Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4587

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2018
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
200.243.788/01 en 200.244.146/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:5571
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing van een jong kind blijft gehandhaafd gelet op ervaringen met de oudste kinderen en ondanks de optimistische visie van de persoonlijk begeleiders van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.243.788/01

zaaknummer rechtbank: C/15/271599/JU RK 18-446

beschikking van de meervoudige kamer van 11 december 2018 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder

advocaat: mr. J.H.M. de Boer te Alkmaar,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, en

- de minderjarige [zoon] (hierna ook te noemen: [de minderjarige] ).

en in de zaak met zaaknummer: 200.244.146/01

zaaknummer rechtbank: C/15/274186/JU RK 18-899

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.H.M. de Boer te Alkmaar,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI,

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

- de minderjarige [zoon] (hierna ook te noemen: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende en/of toetsende taak is de raad in laatstgenoemde procedure gekend.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna te noemen: de rechtbank) van 4 mei 2018 en de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna te noemen: de kinderrechter) van 14 juni 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep in beide zaken

2.1

De moeder is op 1 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van de hiervoor onder 1. genoemde beschikkingen.

2.2

De raad heeft op 31 augustus 2018 in de zaak met zaaknummer: 200.243.788/01 een verweerschrift ingediend.

2.3

De GI heeft op 4 september 2018 in de zaak met zaaknummer: 200.244.146/01 een verweerschrift ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts ten behoeve van de behandeling van beide zaken de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de moeder van 13 augustus 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum, en

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 23 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 24 oktober 2018.

2.5

De mondelinge behandeling van beide zaken heeft gelijktijdig op 7 november 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. J.H.M. de Boer;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk;

- de GI, vertegenwoordigd door een vervanger van de jeugd- en gezinswerker.

Tevens zijn verschenen mevrouw [X] en mevrouw [Y] (begeleiders van de moeder van Stichting Esdégé-Reigersdaal ) en mevrouw [Z] (mentor van de moeder), die als informant door het hof zijn gehoord.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

2.6

De GI heeft (zoals afgesproken ter zitting in hoger beroep) het hof bij brief van
29 november 2018 met bijlage, ingekomen bij het hof op 30 november 2018, de tussen- en eindevaluatie van het boogonderzoek naar [de minderjarige] doen toekomen.

2.7.

Gezien het spoedeisend belang in beide zaken heeft het hof op 11 december 2018 een verkorte beschikking uitgesproken. De onderhavige beschikking vormt de uitwerking daarvan.

3 De feiten in beide zaken

3.1

Uit de relatie van de moeder en [de vader] (hierna te noemen: de vader) (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) is - voor zover hier van belang - geboren:

- [zoon] , [in] 2018, te [geboorteplaats] .

De moeder oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige] .

De moeder heeft nog drie minderjarige kinderen, te weten:

- [kind a] (hierna te noemen: [kind a] ), geboren [in] 2008;

- [kind b] (hierna te noemen: [kind b] , geboren [in] 2010, en

- [kind c] (hierna te noemen [kind c] ), geboren [in] 2012.

[kind a] , [kind b] en [kind c] zijn in mei 2015 uithuisgeplaatst. [kind a] en [kind b] verblijven sindsdien ieder in een perspectiefbiedend pleeggezin. [kind c] verblijft sindsdien bij de grootmoeder moederszijde.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 maart 2018 is (de op dat moment nog ongeboren) [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 juni 2018. De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] met ingang van de datum van zijn geboorte, voor de duur van vier weken in een crisispleeggezin.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 28 maart 2018 is, voorover thans in hoger beroep van belang, [de minderjarige] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten tot 28 maart 2019. Voorts is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin, tot 10 mei 2018. Het verzoek van de raad is voor het overige aangehouden tot 3 mei 2018.

3.4

[de minderjarige] verblijft sinds 1 augustus 2018 in een perspectiefbiedend pleeggezin. Tussen de moeder en [de minderjarige] vindt op dit moment eenmaal per week begeleide omgang plaats.

4 De omvang van het geschil in beide zaken

4.1

Bij de bestreden beschikking van 4 mei 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verlengd tot uiterlijk 28 juni 2018. Bij de bestreden beschikking van 14 juni 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 28 december 2018. Het verzoek van de GI is voor het overige aangehouden tot 17 december 2018.

