Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4496

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
23-002064-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een psychiatrische kliniek met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Oplegging TBS met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002064-15

Datum uitspraak: 27 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2015 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-669084-14 (zaak A) en 13-706041-15 (zaak B) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2018, 20 maart 2018 en 13 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is in zaak A (met parketnummer 13-669084-14) ten laste gelegd dat:


primair
hij op of omstreeks 16 april 2014 te Amsterdam door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte, terwijl die [slachtoffer] sliep en/of (slaap)medicatie had gebruikt, onverhoeds onder haar (slaap)kleding is gegaan en/of met (gedeeltelijk) ontbloot lichaam op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of zitten en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of gebracht en/of bewogen;

subsidiair
hij op of omstreeks 16 april 2014 te Amsterdam, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers is verdachte, terwijl die [slachtoffer] sliep en/of (slaap)medicatie had gebruikt, onder de (slaap)kleding van die [slachtoffer] gegaan en/of is hij, verdachte, met (gedeeltelijk) ontbloot lichaam op die [slachtoffer] gaan liggen en/of zitten en/of heeft hij zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of bewogen;


meer subsidiair
hij op of omstreeks 16 april 2014 te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers is, verdachte, terwijl die [slachtoffer] sliep en/of (slaap)medicatie had gebruikt, onder de (slaap)kleding van die [slachtoffer] gegaan en/of is hij, verdachte, met (gedeeltelijk) ontbloot lichaam op die [slachtoffer] gaan liggen en/of zitten en/of heeft hij zijn penis tegen de vagina, in elk geval het onderlichaam van die [slachtoffer] gedrukt, althans gehouden en/of heeft hij de vagina van die [slachtoffer] betast;

meest subsidiair
hij op of omstreeks 16 april 2014 te Amsterdam, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het, terwijl die [slachtoffer] sliep en/of (slaap)medicatie had gebruikt, onder haar (slaap)kleding gaan en/of met (gedeeltelijk) ontbloot lichaam op die [slachtoffer] gaan liggen en/of zitten en/of zijn penis tegen de vagina, in elk geval het onderlichaam van die [slachtoffer] drukken, althans houden en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer];

Aan de verdachte is in zaak B (met parketnummer 13-706041-15) ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere ruit(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of café [naam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit A primair

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte in zaak A primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging feit A subsidiair

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het in zaak A subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het dossier laat ruimte voor het alternatieve scenario dat de verdachte heeft geschetst. Dit houdt in dat de verdachte wel seksueel contact met de aangeefster heeft gehad, maar dat dit op vrijwillige basis in de kamer van de verdachte heeft plaatsgevonden.

De raadsman heeft gesteld dat de verklaring van de aangeefster met de nodige voorzichtigheid moet worden benaderd vanwege haar psychische problematiek.

Zij verkeerde bovendien niet in een staat van verminderd bewustzijn, althans de verdachte wist dit niet, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

De aangeefster

De aangeefster [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat zij in de nacht van 15 op 16 april 2016 in een eigen kamer in de Mentrum kliniek in Amsterdam verbleef. Nadat zij slaapmedicatie had gekregen lag zij rond 00.30 uur in bed en was meteen diep in slaap. Zij droeg een slaapjurk. Zij werd wakker van een ontzettende druk op en in haar lichaam. [slachtoffer] opende haar ogen en zag een hoofd met stekelig haar tussen haar borsten. Ze voelde dat de man zich onder haar slaapjurk had gewurmd. Ook voelde zij zijn penis in haar vagina en een golf van nattigheid. [slachtoffer] schrok, duwde en trapte de man met kracht van zich af en begon te schreeuwen. De man rende haar kamer uit, de gang op. Hij sloeg rechtsaf. [slachtoffer] rende achter hem aan. Zij zag dat hij een kamer binnen ging en de deur achter zich dicht deed. [slachtoffer] herkende hem als de man die ’s middags in de kliniek was gearriveerd.

