Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4554

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2018
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
200.229.667/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicaties op website over aanplant hardhout in Panama?

Bevoegdheid Nederlandse rechter.

Centrum van belangen in Nederland? Schade in Nederland?

Geen bevoegdheid aangenomen. Bekrachtiging vonnis rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.229.667/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/615520 / HA ZA 16-964

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 december 2018

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats 1] , [land 1] , voorheen te [woonplaats 2] , [land 2] ,

appellanten in principaal appel,

tevens geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.G.J. van Groenendaal te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats 4] , voorheen te [woonplaats 3] , [land 3] ,

geïntimeerde in principaal appel,

tevens appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. Ch. Samkalden te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant sub 1] , [appellante sub 2] en [geïntimeerde] genoemd. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gezamenlijk worden ook wel aangeduid als [appellanten] .

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 5 december 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2017 (verder: het eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, tevens gedaagden in het verzet, tevens verweerders in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in het verzet, tevens eiser in reconventie. De dagvaarding bevat de grieven en daarbij zijn producties overgelegd.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 april 2018 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van beide zijden zijn bij deze gelegenheid nog aanvullende producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het eindvonnis zal vernietigen en alsnog hun vorderingen, zoals in hoger beroep opnieuw geformuleerd, zal toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot bekrachtiging van het eindvonnis en tot vernietiging van het in dezelfde zaak gewezen vonnis van 11 januari 2017 (verder: het tussenvonnis) en alsnog toewijzing van zijn incidentele vordering ex artikel 843a Rv, met veroordeling van [appellanten] , naar het hof begrijpt, in de kosten van het geding in hoger beroep en tevens in het incident ex artikel 843a Rv in eerste aanleg.

[appellanten] hebben in incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten, met nakosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven I en II in principaal appel zijn gericht tegen de onder 2.1 en 2.3 vastgestelde feiten. Het hof zal bij de vaststelling van de feiten met deze grieven rekening houden. De feiten zijn voor het overige in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar partijen ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant sub 1] heeft de Nederlandse nationaliteit en [appellante sub 2] de Engelse en Israëlische. Zij woonden ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in [land 2] en wonen thans in [land 1] . [geïntimeerde] woont thans in Nederland.

2.2

[geïntimeerde] publiceert onder meer verhalen over corruptie en fraude op door hem beheerde websites. Hij heeft vanaf 2010 op zijn website [website] in het totaal 27 publicaties geplaatst over [appellanten] en/of het project Silva Tree in Panama waarbij zij betrokken waren. Dit project was erop gericht om met geld van investeerders hardhout aan te planten op gronden in Panama waar in het verleden regenwoud was gekapt en die in gebruik waren voor landbouw en veeteelt. Het doel was het oogsten van het hardhout en het herplanten van het regenwoud. De onderneming is voortgezet onder de naam Sustainable Capital Group (verder ook: SCG). De resultaten van het project vielen tegen en het project is in 2014 beëindigd.

2.3

[geïntimeerde] is op aangifte van [appellanten] in Panama veroordeeld wegens ‘misdrijven tegen de persoonlijke eer’.

2.4

[appellanten] hebben [geïntimeerde] op 23 december 2015 gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank te Amsterdam. Volgens de dagvaarding had [geïntimeerde] geen bekende woon- of verblijfplaats. De rechtbank heeft bij verstekvonnis van 11 mei 2016 de vordering van [appellanten] toegewezen en, kort gezegd, voor recht verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] en gehouden was alle daaruit voortvloeiende schade, op te maken bij staat, aan hen te vergoeden, [geïntimeerde] bevolen iedere openbaarmaking en verspreiding van de in de inleidende dagvaarding beschreven publicaties te staken en te verzoeken de publicaties uit de index van zoekmachines en andere geautomatiseerde kanalen te verwijderen en [geïntimeerde] verboden soortgelijke beschuldigingen openbaar te maken en inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [appellanten] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.5

[appellanten] hebben het verstekvonnis openbaar doen betekenen. Zij hebben zich tevens gewend tot de IJslandse host van de website [website] De host heeft [geïntimeerde] een Engelse samenvatting van het verstekvonnis gezonden en hem bericht dat de website offline zou worden gezet.

2.6

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 15 december 2016 op vordering van [geïntimeerde] de executie van het verstekvonnis geschorst totdat op het door hem ingestelde verzet is beslist.

