Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4534

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
23-000584-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vervoeren ruim 3 kilo opium, bewijs en strafmaatverweer, GS 8 maanden MA en GB 10.010,00/85 dagen VH

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000584-18

datum uitspraak: 27 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-702620-16 en 13-706308-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-702620-16:

1:
hij op of omstreeks 6 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (gedeelte van) een pen, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) gehouden en/of gericht en/of (hierbij) voornoemde [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) de woorden toegevoegd: "Kom maar, ik pak jullie" en/of "Kom maar, kom maar" en/of "Ik sla je in elkaar, kom maar op", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.

2:
hij op of omstreeks 15 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] een mes, althans een scherp voorwerp getoond en/of voorgehouden en/of

- met voornoemd mes, althans een scherp voorwerp, eenmaal of meermalen stekende en/of zwaaiende bewegingen naar voornoemde personen gemaakt en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je keel doorsnijden, ik ga je keel doorsnijden" en/of (vervolgens) (daarbij)

- door een of meer feitelijkheden bedreigd, immers heeft hij, verdachte, met een mes, althans een scherp voorwerp een of meer snijdende bewegingen langs zijn keel gemaakt (zogenaamd keel-gebaar) welke bewegingen en/of gebaren hij, verdachte, maakte in de richting van en/of toonde aan voornoemde [slachtoffer 4], althans (telkens) woorden en/of handelingen van gelijke dreigende aard of strekking.

Zaak met parketnummer 13-706308-17:

1:
hij op of omstreeks 21 april 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 5] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd: "Wacht maar, ik kom naar je toe en ik ga hetzelfde doen wat er in België gebeurd is. Dan hak ik je kop eraf.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie, een andere strafoplegging en andere beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen dan de rechtbank.

Bespreking bewijsverweer ten aanzien van feit 1 (13-702620-16, Mentrum)

De raadsman heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de bedreiging van [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen. De verdachte is door de politie naar Mentrum gebracht en aldaar aangekomen in een afgesloten high care unit met glazen wanden/deuren geplaatst. De verdachte heeft weliswaar uit boosheid op de glazen wand of deur van de unit geslagen en geschreeuwd, maar ontkent ten stelligste dat hij daarbij dreigende taal jegens [slachtoffer 1] of andere personen heeft gebruikt. Er was sprake van een ongerichte woede uitbarsting van een evident verwarde man, die onder invloed van alcohol verkeerde. Evenmin heeft de verdachte met een (afgebroken) Bic pen gedreigd; er is ook geen Bic pen aangetroffen en er is geen sprake van een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling. De verdachte heeft daar nog aan toegevoegd dat hij in een afgesloten high care unit was opgesloten en dat de groep waarvan aangeefster [slachtoffer 1] deel uitmaakte aan de andere kant van die glazen deur/raam stond, zodat bij aangeefster in redelijkheid geen vrees kon ontstaan dat de verdachte zijn dreigementen, voor zover daar al sprake van was, ten uitvoer zou brengen.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte eerder opgenomen was geweest in Mentrum, was ontsnapt en op 6 september 2016 door de politie is teruggebracht. Hij is geboeid door de politie het gebouw van Mentrum aan de Vlaardingenlaan te Amsterdam binnen gebracht, alwaar hij werd ingesloten in een high care unit. Op dat moment was de verdachte dronken. Toen hij na binnenkomst losgemaakt werd uit de boeien, werd hij volgens getuige [getuige 1] snel geagiteerd en maakte hij slaande bewegingen. [getuige 1] kent de verdachte, als hij onder invloed is, als onberekenbaar en gevaarlijk, en fysiek en verbaal bedreigend. Aangeefster [slachtoffer 1], die daar werkzaam was als verpleegkundige, heeft verklaard dat de verdachte in genoemde ruimte woest van razernij was en aan het schoppen en slaan was, schreeuwde en zei “ Kom maar, ik pak jullie”. Verder heeft [slachtoffer 1] verklaard dat de verdachte een Bic pen door midden brak waardoor het doorzichtige gedeelte van de pen gehalveerd en scherp gemaakt werd en met zijn arm omhoog stond alsof het een mes was waarmee hij wilde steken. De verklaring van [slachtoffer 1] vindt steun in de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3], zodat het hof van deze feitelijke toedracht uitgaat.

