Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4545

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
23-000488-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000488-17

Datum uitspraak: 28 september 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-221065-16 tegen:

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord te Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 29 oktober 2016 te Alkmaar opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant], hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid en/of in het openbaar mondeling heeft toegevoegd de woorden "Stop met fotograferen, kankerhoer, kankerslet", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit aangezien er weliswaar wettig maar geen overtuigend bewijs is dat de verdachte zich beledigend heeft uitgelaten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de opsporingsambtenaar [verbalisant] de door de verdachte geuite woorden niet zelf heeft gehoord, hetgeen niet goed verklaarbaar is omdat zij op korte afstand stond, en dat het de vraag is of zij zich naderhand nog beledigd mocht voelen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 29 oktober 2016 bij zijn staandehouding op de Herenstraat in Alkmaar op luide toon tegen de opsporingsambtenaar [verbalisant] riep: “Stop met fotograferen kankerhoer, kankerslet”. Bij het uiten van deze woorden draaide de verdachte zijn gezicht duidelijk in de richting van [verbalisant]. [verbalisant] was op dat moment bezig met het maken van foto’s van een scooter en hoorde wel geschreeuw, maar sloeg geen acht op de woorden van de verdachte. Haar collega’s, opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] waren getuigen van het incident en zagen dat daarbij in de directe nabijheid van de verdachte en [verbalisant] tenminste vijftien personen stonden. Vervolgens heeft [verbalisant] van haar collega [opsporingsambtenaar 1] vernomen welke woorden de verdachte tegen haar had geuit.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte de beledigende woorden in het openbaar en in tegenwoordigheid van de verbalisant heeft geuit. Nu de verdachte zijn gezicht duidelijk in de richting van [verbalisant] heeft gedraaid en hij onder meer riep “Stop met fotograferen”, terwijl [verbalisant] aan het fotograferen was, is het hof van oordeel dat de verdachte zijn woorden opzettelijk tegen [verbalisant] richtte. Dat [verbalisant] de woorden niet zelf heeft gehoord, maakt dat niet anders. Deze woorden hadden onmiskenbaar de strekking haar aan te randen in haar eer en goede naam en zij voelde zich daardoor blijkens de aangifte beledigd. Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op 29 oktober 2016 te Alkmaar opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant], hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland, gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid en in het openbaar mondeling heeft toegevoegd de woorden "Stop met fotograferen, kankerhoer, kankerslet".

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat in een andere strafzaak van de verdachte de oplegging van de ISD-maatregel is gevorderd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van een opsporingsambtenaar die aan het werk was, in het bijzijn van publiek. Dit handelen getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Opsporingsambtenaren moeten ongehinderd hun werk kunnen doen en daarbij niet worden geconfronteerd met zulk gedrag.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 september 2018 is hij meerdere keren onherroepelijk veroordeeld, onder meer tot vrijheidsbenemende straffen, zij het voor andersoortige feiten.

Gelet op het voorgaande, de aard en de ernst van het feit, alsmede met het oog op normbevestiging, kan met een lagere straf dan de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf niet worden volstaan. In het vorenstaande ligt besloten dat in hetgeen door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot de ISD-maatregel, die in een andere strafzaak van de verdachte is gevorderd, geen aanleiding wordt gevonden om een lagere straf op te leggen dan de hierboven bedoelde, nu dit hiervoor onvoldoende redengevend is.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 september 2018.

De oudste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.