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft bij dagvaarding van 9 september 2016 verzet ingesteld tegen het verstekvonnis en gevorderd dat vonnis te vernietigen en voorts dat de rechtbank zich gedeeltelijk onbevoegd zal verklaren en de vorderingen van [appellanten] voor het overige zal afwijzen. [geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd, voor zover in hoger beroep van belang, voor recht te verklaren dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld jegens hem door onder verwijzing naar het verstekvonnis zijn publicaties van het internet te laten verwijderen. [geïntimeerde] heeft bij zijn verzetdagvaarding tevens incidenteel - op grond van artikel 843a Rv - gevorderd dat [appellanten] worden veroordeeld hem afschriften verschaffen van nader genoemde bescheiden, welke incidentele vordering bij het tussenvonnis van 11 januari 2017 is afgewezen. De rechtbank heeft bij het eindvonnis het verstekvonnis vernietigd, zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering van [appellanten] voor zover deze ziet op ge- en verboden alsmede op vergoeding van schade geleden buiten het Nederlands grondgebied, de vorderingen van [appellanten] voor het overige afgewezen en op de vordering van [geïntimeerde] in reconventie voor recht verklaard dat [appellanten] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig hebben gehandeld door onder verwijzing naar het verstekvonnis publicaties van hem van internet te laten verwijderen.

3.2

De grieven III en IV in principaal appel betreffen de overwegingen die ertoe hebben geleid dat de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de vorderingen van [appellanten] voor zover deze zien op ge- en verboden alsmede op de vergoeding van schade geleden buiten het Nederlands grondgebied. Het hof overweegt naar aanleiding van deze grieven het volgende.

3.3

[appellanten] stellen dat de Nederlandse rechter bevoegd is ten aanzien van hun gehele vordering in de eerste plaats omdat [geïntimeerde] ten tijde van de inleidende dagvaarding wel degelijk woonplaats had in Nederland. [geïntimeerde] op zijn beurt heeft dat betwist en heeft daartoe onder meer overgelegd een uittreksel uit de basisregistratie personen en een overzicht van de Sociale Verzekeringsbank, uit welke stukken blijkt dat hij in 2016 niet in Nederland woonde of was ingeschreven. [appellanten] hebben daar slechts tegenover gesteld dat het zeer onaannemelijk is dat [geïntimeerde] in 2016 daadwerkelijk in Panama woonde omdat daar destijds een opsporingsbevel tegen hem van kracht was. Zij hebben daarmee naar het oordeel van het hof, tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in Nederland woonde of verbleef. Dat [geïntimeerde] thans wel in Nederland woont, maakt bovendien niet dat de Nederlandse rechter alsnog bevoegd is geworden, zoals [appellanten] nog hebben betoogd

3.4

[appellanten] voeren bij de onderhavige grieven in de tweede plaats aan dat sprake is van een stilzwijgende forumkeuze voor de Nederlandse rechter. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] reeds in zijn eerste processtuk (verzetdagvaarding onder 23, verder uitgewerkt onder 40 en verder) in het geding in eerste aanleg heeft aangevoerd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is te oordelen over schade die is ontstaan buiten Nederland en evenmin bevoegd is tot toewijzing van wereldwijde geboden en verboden. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van [appellanten] dat sprake is van een stilzwijgende forumkeuze.

3.5

[appellanten] beroepen zich ten derde erop dat het centrum van hun belangen in Nederland ligt nu negentig procent van hun vriendenkring en familie in Nederland woont en zij diverse ondernemingen in Nederland hebben, een woning in Nederland bezitten en een aanzienlijk deel van hun tijd hier doorbrengen.

3.6

Het hof overweegt naar aanleiding van deze stellingen als volgt. [appellanten] beroepen zich met het voorgaande kennelijk op de bijzondere bevoegdheid als bedoeld in artikel 6 onder e Rv, te weten dat de Nederlandse rechter bevoegd is in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of kan voordoen. Deze bijzondere bevoegdheid wordt in het algemeen, analoog aan de gelijkluidende bijzonder bevoegdheid van artikel 7 aanhef en lid 2 van de Brussel I bis-verordening, zo uitgelegd dat in geval van een beweerde schending van de persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content, de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de volledige schade indien het centrum van de belangen van de getroffene zich in Nederland bevindt, en dat de Nederlandse rechter indien dit niet het geval is, slechts kennis kan nemen van een vordering betreffende schade die is veroorzaakt in Nederland. Het hof merkt hierbij op dat, anders dan [appellanten] ter gelegenheid van het pleidooi hebben betoogd, artikel 7 aanhef en lid 2 Brussel I bis-verordening niet van toepassing zijn omdat [geïntimeerde] ten tijde van de inleidende dagvaarding geen woonplaats had op het grondgebied van enige lidstaat van de Europese Unie.