Overige bewijsmiddelen

De getuige [getuige 1], senior groepswerker in de Mentrum kliniek, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij rond 01.00 uur of 01.30 uur geschreeuw en tumult in de gang van de kliniek hoorde. Hij zag twee of drie mensen in de gang staan, waaronder zijn collega [getuige 2] voor de kamer van [slachtoffer]. Tegelijkertijd zag hij een cliënt in een Marokkaans nachthemd voorbijkomen. Deze cliënt, die [getuige 1] herkende als een man die net opgenomen was, kwam vanaf de kant waar [getuige 2] stond. De man liep langs [getuige 1] naar zijn kamer. Deze man is later door de politie meegenomen.

De getuige [getuige 2], verpleegkundige in de Mentrum kliniek, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij [slachtoffer] die nacht hoorde schreeuwen: “ik ben verkracht”. [getuige 2] zag [slachtoffer] schreeuwend uit haar kamer komen, ze liep de gang op. [getuige 2] zag tevens een soort witte jurk in de kamer van de verdachte verdwijnen. [slachtoffer] riep dat zij verkracht was. [getuige 2] vroeg aan [slachtoffer] wie dat had gedaan, waarop [slachtoffer] naar de kamer van de verdachte wees. [getuige 2] liep naar de kamer van [slachtoffer]. [slachtoffer] liet haar natte plekken in het bed zien. Ook liet [slachtoffer] zien dat er sperma uit haar vagina kwam. [getuige 2] vond op het hoeslaken op het bed van [slachtoffer] een pootje van een zonnebril. [getuige 2] is vervolgens naar de kamer van de verdachte gelopen. Toen zij binnenkwam zag zij dat hij een witte jurk droeg. De verdachte lag op bed. Bij de wastafel lag een natte, uitgewassen onderbroek.

De verbalisant [verbalisant] heeft vastgesteld dat het op het bed van [slachtoffer] aangetroffen brillenpootje afkomstig is van de zonnebril van de verdachte.

De getuige [getuige 3], verslavingsarts in de Mentrum kliniek, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij die nacht een ronde natte plek in het bed van [slachtoffer] zag. Ook zag zij dat [slachtoffer] geen onderbroek aan had en dat er vocht uit haar vagina liep. Als [slachtoffer] hoestte belandde er vocht op de grond. [getuige 3] zag dat dit vocht niet helder was en romiger en viscoser was dan water.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft het biologisch spoor dat op de matrasovertrek van het bed van [slachtoffer] is aangetroffen bemonsterd en onderworpen aan DNA-onderzoek. Het verkregen DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

Tevens heeft het NFI het celmateriaal onderzocht dat in de vulva van [slachtoffer] is aangetroffen. Het verkregen DNA-profiel matcht eveneens met het DNA-profiel van de verdachte. In beide gevallen is de kans dat het DNA-profiel van een willekeurige man matcht met dit DNA-profiel kleiner dan één op één miljard.

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar omdat deze consistent en gedetailleerd zijn en bovendien bevestiging vinden in de overige bewijsmiddelen, met name de hierboven genoemde.

Dat de aangeefster, zoals aangevoerd door de raadsman, psychische problemen zou hebben en drugsgebruiker zou zijn doet hieraan niet af, nu dit niet betekent dat zij niet in staat zou zijn te zeggen wat zij heeft waargenomen en ondervonden. Het hof zal daarom haar verklaringen bezigen bij de bewijsbeslissing.

Alternatieve scenario niet geloofwaardig

Het hof acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, dat hij op zijn eigen kamer op vrijwillige basis seks heeft gehad met [slachtoffer], niet geloofwaardig. Hiervoor is geen enkel concreet aanknopingspunt en deze lezing vindt bovendien haar weerlegging in de hierboven genoemde en overige te bezigen bewijsmiddelen. In het bijzonder is de lezing van de verdachte strijdig met de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] in combinatie met de NFI-rapporten, waarin een ondersteuning wordt gevonden voor de verklaring van de aangeefster dat het seksuele contact heeft plaatsgevonden op haar bed. Het op dat bed aangetroffen pootje van de zonnebril van de verdachte is eveneens een contra-indicatie voor de verklaring van de verdachte dat hij niet op de kamer van [slachtoffer] is geweest. Dat de verdachte zijn zonnebril die middag kwijt al was is, is niet onderbouwd en evenmin anderszins aannemelijk geworden.

