Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4499

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
23-002035-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een pistool en munitie. Geen sprake van medeplegen. Vrijspraak van het medeplegen van het voorhanden hebben van de vuurwapens en munitie van de medeverdachten. Strafverzwarende omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002035-17

datum uitspraak: 20 november 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-654022-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 05 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III onder 1°, te weten een pistool (merk Glock, kaliber 9mm x 19) en/of een pistool (van het merk Walther, kaliber .22 LR), en/of munitie van categorie III, te weten zeven, in elk geval een of meerdere, patro(o)n(en) (van het kaliber 9mm x 19) (synoniem voor 9mm Luger) en/of zes, in elk geval een of meerdere, patro(o)n(en) (van het kaliber .22 LR) en/of een patroon (van het kaliber 9mm x 19) (synoniem voor 9mm Luger) en/of een patroon en/of een lege huls (van het kaliber .22 LR), en/of een wapen van categorie II onder 4°, te weten een vuurwapen gelijkend op een sleutelhanger en/of een aansteker, voorhanden heeft gehad;

2:
hij op of omstreeks 05 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie I, te weten een geluiddemper, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, met dien verstande dat de verdachte alle vuurwapens en munitie, alsmede de geluiddemper tezamen en in vereniging met de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) voorhanden heeft gehad. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten volgt uit het feit dat zij wetenschap hadden van de wapens van [medeverdachte 1] en van de verdachte, zij ‘close’ met elkaar om zijn gegaan, zij na het incident in de Halvemaansteeg – waarbij [medeverdachte 1] openlijk zijn vuurwapen met geluiddemper heeft getoond – gezamenlijk naar club [naam] zijn gegaan, [medeverdachte 1] zijn vuurwapen daar achter de bar heeft gelegd en vervolgens, na overleg, ook de verdachte en [medeverdachte 2] zich van hun wapens hebben ontdaan.


De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het vuurwapen van de verdachte (Glock) met de bijbehorende munitie (in totaal 8 stuks), nu de verdachte het bezit daarvan ter terechtzitting in eerste aanleg heeft bekend. Met betrekking tot de vuurwapens van de medeverdachten [medeverdachte 1] (Walther met geluiddemper) en [medeverdachte 2] (het heimelijke vuurwapen), alsmede de daarbij behorende munitie heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu – kort gezegd – niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte deze voorwerpen, al dan niet als medepleger, voorhanden heeft gehad.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen en munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie volgens vaste jurisprudentie is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid daarvan. Voorts dient deze een zekere beschikkingsmacht over het wapen en de munitie te hebben.

Heimelijk vuurwapen en bijbehorende munitie

Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is ten aanzien van het heimelijke vuurwapen met bijbehorende munitie – toebehorende aan [medeverdachte 2] – niet gebleken dat de verdachte zich van de aanwezigheid daarvan bewust is geweest. Anders dan de advocaat-generaal en met de rechtbank is het hof van oordeel dat een dergelijke kennis niet af te leiden uit de camerabeelden, waarop te zien is dat de verdachte en zijn medeverdachten met elkaar spraken in club [naam] en (dicht) in elkaars buurt verbleven. De omstandigheden dat de verdachte en de medeverdachten aldaar met elkaar hebben gesproken c.q. elkaar hebben omhelsd en één voor één (ieder voor zich) hun wapens hebben achtergelaten, zijn in dat verband – ook in onderlinge samenhang beschouwd – onvoldoende redengevend. Ook anderszins kan niet worden vastgesteld dat voldaan is aan het vereiste van een – op het voorhanden hebben van dat heimelijke vuurwapen en die munitie gerichte – bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededaders. Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte deze voorwerpen (als medepleger) voorhanden heeft gehad. De verdachte wordt van dat deel van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken.

