart 2014 te [bedrijf 2], in de gemeente Haarlemmermeer, al dan niet opzettelijk, als degene die uit hoofde van artikel 3 Verordening (EG) Nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van

26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, verplicht was tot het doen van aangifte, deze aangifte niet, immers heeft zij toen aldaar één of meerdere geldbedragen, te weten een geldbedrag van ongeveer 754.520 euro, althans een som gelds met een tegenwaarde groter dan 10.000,- euro, voorhanden gehad en zich met dat geld op de Luchthaven [bedrijf 2] vanuit een vertrekhal gemeld bij de paspoortcontrole en vervolgens met dat geld het beveiligde gebied van de Luchthaven [bedrijf 2] betreden en vervolgens desgevraagd aan douanepersoneel ter gelegenheid van een douanecontrole gezegd een bedrag van maximaal 4.000 euro bij zich te hebben, althans zonder genoemde aangifte te doen van genoemd bedrag van 754.520 euro.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10:1 lid 4, van de Algemene Douanewet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, met aftrek van voorarrest, en verbeurdverklaring van het geldbedrag € 754.520,-.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan witwassen van een geldbedrag door € 750.000,-, verstopt in kinderspeelgoed, mee te smokkelen naar Columbia. Voor deze smokkel ontving zij € 4.520,-. Door deze manier van handelen heeft zij geprobeerd inkomsten uit misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus. Door dergelijke witwaspraktijken wordt de onderliggende criminaliteit in stand gehouden en indirect ook bevorderd. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit en het economisch verkeer aan.

Gelet op de onderlinge samenhang tussen het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde, en het feit dat het onder twee ten laste gelegde een overtreding betreft, acht het hof het raadzaam dat voor feit 2 geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 juni 2018 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in deze zaak het volgende. Voorop staat dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De verdachte is op 30 maart 2014 in verzekering gesteld. Vanaf dit moment kon de verdachte de verwachting hebben dat tegen haar een strafvervolging zou worden ingesteld en is de op zijn redelijkheid te beoordelen berechtstermijn gaan lopen. De rechtbank heeft vervolgens op 24 juli 2014 vonnis gewezen. Tegen het vonnis is door het openbaar ministerie op 4 augustus 2014 hoger beroep ingesteld. Het hof doet op 11 juli 2018 uitspraak.

Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. Tussen het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie op 4 augustus 2014 en het door het hof te wijzen arrest van 11 juli 2018 zijn meer dan twee jaren verstreken.

Alles afwegende vindt het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, de gehele strafprocedure in aanmerking genomen, zal het hof in plaats van de hiervoor genoemde in beginsel passende en geboden straf een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd dat de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9a, 33, 33a, 62 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10:1 en 10:5 van de Algemene douanewet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- Geld Euro - 45 x 100 euro - Geld Euro - 2 x 10 euro.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juli 2018.

mr. S. Clement is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.