Staat van verminderd bewustzijn

Uit de hierboven genoemde en overige te bezigen bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] na het innemen van slaapmedicatie sliep op het moment dat de verdachte de tenlastegelegde handelingen verrichtte en zij de verdachte pas opmerkte nadat hij onder haar slaapjurk was gekomen en zijn penis in haar vagina had gebracht. Dit rechtvaardigt de conclusie dat [slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn of lichamelijk onmacht verkeerde. Dat de verdachte bij het verrichten van deze handelingen niet heeft gemerkt dat [slachtoffer] niet bij haar volledige bewustzijn was, is niet aannemelijk.

Conclusie

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof de verweren van de raadsman en acht het hof het in zaak A subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A subsidiair en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A: subsidiair
hij op 16 april 2014 te Amsterdam met [slachtoffer], van wie hij wist dat zij in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], immers is verdachte, terwijl [slachtoffer] sliep, onder de slaapkleding van [slachtoffer] gegaan en is hij met gedeeltelijk ontbloot lichaam op [slachtoffer] gaan liggen en zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft gebracht;

zaak B:
hij op 31 maart 2014 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk ruiten toebehorende aan [benadeelde] en/of café [naam 1] heeft vernield.

Hetgeen in zaak A subsidiair en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A subsidiair bewezen verklaarde levert op:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 330 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de ter beschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging gelast.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de maatregel van TBS met voorwaarden.

De raadsman heeft op dit onderdeel primair bepleit te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf, omdat de rapporteurs [naam 3] en [naam 4] in het PBC-rapport van 10 augustus 2017 concluderen dat de TBS maatregel niet dient te worden ingezet. De rapporteurs constateren de aanwezigheid van een stoornis tijdens het tenlastegelegde, maar een mogelijk causaal verband tussen deze stoornis en het tenlastegelegde is volgens hen niet aangetoond. Zij hebben het recidive risico niet ingeschat omdat dit niet kon worden onderbouwd.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht TBS met voorwaarden op te leggen. In het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 19 juni 2018, opgemaakt door reclasseringsmedewerker [naam 5], zijn voorwaarden geïndiceerd waar de verdachte aan wil meewerken. TBS met dwangverpleging is een ultimum remedium, terwijl kan worden volstaan met TBS met de opgestelde voorwaarden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een medepatiënt in een psychiatrische kliniek, mede bestaande uit het seksueel bij haar binnendringen.

Hij is ’s nachts haar slaapkamer binnengaan en heeft, terwijl zij na het innemen van slaapmedicatie in een diepe slaap was, zijn penis in haar vagina gebracht. Met zijn handelen heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt van de fysieke en mentale kwetsbaarheid van het slachtoffer. Hij heeft een zeer ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Temeer omdat dit plaatsvond in een psychiatrische kliniek in de slaapkamer van het slachtoffer, hetgeen bij uitstek een plaats moet zijn waar patiënten zich veilig kunnen voelen. De verdachte heeft zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevolgen voor het weerloze slachtoffer. Zij zal naar verwachting nog lange tijd de psychische last hiervan moeten dragen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de vernieling van ruiten van een café. Hij heeft hierdoor overlast en schade berokkend aan de gedupeerden en er blijk van gegeven onvoldoende respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 september 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, in het bijzonder wegens een vernieling, hetgeen in zijn nadeel weegt. De verdachte is blijkens ditzelfde uittreksel niet eerder onherroepelijk veroordeeld wegens zedendelicten.

Gelet op de ernst van de feiten, in het bijzonder het in zaak A subsidiair bewezenverklaarde, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere, lagere straf dan een gevangenisstraf van de hieronder vermelde duur. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met hetgeen hieronder wordt opgemerkt met betrekking tot de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS). De opgelegde gevangenisstraf overschrijdt de duur van het voorarrest niet.

Maatregel TBS met betrekking tot zaak A

Ten aanzien van de vraag of de TBS maatregel dient te worden opgelegd overweegt het hof als volgt.