4.2

De moeder verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en (naar het hof uit het verzoek afleidt) de verzoeken van de raad respectievelijk de GI af te wijzen.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking van 4 mei 2018 te bekrachtigen.

4.4

De GI verzoekt de bestreden beschikking van 14 juni 2018 te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing in beide zaken

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Overeenkomstig artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of ten tijde van de bestreden beschikkingen de gronden aanwezig waren voor het verlenen en verlengen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , en of deze gronden thans (nog) aanwezig zijn.

5.3

De raad heeft aangevoerd dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verlengd bij de bestreden beschikking van 4 mei 2018, op 28 juni 2018 is verstreken. Voor zover de raad daarmee heeft willen betogen dat de moeder geen belang meer heeft bij haar hoger beroep tegen deze beschikking, overweegt het hof als volgt. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder nog steeds belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de genoemde periode te laten toetsen. Die toetsing behoort aan haar niet te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

5.4

Volgens de moeder waren de gronden voor uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikkingen er niet en zijn zij dat ook nu niet. De rechtbank heeft de zorgen over [kind a] , [kind b] en [kind c] te zwaar laten meewegen bij het oordeel dat plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder of samen met de moeder in een moeder-kindhuis niet in de rede ligt. De moeder is slachtoffer van huiselijk geweld door de vader. Dit betekent echter niet dat zij [de minderjarige] niet kan opvoeden. De rechtbank heeft ook ten onrechte aangenomen dat de andere drie kinderen van de moeder ernstig zijn beschadigd door het huiselijk geweld dat heeft plaatsgevonden; hiernaar is nooit onderzoek gedaan. De moeder heeft pas voor het eerst in april 2018 gehoord dat de kinderen aan de GI zouden hebben laten weten dat zij in de thuissituatie door de moeder zijn mishandeld. Dit is nooit eerder ter sprake gekomen. De moeder betwist dat zij de kinderen heeft mishandeld. Ten onrechte is dan ook overwogen dat de moeder onvoldoende leerbaar zou zijn, omdat zij de zorgelijke verhalen van de kinderen ontkent en dat haar ontkennende houding maakt dat zij mogelijk onvoldoende kan aansluiten bij de behoefte en belevingswereld van [de minderjarige] . De moeder heeft voorts al lange tijd geen relatie meer met de vader. Het is voor haar dan ook niet lastig om hem buiten de deur te houden. Daarbij heeft de afgelopen drieënhalf jaar tussen de moeder en de vader slechts eenmaal, in juli 2017, een incident plaatsgevonden.

De moeder is in staat om zorg te dragen voor de opvoeding en veiligheid van [de minderjarige] en om aan te sluiten bij zijn behoeften. Eventuele onduidelijkheden op dit gebied kunnen juist worden weggenomen door plaatsing van de moeder en [de minderjarige] in een moeder-kindhuis. De opvoedvaardigheden van de moeder kunnen niet worden getoetst tijdens de huidige beperkte omgangsregeling. Er dient dan ook gedegen en onafhankelijk deskundigenonderzoek te komen naar de opvoedvaardigheden van de moeder in relatie tot [de minderjarige] en de mogelijkheden van terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder.

5.5

De raad heeft aangevoerd dat de moeder in het verleden regelmatig te maken heeft gehad met huiselijk geweld door de vader. Bij de vader is sprake van agressieproblematiek en de hulpverlening had en heeft geen zicht op zijn handelen. De moeder is in het verleden niet in staat gebleken om de vader op afstand te houden en hun relatie was ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] onduidelijk. De opvoedsituatie van [kind a] , [kind b] en [kind c] bij de moeder thuis en de houding van de moeder ten opzichte van de vader vormen dan ook een groot risico voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Voorts heeft de moeder in het verleden de samenwerking met de gezinsvoogd afgehouden. Daarnaast blijft de vraag of de moeder, gelet op haar ontkennende en bagatelliserende houding ten aanzien van de zorgelijke verhalen van de drie oudere kinderen en het huiselijk geweld dat heeft plaatsgevonden, in staat is [de minderjarige] gedurende langere tijd zelfstandig op te voeden. Deze omstandigheden maken dat de gronden voor uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikkingen aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn, zodat de bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd, aldus de raad.

