Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4536

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
14-01-2019
Zaaknummer
23-003401-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging woninginbraak - vernietiging - bewijsoverweging tav getuigenverklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003401-16

datum uitspraak: 23 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-674204-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres 1]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 februari 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [adres 2] weg te nemen goed(eren) en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, met één of meer van zijn mededader(s), in elk geval alleen, naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij en/of zijn mededader(s) een ruit van een toegangsdeur van voornoemde woning heeft/hebben ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere straf komt dan de rechtbank en de bewijsbeslissing laat steunen op deels andere gronden.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft betoogd dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] in elkaars bijzijn zijn gehoord en die verklaringen in de kern één getuigenverklaring vormen en dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet kan worden gebaseerd op de verklaring van één getuige.


Dat betoog slaagt niet. Het betoog steunt immers op de eis dat ook voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit ondersteunend bewijs nodig is. Die eis kent het recht niet. Zoals volgt uit het hierna weergegeven bewijs, bestaat het bewijs niet slechts uit één verklaring van een getuige.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat uit het bewijs niet kan volgen dat er een oogmerk bestond op de wederrechtelijke toe-eigening van enig goed of geld. Het hof volgt de raadsman daarin niet. Uit de weergegeven bewijsmiddelen volgt dat een ruit van de voordeur is ingeslagen of ingegooid en de verdachte naar binnen is gegaan. Gelet op die uiterlijke verschijningsvorm kan het niet anders dan dat de verdachten goederen of geld weg wilden nemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Daarbij is van belang dat de verdachten geen aannemelijk geworden verklaring hebben gegeven waaruit een ander opzet of oogmerk volgt.

Het hof is van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Vast staat dat de verdachte voorafgaand aan de inbraak samen met zijn medeverdachte in de Opel Combo zat, die voor de woning van de getuige [getuige 1] stond, en zij daar door hem zijn waargenomen. De getuige [getuige 1] en zijn echtgenote [getuige 2] hebben twee mannen gezien bij de woning waar is ingebroken. Het door de getuigen gegeven signalement van deze mannen, in het bijzonder de omschrijving van de jas van de verdachte, die uit de woning kwam, met een opvallende oranjekleurige baan over de rug en mouwen, komt overeen met dat van de verdachte en zijn mededader ten tijde van de aanhouding. Tot slot zit er een kort tijdsbestek tussen het plegen van het delict en het aanhouden van de verdachten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 februari 2015 te Amstelveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres 2] weg te nemen goed(eren) en/of geld van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, met zijn mededader, naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij en/of zijn mededader een ruit van een toegangsdeur van voornoemde woning heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep onder de nummers 1, 2, 3, 4 en 5.

2. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015024646-19 van 2 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde pagina 15.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Naar aanleiding van de aanhouding van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] ter zake woning inbraak in [adres 2] te Amstelveen, hebben wij, verbalisanten, met toestemming van beide verdachten foto’s gemaakt van de kleding die de verdachten droegen tijdens deze aanhouding.

Verdachte [verdachte] droeg de volgende kleding:

- Donkerkleurige trainingsbroek met Nederlands elftal embleem

- Blauwkleurig trainingsjack voorzien van oranjekleurige baan over de rugzijde en de mouwen van dit trainingsjack

- Daaronder een grijskleurige trainingsjack met capuchon

Verdachte [medeverdachte] droeg de volgende kleding:

- Zwarte jas van het merk Guess

- Zwarte trainingsbroek van het merk Nike

- Beige sportschoenen van het merk Adidas.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken, waarvan 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft betoogd om bij een eventuele bewezenverklaring een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden en rekening te houden met het tijdsverloop van bijna vier jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging inbraak in een woning. Dit feit heeft overlast en schade veroorzaakt. De verdachte heeft met zijn handelen een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van anderen aan de dag gelegd. Bovendien kunnen dergelijke feiten gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving doen ontstaan dan wel versterken. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals weergegeven in het reclasseringsadvies van 1 juni 2016 en ter terechtzitting in hoger beroep besproken. Gelet op deze persoonlijke omstandigheden acht het hof het wenselijk, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de omstandigheid, dat in deze zaak in hoger beroep de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreven. Namens de verdachte is op 12 september 2016 hoger beroep ingesteld en het hof eerst heden op 23 november 2018 arrest wijst, derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee maanden. Deze geringe overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep is door het hof verdisconteerd in de gekozen strafsoort.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 80,87. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 80,87 (tachtig euro en zevenentachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Z. Amani Shoorbarik, ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 80,87 (tachtig euro en zevenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. N.A. Schimmel en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 november 2018.

[…]