Het hof beschikt onder meer over de na te noemen rapporten betreffende de verdachte, die ten behoeve van deze zaak zijn opgemaakt:

  • -

    een rapport psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van psychiater [naam 6] van 30 mei 2014;

  • -

    een rapport Pieter Baan Centrum van psychiater [naam 7] en psycholoog [naam 4] van 11 december 2014;

  • -

    een rapport klinische observatie Pro Justitia van psycholoog [naam 8], forensisch psychiatrisch werker [naam 9] en forensisch psychiatrisch werker [naam 10] van 31 juli 2016;

  • -

    een rapport psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van psychiater [naam 11] van 3 oktober 2016;

  • -

    een rapport psychologisch onderzoek Pro Justitia van psycholoog [naam 12] van 7 oktober 2016;

  • -

    een rapport Pieter Baan Centrum van psychiater [naam 3] en psycholoog [naam 4] van 10 augustus 2017;

  • -

    een rapport onderzoek voorbereiding TBS met voorwaarden GGZ Reclassering Inforsa van reclasseringsmedewerker [naam 5] van 19 juni 2018.

In het PBC-rapport van 10 augustus 2017 concluderen de rapporteurs [naam 3] en [naam 4] onder meer het volgende:

  • -

    De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens. Diagnostisch kan worden gesproken van een ongespecificeerde schizofrenie-spectrum- of andere psychotische stoornis, vermoedelijk in het kader van een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type. Tevens is sprake van een matig ernstige stoornis in het cannabisgebruik.

  • -

    Een schizoaffectieve stoornis wordt gekenmerkt door episodes met psychotische en manische symptomen met daartussen symptoomvrije intervallen die variëren van een paar maanden tot ruim een jaar.

  • -

    Sinds 2007 heeft de verdachte tenminste vijf maal een psychische ontregeling doorgemaakt, waarbij vermoedelijk telkens sprake was van een combinatie van manische en psychotische symptomen. Tijdens deze decompensaties of ontregelingen is sprake van angst, achterdocht, paranoïde ideeën, ontremming en dreigend of intimiderend gedrag.

  • -

    Aannemelijk wordt geacht dat ten tijde van het in zaak A tenlastegelegde sprake was van psychiatrische symptomen.

[naam 3] en [naam 4] stellen in hun rapport van 10 augustus 2017 verder:

  • -

    Een verband tussen het in zaak A tenlastegelegde en de stoornis van de verdachte kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Onderzoekers onthouden zich van een advies omtrent de mate van toerekenen. Weliswaar kan gesproken worden van een gelijktijdigheidsverband, maar causaal verband tussen de stoornis en het tenlastegelegde feit kan niet worden aangetoond.

  • -

    Een recidiverisico kan niet worden onderbouwd op basis van aan de stoornis gerelateerde (pathologische) factoren.

Anders dan in het PBC-rapport van 11 december 2014, waarin TBS met dwangverpleging werd geadviseerd kunnen de rapporteurs geen advies geven voor interventies binnen een juridisch behandelkader.

De deskundigen [naam 3] en [naam 4] hebben ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2018 de bevindingen en conclusies uit hun rapport van 10 augustus 2017 nader toegelicht en zijn daarbij gebleven. [naam 4] heeft ook een toelichting gegeven op de tegenstrijdige adviezen in de PBC-rapporten van 2014 en 2017. In 2014 werkte de verdachte niet mee aan het onderzoek en was de beschikbare informatie beperkt. De beschikbare informatie was gebaseerd op de periode waarin de verdachte het slechtst functioneerde, namelijk de periode van zijn ontregeling tijdens de observatie in het PBC in 2014. Daartegenover werkte de verdachte in 2017 volledig mee aan het onderzoek en was ruime informatie beschikbaar.

De deskundige [naam 4] heeft daarnaast opgemerkt:

  • -

    Bij het doormaken van een psychose wordt de kans op een volgende psychose elke keer groter.

  • -

    Als de verdachte ontregeld of psychotisch raakt, is hij toenemend ontremd en de kans dat hij agressief gedrag zal vertonen is in zo’n periode groot.

  • -

    Ontregeling is hetzelfde als decompensatie.