Glock met bijbehorende munitie
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg bekend dat hij op 5 februari 2017 in Club [naam] te Amsterdam een vuurwapen (Glock) voorhanden heeft gehad. Deze verklaring vindt steun in het proces-verbaal van bevindingen van 8 februari 2018, waarin de camerabeelden van Club [naam] van 5 februari 2018 worden beschreven. Hieruit volgt dat de verdachte op enig moment een vuurwapen in zijn broeksband heeft gehad en dat hij korte tijd later met een vuurwapen in zijn handen het damestoilet in is gelopen. Door de politie is vervolgens in een vuilnisbak van het damestoilet een vuurwapen aangetroffen. In het vuurwapen, alsmede in de fouillering van de verdachte zijn in totaal acht patronen aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Glock en de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat hij deze voorwerpen niet tezamen en in vereniging met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voorhanden heeft gehad. Ook als zou worden aangenomen dat de medeverdachten zich in meerdere of mindere mate van de aanwezigheid van dat vuurwapen bewust zijn geweest, gelet op de camerabeelden uit de Halvemaansteeg, is niet vast te stellen dat de verdachte daarover enige beschikkingsmacht heeft gehad of dat anderszins voldaan is aan het vereiste van een – op het voorhanden hebben van die Glock en die munitie gerichte – bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededaders.


Walther met geluiddemper en bijbehorende munitie

Ten aanzien van het vuurwapen Walther met geluiddemper en de bijbehorende munitie – toebehorende aan [medeverdachte 1] – volgt uit de beschrijving van de camerabeelden van het incident in de Halvemaansteeg op 5 februari 2017 dat de medeverdachte [medeverdachte 1] in de aanwezigheid van de verdachte en [medeverdachte 2] een vuurwapen heeft getoond. Vervolgens heeft de verdachte ingegrepen toen [medeverdachte 1] het vuurwapen tevoorschijn haalde, door hem om zijn middel te grijpen. Daarmee staat vast dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate van de aanwezigheid van het vuurwapen van [medeverdachte 1] bewust is geweest. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte het vuurwapen met geluiddemper van [medeverdachte 1] korte tijd heeft gezien kan evenwel niet zonder meer volgen dat hij deze voorwerpen als medepleger voorhanden heeft gehad. Niet is gebleken dat de verdachte hierover (mede) enige beschikkingsmacht heeft gehad en ook anderszins is niet gebleken van een op het voorhanden hebben van die voorwerpen gerichte bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]. De omstandigheden dat de verdachte en de medeverdachten zich na het incident in de Halvemaansteeg gezamenlijk naar Club [naam] hebben begeven, aldaar met elkaar hebben gesproken c.q. elkaar hebben omhelsd en één voor één (ieder voor zich) hun wapens hebben achtergelaten, zijn in dat verband – in onderlinge samenhang beschouwd – onvoldoende redengevend. Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte (als medepleger) het onder 1 ten laste gelegde vuurwapen Walther en de bijbehorende munitie dan wel de onder 2 ten laste gelegde geluiddemper voorhanden heeft gehad, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 februari 2017 te Amsterdam een wapen van categorie III onder 1°, te weten een pistool, merk Glock, kaliber 9mm x 19 en munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 9mm x 19, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De raadsman heeft verzocht om de beslissing van de rechtbank te bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en acht bijbehorende patronen. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen.

De verdachte is niet eerder veroordeeld, gelet op de inhoud van een hem betreffend Uittreksel uit de Justitiële documentatie van 18 oktober 2018, zodat hij als een zogeheten first offender wordt beschouwd.

Het hof heeft acht geslagen op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. In de relevante oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor het voorhanden hebben van een pistool als uitgangspunt een gevangenisstraf van drie maanden genoemd. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval echter aanleiding om aan de verdachte een hogere straf op te leggen. Dit wordt gerechtvaardigd door het feit dat de verdachte een geladen vuurwapen voorhanden had in een drukbezocht uitgaansgebied in Amsterdam. De verdachte heeft het geladen wapen bovendien onbeheerd achtergelaten in een uitgaansgelegenheid die op dat moment vrij toegankelijk was voor het publiek. De verdachte heeft door aldus te handelen het geenszins denkbeeldige risico op een zeer gevaarzettende situatie in het leven geroepen, hetgeen de verdachte wordt aangerekend.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden. Deze straf is lager dan geëist, omdat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en integraal wordt vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Gelet op de hiervoor genoemde gevaarzettende omstandigheden, ziet het hof aanleiding te komen tot een iets hogere straf dan de rechtbank eerder had opgelegd, anders dan door de raadsman is bepleit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering bevel gevangenneming

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat bij arrest de gevangenneming van de verdachte wordt bevolen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de gezondheid en de veiligheid van personen de gevangenneming van de verdachte vergt, in verband met het bestaan van een recidiverisico.

Het hof zal de vordering tot gevangenneming afwijzen, omdat het geen gronden voor de gevangenneming aanwezig acht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering strekkende tot gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. C.N. Dalebout en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2018.

mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]