5.6

De GI heeft aangevoerd dat de moeder niet heeft kunnen voorkomen dat [kind a] , [kind b] en [kind c] in de thuissituatie bij de moeder getuige zijn geweest van huiselijk geweld. Ook heeft zij hen niet beschermd tegen de mishandelingen door de vader. Daarnaast hebben [kind a] , [kind b] en [kind c] inmiddels verteld ook mishandeld te zijn door de moeder. Voorts is de rol van de vader zorgelijk. In juli 2017 heeft nog een ernstig geweldsincident tussen de moeder en de vader plaatsgevonden. [de minderjarige] kan onvoldoende worden beschermd in een moeder-kindhuis, omdat in een dergelijke instelling geen 24-uurs toezicht is, zodat een plaatsing daar onvoldoende veilig was en is. De GI heeft ervoor gekozen om het onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder te laten bestaan uit observaties van de begeleide bezoeken tussen de moeder en [de minderjarige] . Daarnaast heeft de gedragswetenschapper van de GI op basis van het dossier in kaart gebracht wat de rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] kan zijn. [de minderjarige] verblijft sinds 1 augustus 2018 in een perspectiefbiedend pleeggezin van Kenter Pleegzorg. Op 8 augustus 2018 heeft in het kader van het Boogonderzoek een nulmeting plaatsgevonden. De eindevaluatie van het boogonderzoek heeft plaatsgevonden op
19 november 2018, waarna de GI een opvoedbesluit zal nemen voor [de minderjarige] , aldus de GI.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. In 2014 is de politie en jeugdzorg bij het gezin van de moeder betrokken geraakt, omdat sprake was van huiselijk geweld van de vader jegens de moeder. De vader is daarvoor destijds door de politierechter veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf. De oudere drie kinderen van de moeder, [kind a] , [kind b] en [kind c] , zijn in mei 2015 uithuisgeplaatst. De moeder kon hun op dat moment vanwege haar persoonlijke problematiek op zowel emotioneel vlak als ten aanzien van de basis behoeftes, niet een voldoende veilige opvoedomgeving bieden. De raad zag een beperkte belastbaarheid van de moeder, stelde vragen bij haar verstandelijke vermogens en haar wisselende stemmingen. Ook leek de moeder volgens de raad een gebrek aan pedagogisch inzicht te hebben, was er sprake van verwaarlozing van de kinderen en waren er zorgen over de basale benodigdheden en hygiëne in de woning van de moeder. [kind a] en [kind b] verblijven sinds de uithuisplaatsing in een perspectiefbiedend pleeggezin. Bij beschikking van de kinderrechter van 17 januari 2018 is het gezag van de moeder over hen beëindigd. [kind c] verblijft sinds de uithuisplaatsing bij haar oma (van moederszijde).

De GI heeft in november 2017 een zorgmelding gedaan bij de raad over de op dat moment nog ongeboren [de minderjarige] , waarna de raad in januari 2018 een onderzoek is gestart. De moeder was op dat moment vier maanden zwanger van [de minderjarige] . Uit het rapport van de raad van 16 maart 2018 komt naar voren dat de moeder sinds juli 2016 begeleiding ontvangt van Stichting Esdégé-Reigersdaal . Tijdens de zwangerschap van [de minderjarige] kreeg zij ook hulp van Voorzorg en van de verloskundige. Daarnaast ontving zij hulp van de mentor die sinds 2014 bij haar is betrokken. Ondanks deze intensieve hulpverlening bestonden er bij de GI nog steeds ernstige zorgen ten aanzien van de capaciteiten van de moeder als verzorger en opvoeder. Zo heeft zij de GI geen inzicht gegeven in haar relatie met de vader en de nog bestaande interactie tussen hen. Op 23 juli 2017 heeft tussen de moeder en de vader een incident plaatsgevonden waarbij de vader de moeder heeft bedreigd. Daarnaast waren er in deze periode zorgen bij de GI over het functioneren van de moeder gelet op haar eigen psychische problematiek. Zo had de moeder tijdens de begeleide omgangsmomenten met de drie oudere kinderen moeite om bij hen aan te sluiten. Daarnaast heeft [kind c] op 5 juli 2017 aan de jeugdzorgwerker verteld over een incident waarbij de moeder haar tegen de muur had gegooid en haar had gestompt. De pleegmoeder van [kind c] (de oma moederszijde) heeft dit incident aanvankelijk beaamd, maar later ontkend. De moeder ontkent [kind c] ooit pijn te hebben gedaan. Ook het accepteren van hulp van met name de GI is moeilijk voor de moeder. De moeder stond wel open voor hulpverlening van haar persoonlijk begeleiders van Esdégé-Reigersdaal, Voorzorg en van de verloskundige. Gelet op de ervaringen van en met de oudste drie kinderen achtte de raad ambulante ondersteuning van de moeder na de bevalling onvoldoende en ontoereikend om de veiligheid en ontwikkeling van de nog ongeboren [de minderjarige] te waarborgen. Ook de plaatsing van de moeder met [de minderjarige] in een moeder-kindhuis achtten de raad en de GI niet haalbaar, omdat daar niet gedurende vierentwintig uur per dag toezicht kon worden geboden. Uit een brief van de GI van 30 april 2018 aan de kinderrechter blijkt dat de GI de mogelijkheid van plaatsing van de moeder en [de minderjarige] in een moeder-kindhuis heeft onderzocht door contact te zoeken met het moeder-kindhuis van Leekerweide. Hieruit is gebleken dat geen toezicht kon worden geboden op wie de moeder daar kan binnenlaten. [de minderjarige] is daarop twee dagen na zijn geboorte in een crisispleeggezin van Parlan geplaatst. In augustus 2018 is hij overgeplaatst naar het huidige perspectiefbiedend pleeggezin van Kenter. Sinds de plaatsing van [de minderjarige] in het pleeggezin hebben tussen de moeder en [de minderjarige] eenmaal per week gedurende een uur begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden. Kenter is vanaf de plaatsing in het pleeggezin gestart met een Boogonderzoek, door middel waarvan de opvoedvaardigheden van de moeder zijn onderzocht. In het kader van het Boogonderzoek heeft op 8 augustus 2018 een nulmeting plaatsgevonden.