3.7

De plaats waar een persoon het centrum van zijn belangen heeft is meestal zijn gewone verblijfplaats. Een persoon kan het centrum van zijn belangen echter ook hebben in een land waar hij niet gewoonlijk verblijft, voor zover uit andere aanwijzingen, zoals de uitoefening van een beroep, blijkt dat hij een bijzonder nauwe band met dat land heeft. Het hof is van oordeel dat hetgeen [appellanten] aanvoeren onvoldoende aanwijzingen oplevert om, in plaats van hun gewone verblijfplaats, Nederland als centrum van hun belangen aan te merken. Daartoe is meer nodig dan zoals [appellanten] hebben gesteld: banden met Nederland door persoonlijke- en familierelaties met in Nederland verblijvende personen en het bezitten van, en het periodiek verblijven in een woning in Nederland. [appellanten] hebben daarnaast niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat het centrum van hun zakelijke activiteiten zich in Nederland bevindt. Een en ander maakt dat de grieven III en IV falen.

3.8

[appellanten] betogen bij grief V in principaal appel dat de toepasselijkheid van Nederlands recht reeds volgt uit de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en mitsdien die toepasselijkheid geen grondslag hoeft te vinden in een stilzwijgende rechtskeuze. Deze grief faalt omdat daaraan, zoals uit het vorenoverwogene blijkt, het onjuiste uitgangspunt ten grondslag ligt dat de Nederlandse rechter bevoegd is. 3.9 Met grief VII in principaal appel (grief VI in principaal appel ontbreekt) voeren [appellanten] aan dat het evident is dat zij door de publicaties schade hebben geleden en lijden en hebben geleden in hun zakelijke carrière en als privépersonen ook in Nederland en met name [appellant sub 1] omdat hij een Nederlandse achtergrond heeft. [geïntimeerde] heeft daartegen reeds in eerste aanleg (verzetdagvaarding onder 191) aangevoerd dat het aantal malen dat op zijn website vanuit Nederland wordt ingelogd verwaarloosbaar is. Hij voert thans verder aan dat zijn website alleen vindbaar is als men de naam van de voormalige websitehost kent en stelt ter illustratie van de (on)vindbaarheid dat alleen al Linkedin negentig profielen met de naam ‘ [appellant sub 1] ’ kent.

3.10

Het hof is van oordeel dat [appellanten] mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [geïntimeerde] , onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat zij in Nederland schade hebben geleden en thans nog lijden. Het enkel hebben van een Nederlandse achtergrond, een vriendenkring en familie in Nederland, en het bezitten van een woning is daartoe niet redengevend. [appellanten] hebben evenmin toegelicht en onderbouwd op welke wijze hun zakelijke belangen in Nederland zijn geschaad. Ook deze grief faalt.

3.11

[appellanten] verzetten zich met grief VIII in principaal appel tegen de door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens [geïntimeerde] door, onder verwijzing naar het verstekvonnis, zijn publicaties van het internet te laten verwijderen. Zij voeren daartoe aan dat zij op grond van de wet geen andere keuze hadden dan een openbare betekening van de oorspronkelijke dagvaarding, dat [geïntimeerde] niet had gereageerd op sommaties, dat niet duidelijk was of e-mailadressen van [geïntimeerde] nog functioneerden en dat van een verplichting om de dagvaarding op andere wijze aan [geïntimeerde] te sturen dan via de wettelijke betekening geen sprake kan zijn. Zij stellen voorts dat niet valt in te zien dat de belangen van [geïntimeerde] zijn geschaad en dat hij door die betekening geen schade kan hebben geleden omdat hij alsnog in verzet is gekomen.