Naar het oordeel van het hof kunnen de woorden ‘Kom maar, ik pak jullie’, in combinatie met het vasthouden van een scherp voorwerp op een wijze alsof hij daarmee wilde steken, onder de omstandigheden waarin zij zijn uitgesproken, niet anders uitgelegd worden dan als een zodanige bedreiging, dat bij [slachtoffer 1] hierdoor naar objectieve maatstaven de redelijke vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. De gedragingen van de verdachte waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm dermate gericht op het doen ontstaan van bedoelde vrees, dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Dat de verdachte ten tijde van het uiten van deze woorden in een afgesloten high care unit was ingesloten doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af, reeds nu uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 7 september 2016 blijkt dat de verdachte (die blijkens verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 3] ingesloten was in een ruimte die niet geschikt is voor agressieve personen) een raam trachtte stuk te maken waardoor hij, zo begrijpt het hof, de insluitingsruimte zou kunnen verlaten en zijn bedreiging ten uitvoer zou kunnen leggen. Daarbij weegt het hof mee dat de verdachte onder invloed van drank was, dan onberekenbaar wordt, en ten tijde van de bedreiging woest van razernij was.

Aangezien uit het dossier niet blijkt of de onbekend gebleven persoon/personen daadwerkelijk op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging, en dit wel vereist is, zal de verdachte in zoverre van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-706308-17 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 13-702620-16:

1:
hij op 6 september 2016 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (gedeelte van) een pen, in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] gehouden en voornoemde [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Kom maar, ik pak jullie".

2:
hij op 15 maart 2016 te Amsterdam, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met zware mishandeling en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een mes getoond en

- met voornoemd mes stekende bewegingen naar [slachtoffer 4] gemaakt en

- voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je keel doorsnijden, ik ga je keel doorsnijden" en daarbij met een mes snijdende bewegingen langs zijn, verdachtes, keel gemaakt.


Zaak met parketnummer 13-706308-17:

1:
hij op 21 april 2017 te Amsterdam, [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd: "Wacht maar, ik kom naar je toe en ik ga hetzelfde doen wat er in België gebeurd is. Dan hak ik je kop eraf.".

Hetgeen in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-706308-17 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-706308-17 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 2 bewezen verklaarde en het in de zaak met parketnummer 13-706308-17 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-706308-17 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-706308-17 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden als in het vonnis opgenomen, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, alsmede tot onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Zij heeft tevens gevorderd het inbeslaggenomen mes te onttrekken aan het verkeer.

De raadsman heeft het hof verzocht te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van 13 maanden tot drie maal toe onder invloed van alcohol schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen, gericht tegen drie volstrekt willekeurige reizigers op een metrostation, tegen een verpleegkundige op haar werkplek en tegen een politieman tijdens zijn werk op straat. De verdachte is niet alleen verbaal dreigend geweest, maar heeft de slachtoffers op het metrostation met een mes bedreigd. Jegens de verpleegkundige heeft hij een scherp steekvoorwerp in de vorm van een afgebroken pen gebruikt. Deze bedreigingen hebben op de slachtoffers veel impact gehad, zoals ook naar voren komt uit de verschillende door hen afgelegde verklaringen, waaronder een ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van een van de reizigers op het metrostation op 15 maart 2016, mevrouw [slachtoffer 3]. Bedreigingen als deze maken dat niet alleen bij de slachtoffers maar ook in de maatschappij gevoelens van onveiligheid post vatten. Het hof neemt dit de verdachte ernstig kwalijk.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt voor een bedreiging met een steekwapen een taakstraf voor de duur van 60 uren genoemd, te verhogen met maximaal 100% indien het feit is begaan tegen een politieagent gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening dan wel tegen een professionele hulpverlener.

Het hof ziet in het aantal, de aard en met name de ernst van de bedreigingen, waarbij een aantal keren gebruik is gemaakt van een wapen, te weten een mes en een scherp gemaakte pen, aanleiding te komen tot een andere strafmodaliteit dan in de oriëntatiepunten van het LOV S staat vermeld. Een gevangenisstraf acht het hof in beginsel een passender strafmodaliteit dan een taakstraf, waarbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden in beginsel in de rede zou liggen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het op naam van de verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2018 waaruit blijkt dat hij al vaker is veroordeeld.

