Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4542

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
23-004060-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004060-17

Datum uitspraak: 28 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-674006-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het:

- één of meerdere ma(a)l(en) (met kracht) trappen en/of schoppen op/tegen het (rechter)been, in elk geval het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] en/of

- één of meerdere ma(a)l(en) (met kracht) slaan en/of stompen, met een sleutel, in elk geval een (scherp) voorwerp, in zijn hand, op/tegen/in het gezicht, in elk geval het hoofd, van voornoemde [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte de aangeefster [slachtoffer] één schop en één klap heeft gegeven.

Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven blijkt dat de verdachte op aangeefster [slachtoffer] is afgelopen en haar direct een trap heeft gegeven (dossierpagina 1015). In de verdere confrontatie tussen beiden is waargenomen dat de verdachte in ieder geval eenmaal (dossierpagina 1018) en mogelijk tweemaal (dossierpagina 1015 en 1016) [slachtoffer] een klap heeft gegeven. Uit de aangifte en de letselverklaring volgt dat [slachtoffer], gelet op het geconstateerde letsel en de beschreven pijn bij zowel haar rechter oog als haar linkeroog, minstens tweemaal in het gezicht is geslagen. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de verdachte haar in ieder geval één keer tegen haar been heeft getrapt en twee keer in het gezicht heeft geslagen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 juli 2016 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht trappen tegen het rechterbeen van [slachtoffer] en meerdere malen slaan in het gezicht van [slachtoffer], waardoor [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest van 2 uren per dag.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter opgelegd.

De raadsvrouw heeft primair verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toe te passen, mede gelet op het in het verleden ontstane hersenletsel van de verdachte. Subsidiair heeft zij verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Daarbij heeft zij er voorts op gewezen dat het een oud feit betreft, dat de feiten die de verdachte eerder heeft gepleegd heel lang geleden zijn en hij sindsdien geen nieuwe delicten heeft gepleegd en dat de aangeefster de verdachte zou hebben geprovoceerd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer tegen haar been te trappen en in haar gezicht te slaan. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer letsel bekomen en pijn ondervonden. De verdachte heeft door zijn intimiderende handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Daarnaast bezorgt een dergelijk feit gevoelens van onveiligheid aan de omstanders, die getuige zijn van een mishandeling.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 september 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, en in het bijzonder wegens een mishandeling tot een vrijheidsbenemende straf. Dit weegt in zijn nadeel.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt, mede in het licht van de recidive van de verdachte, in beginsel oplegging van de taakstraf zoals door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof zal evenwel een deel van die taakstraf in voorwaardelijk vorm opleggen, gelet op de ter terechtzitting besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het van toepassing zijnde artikel 63 Sr, en teneinde hem ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Uit het voorgaande volgt dat het hof geen toepassing zal geven aan artikel 9a Sr en dat evenmin kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 september 2018.

De oudste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.