Vanaf april 2018 zijn vanuit [kind a] , [kind b] en [kind c] zorgelijke signalen gekomen ten aanzien van hetgeen zij hebben meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder. [kind b] heeft op 18 april 2018 in een gesprek met de jeugdzorgwerker verteld dat hij in de thuissituatie naast getuige van huiselijk geweld tussen de ouders, ook slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. Zo vertelde hij door de moeder zonder kleren op het balkon te zijn gezet en door zowel de moeder als de vader te zijn geslagen. Ook [kind a] heeft op 2 mei 2018 in een gesprek met de jeugdzorgwerker verteld dat hij door de ouders is geslagen.

5.8

Uit het adviesverslag van 28 november 2018 van het Boogonderzoek komt naar voren dat de bij de moeder en het gezin betrokken hulpverleners een verschillende visie hebben op de ontwikkelingsbedreigingen voor [de minderjarige] indien hij bij de moeder zou worden teruggeplaatst. In de visie van de GI spelen - kort gezegd - de negatieve ervaringen met de opvoeding van de oudste kinderen een grote rol. De GI wenst [de minderjarige] daartegen te beschermen. De GI acht de moeder onbetrouwbaar in haar uitspraken met betrekking tot haar relatie met de vader. De moeder ontkent de verhalen van de kinderen over mishandelingen en verwaarlozing door de moeder en de vader. Zolang de moeder dit ontkent, kan hierover niet met haar worden gesproken en is in de visie van de GI de kans groot dat de geschiedenis zich herhaalt. Dat betekent dat de moeder mogelijk wel in staat is om [de minderjarige] (fysiek) te verzorgen, maar als hij groter wordt, is de kans groot dat zij onvoldoende in staat zal zijn om aan te sluiten bij wat hij nodig heeft. Bovendien kan met de moeder geen veiligheidsplan worden opgesteld, zolang zij geen openheid van zaken geeft en met haar niet kan worden gesproken over hetgeen in de thuissituatie heeft plaatsgevonden.

De begeleider van de moeder van Stichting Esdégé-Reigersdaal concludeert in de eindevaluatie dat de moeder in de uitbreiding van de begeleide bezoeken met [de minderjarige] laat zien dat de veiligheid van [de minderjarige] niet in geding is. De stappen die de moeder de afgelopen jaren heeft gezet en de ondersteuning die wordt en kan worden ingezet door Esdégé-Reigersdaal, Voorzorg en de pleegzorgwerkers, laten zien dat het maken van veiligheidsplannen en gesprekken zeker tot de mogelijkheden behoren. Door het gebrek aan vertrouwen tussen de moeder en de GI is tussen hen geen constructief gesprek mogelijk. De moeder gaat met de begeleiders van Esdégé-Reigersdaal wel in gesprek over het huiselijk geweld dat heeft plaatsgevonden. Ook heeft zij meermaals gevraagd of de oudere kinderen kunnen worden onderzocht. Dit wijst niet op een ontkennende houding, aldus de begeleider van de moeder.