3.12

Het hof overweegt als volgt. [appellanten] hebben niet betwist dat zij beschikten over de e-mailadressen van [geïntimeerde] die zij in het verleden hadden gebruikt om met hem te communiceren en dat [geïntimeerde] zijn contactgegevens vermeldde op zijn websites, waaronder de website met de gewraakte artikelen. [appellanten] hebben evenmin betwist dat hun advocaat in juni 2015 nog een sommatie heeft verzonden naar diverse hen bekende emailadressen van [geïntimeerde] . Onder deze omstandigheden had van hen gevergd kunnen worden om, naast een openbare betekening wegens het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats, [geïntimeerde] ook middels de hen bekende contactgegevens op de hoogte te stellen van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Daaraan doet niet af dat [geïntimeerde] niet op genoemde sommatie heeft gereageerd en evenmin dat [geïntimeerde] een postadres in Schotland zou hebben gehad. Dit brengt mee dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld door zonder [geïntimeerde] van het verstekvonnis op de hoogte te stellen met gebruikmaking daarvan publicaties te laten verwijderen. Dat [geïntimeerde] vervolgens in verzet is gekomen tegen het verstekvonnis heft de onrechtmatigheid van het gebruikmaken van dat vonnis niet op. Het verzet maakte evenmin ongedaan dat de belangen van [geïntimeerde] door het onrechtmatig handelen van [appellanten] zijn geschaad. De grief faalt.

3.13

[geïntimeerde] voert bij wijze van incidentele grief aan dat zijn incidentele vordering tot het verstrekken van stukken ten onrechte is afgewezen.. Hij concludeert daarom tot vernietiging van het tussenvonnis en tot alsnog toewijzing van deze vordering. Het hof zal in zoverre voorbij gaan aan deze grief. In het tussenvonnis is immers met de afwijzing van de incidentele vordering in het dictum een einde gemaakt aan het geschil daaromtrent. Dat betekent dat [geïntimeerde] uitsluitend binnen de appeltermijn van het tussenvonnis dus uiterlijk op 17 april 2017 daarvan in appel had kunnen komen. Hij is in zijn beroep dus niet ontvankelijk.

3.14

Voor zover [geïntimeerde] bedoeld heeft in hoger beroep een nieuw verzoek tot het overleggen van stukken te doen - [geïntimeerde] heeft immers ook een nieuwe grond aangevoerd; verlangde hij in eerste aanleg nog inzage in de stukken om zijn vordering tot vergoeding van schade te onderbouwen, hij voert thans aan dat hij de stukken wenst te verkrijgen om zelf zijn rechtspositie te kunnen corrigeren en zijn eer en goede naam te herstellen – wordt het volgende overwogen.

3.15

[geïntimeerde] vordert hem afschriften te verschaffen van, kort gezegd, alle correspondentie die [appellanten] aan derden hebben gezonden waarin wordt verwezen naar beweerdelijk volgens Nederlands recht vastgestelde onrechtmatigheid. Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] met die beweerdelijk vastgestelde onrechtmatigheid doelt op het verstekvonnis. [geïntimeerde] heeft echter onvoldoende aanknopingspunten aangevoerd waaruit zou blijken dat [appellanten] , behoudens de [geïntimeerde] reeds bekende gevallen, aan derden mede hebben gedeeld dat op grond van het verstekvonnis zou zijn vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . Daartoe kunnen niet dienen de door [geïntimeerde] overgelegde emails tussen hem en het bedrijf [naam bedrijf] Uit een door [appellanten] in hun memorie van antwoord in incidenteel appel geciteerde e-mail van genoemd bedrijf aan [appellant sub 1] d.d. 26 januari 2018, waarvan de inhoud door [geïntimeerde] niet is betwist, blijkt immers dat [naam bedrijf] inmiddels alleen consequenties verbindt aan ‘the Panama court judgment’. [geïntimeerde] verwijst voor het overige slechts naar een presentatie van SCG uit 2014 waarin als plan is opgenomen de politie en ambassades in diverse landen te benaderen. Dat plan is echter te vaag en te gedateerd om daaraan conclusies te verbinden en gesteld noch gebleken is dat de daarin bedoelde benadering inderdaad heeft plaatsgevonden. Er is dan ook geen grond voor toewijzing van de door [geïntimeerde] in hoger beroep gevorderde overlegging van stukken.

3.16

Er is evenmin grond voor toewijzing van enig onderdeel van de door [appellanten] in hoger beroep opnieuw geformuleerde vordering. In de kern komt deze vordering neer op hetzelfde als [appellanten] reeds in eerste aanleg hadden gevorderd. De grieven in principaal appel leiden niet tot andere beslissingen dan door de rechtbank genomen zodat een bekrachtiging van het eindvonnis volstaat.

3.17

De slotsom is dat de grieven in zowel het principale als het incidentele appel falen. Het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd. Er is geen aanleiding het in hoger beroep meer of anders gevorderde toe te wijzen. [appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principale hoger beroep worden veroordeeld en [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidentele hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het tussenvonnis;

bekrachtigt het eindvonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 313,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellanten] tot op heden begroot op € 1.611,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, A.M.A. Verscheure en H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 december 2018.