Ook heeft het hof bij de besluitvorming betrokken de ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 702620/16 over de verdachte opgestelde rapporten door psycholoog drs. [naam 1] van 7 december 2016 en psychiaters dr. [naam 2] en drs. [naam 3] van 22 december 2016. Psycholoog [naam 1] rapporteert onder meer dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, in de vorm van een post traumatische stress stoornis en alcoholafhankelijkheid. Psychiaters [naam 2] en [naam 3] komen tot diezelfde conclusie en spreken daarnaast van een benzodiazepine-afhankelijkheid. De gedragsdeskundigen concluderen dat de feiten 1 en 2 op de dagvaarding met parketnummer 702620/16 de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne.

In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte van 5 april 2018 tot 12 juli 2018 opgenomen is geweest in De Wending voor verslavingsbehandeling en herstelbegeleiding, welke opname en behandeling vooralsnog succesvol is gebleken. Inmiddels is verdachte teruggekeerd naar zijn huurwoning in Amsterdam. De verdachte lijkt thans gemotiveerd voor een leven zonder alcoholgebruik en hij wordt daarin begeleid door Inforsa. Op verzoek van de officier van justitie en met instemming van de verdachte is op 30 oktober 2018 door de rechtbank Amsterdam een voorwaardelijke BOPZ machtiging verleend tot 25 oktober 2019, zodat de verdachte gedwongen zal worden opgenomen indien hij zich niet aan de in die machtiging opgenomen voorwaarden houdt.

Om deze weliswaar nog precaire maar desalniettemin positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte niet te doorkruisen, ook uit oogpunt van beperking van het gevaar voor herhaling, acht het hof het, met de advocaat-generaal, passend en geboden de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf in duur te beperken tot de duur van de door verdachte ondergane in verzekering stelling en voorlopige hechtenis. Het hof zal de verdachte daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, teneinde hem te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Met de advocaat-generaal ziet het hof, gelet op de thans lopende civiele maatregel, geen aanleiding bijzondere voorwaarden op te leggen.

Bij de strafoplegging heeft het hof tevens acht geslagen op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslag

Het in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, dat aan de verdachte toebehoort.

Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 163,50, bestaande uit € 13,50 aan materiële schadevergoeding (reiskosten van en naar verschillende zittingen) en € 150 aan immateriële schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade toe te wijzen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering voor zover die ziet op de immateriële schade.

De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot immateriële schadevergoeding.

Omtrent de gevorderde materiële schadevergoeding, gespecificeerd als reiskosten voor het bijwonen van verschillende zittingen overweegt het hof dat dergelijke kosten in de onderhavige procedure niet als schadepost kunnen worden toegewezen, maar dienen te worden geschaard onder de proceskosten als bedoeld in artikel 592a Sv (vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:905). Het hof verstaat daarom dat de benadeelde partij die reiskosten als proceskosten heeft willen opvoeren. Nu uit de processen-verbaal van de terechtzittingen van 22 september 2017 en 15 december 2017 blijkt dat de benadeelde partij daarbij aanwezig is geweest en de raadsman deze kosten niet heeft betwist ziet het hof aanleiding deze reiskosten als proceskosten voor vergoeding in aanmerking te brengen.

Omtrent de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof dat artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek met zich brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

Lichamelijk letsel of een aantasting in haar eer of goede naam zijn door de benadeelde niet gesteld. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het op andere wijze in haar persoon zijn aangetast, is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (vgl. HR 29 juni 2012, ELCI:NL:HR:2012:BW1519). Het hof ziet geen aanleiding om op dat uitgangspunt in het onderhavige geval een uitzondering te maken. Dat sprake is van geestelijk letsel, kan het hof niet vaststellen op grond van de stukken die de benadeelde partij ter ondersteuning van de vordering in het geding heeft gebracht. Het zou een onevenredige belasting van het strafproces betekenen indien de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld deze stukken in te brengen. Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze ziet op immateriële schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 150,00 aan immateriële schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat generaal heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding.

De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding.

Het hof herhaalt hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

Ook de benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft niet gesteld dat sprake was van lichamelijk letsel of een aantasting in zijn eer of goede naam. Dat sprake is van geestelijk letsel, kan het hof niet vaststellen op grond van de stukken die de benadeelde partij ter ondersteuning van de vordering in het geding heeft gebracht. Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-706308-17 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-702620-16 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-706308-17 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 48 (achtenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00stk mes (5154434).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 13,50 (dertien euro en vijftig cent).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. C.N. Dalebout en mr. W.F. Groos, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2018.

[…]