Uit de eindevaluatie blijkt ten slotte dat de begeleider van pleegzorg nog geen advies kan geven over eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Om hierover een concrete mening te kunnen vormen, is een langere observatieperiode gewenst, waarin de leerbaarheid van de moeder met betrekking tot de aandachtspunten kan worden gevolgd. Volgens de pleegzorgbegeleider zou een thuisplaatsing een grotere kans op negatieve dan op positieve effecten bij [de minderjarige] opleveren, aldus de begeleider van pleegzorg.

5.9

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de gronden voor verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikkingen aanwezig waren en dat deze gronden ook thans nog aanwezig zijn. In het verleden vormde de thuissituatie bij de moeder, waarin sprake was van huiselijk geweld, psychische problematiek, verwaarlozing en slechte hygiëne, een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de oudste drie kinderen. Er waren grote zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en over haar opvoedvaardigheden. Dit alles heeft in 2015 ertoe geleid dat [kind a] , [kind b] en [kind c] uit huis zijn geplaatst. Ten tijde van de zwangerschap van de moeder van [de minderjarige] bestond bij de GI onvoldoende zicht op de aard van de relatie tussen de moeder en de vader, waarbij de houding van de moeder ten opzichte van de vader ambivalent was. Het hof is met de GI en de raad van oordeel dat dit, in het licht van bovengenoemde ernstige zorgen uit het verleden, ten tijde van de bestreden beschikking van 4 mei 2018 een ernstige bedreiging vormde voor de veiligheid van [de minderjarige] , zodat uithuisplaatsing van [de minderjarige] op dat moment noodzakelijk was. In april 2018 hebben [kind a] , [kind b] en [kind c] uitlatingen gedaan over hetgeen zij in de thuissituatie bij de moeder hebben meegemaakt. De moeder is tot op heden niet in staat gebleken om hierover met de GI open in gesprek te gaan, afgezien van het feit dat zij de verhalen van [kind a] , [kind b] en [kind c] herhaaldelijk heeft tegengesproken. Uit de eindevaluatie van de Beoordelingsboog blijkt voorts dat naast deze zorgen de GI én de pleegzorgwerker zorgen houden over de opvoedvaardigheden van de moeder en over haar pedagogische capaciteiten. Weliswaar hebben de persoonlijk begeleiders van de moeder een optimistischer visie hierop, maar deze acht het hof niet doorslaggevend. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de persoonlijk begeleiders vanuit hun opdracht eerder vanuit de invalshoek van de moeder zullen adviseren dan louter vanuit het belang van [de minderjarige] , terwijl het belang van [de minderjarige] in dezen de eerste overweging dient te zijn. Het hof acht het gelet op de vermelde zorgen en de jonge leeftijd van [de minderjarige] , die zich bovendien in een belangrijke fase van zijn hechting aan pleegouders bevindt, niet in het belang van [de minderjarige] om op dit moment een traject gericht op plaatsing bij de moeder in te zetten. De bestreden beschikkingen zullen dan ook worden bekrachtigd en het verzoek van de moeder zal worden afgewezen.

5.10

Het hof acht zich op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om deze beslissing te nemen. Er bestaat op dit moment onvoldoende aanleiding om nader onderzoek door een deskundige te gelasten, zoals door de moeder is verzocht. Het hof overweegt daarbij dat de moeder niet nader heeft geconcretiseerd waaruit dit onderzoek zou moeten bestaan nadat reeds het hiervoor aangehaalde (en ook door de moeder verzochte) Boogonderzoek heeft plaatsgevonden. Het hof ziet niet welk nader onderzoek op dit moment mede tot beslissing van de zaak zou kunnen leiden. Het verzoek van de moeder tot het gelasten van een deskundigenonderzoek zal derhalve worden afgewezen.

5.11

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing in beide zaken

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. A.V.T. de Bie en
mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier en is op
11 december 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Het bovenstaande bevat de uitwerking van de reeds op 11 december 2018 in verkorte uitgesproken beschikking en is op 21 december 2018 aldus vastgesteld door bovengenoemde raadsheren en door de voorzitter ondertekend.