  • -

    Met de huidige informatie adviseert zij de verdachte te behandelen voor zijn psychotische kwetsbaarheid en ter verbetering van zijn ziektebesef.

  • -

    Men zou kunnen zeggen dat de decompensatie in 2014 bij de verdachte voortvloeide uit de stoornissen die zij heeft vastgesteld.

  • -

    In een periode van decompensatie kan de verdachte gevaar voor zichzelf en voor anderen veroorzaken omdat hij moeilijker invoelbaar wordt, de spanning bij hem oploopt en hij moeilijker te volgen is. De verdachte vertoont dan ontremd gedrag.

De deskundige [naam 3] heeft nog opgemerkt:

  • -

    Het is evident dat sprake is van een chronische psychotische kwetsbaarheid bij de verdachte. Het kan best zijn dat de diagnostiek die er ligt wordt verfijnd als de verdachte nu in behandeling gaat.

  • -

    Op dit moment weet hij vrijwel zeker dat de psychoses bij de verdachte niet telkens door middelengebruik zijn ontstaan.

  • -

    Wat hij wel kan vaststellen is dat de verdachte vrij langdurige psychoses heeft doorgemaakt.

Anders dan de deskundigen [naam 3] en [naam 4] acht het hof het opleggen van de maatregel van TBS voor het in zaak A subsidiair bewezenverklaarde wel noodzakelijk.

Aan de voorwaarden voor het opleggen van een TBS maatregel is voldaan.

Uit de hiervoor vermelde conclusie in het PBC-rapport van 10 augustus 2017 van [naam 3] en [naam 4] wordt afgeleid dat bij de verdachte ten tijde van het in zaak A subsidiair bewezenverklaarde sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Het door hem begane feit is een misdrijf als bedoeld in artikel 37a eerste lid, onder 1, Sr.

Dit feit betreft bovendien een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid voor het lichaam van een of meer personen.

Daarnaast eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel.

Uit het hierboven genoemde rapport van [naam 3] en [naam 4] leidt het hof af dat de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens heeft en sinds 2007 tenminste vijf maal een periode van psychische ontregeling heeft doorgemaakt. Tijdens een dergelijke periode raakt hij ontremd en de kans op agressief gedrag is toenemend groot. Gelet op het beloop van de chronische ziekte van de verdachte tot op heden acht het hof de kans aanzienlijk dat, zonder adequate behandeling, in de toekomst opnieuw dergelijke episodes kunnen plaatsvinden, waarbij hij door zijn ontremd gedrag en agressie een gevaar voor de veiligheid van anderen vormt.

Naar het oordeel van het hof kan de kans hierop slechts op aanvaardbare wijze worden verminderd door het plaatsen van de verdachte in een zo gestructureerd mogelijk langdurig regime van toezicht en/of behandeling.

In het Inforsa-rapport Onderzoek voorbereiding TBS met voorwaarden van 19 juni 2018 (hierna: maatregelrapport) is het volgende geconcludeerd.

Betrokkene is veelvuldig met justitie en politie in contact geweest. Hij zegt dat dit in bijna alle gevallen niet zijn schuld was. Probleembesef en ziekte-inzicht zijn beperkt aanwezig. Betrokkene kent een verleden met veel opnames in de gezondheidszorg vanaf jonge leeftijd. De afgelopen jaren heeft hij in voorlopige hechtenis verbleven waarin er veel (agressie)incidenten hebben plaatsgevonden. De laatste detentieperiode is betrokkene meewerkend en gemotiveerd om het leven buiten op te pakken. Hij wil zijn justitieverleden achter zich laten en zich meer op het geloof richten. In zijn hele geschiedenis komen perioden van positieve motivatie naar voren maar ook perioden waarbij betrokkene afglijdt in middelengebruik en in een ontregeling van zijn psychische problematiek.

Betrokkene heeft de afgelopen maanden buiten detentie stappen gemaakt en laten zien dat er op dit moment een stabiel beeld is ontstaan waarbij hulp van hulpverleners/ begeleiders wel van groot belang is. Vooral op praktisch gebied is er veel ondersteuning en de behandeling is in de opstartende fase. Om de kans op herhaling te verkleinen, is het van belang dat er toezicht gehouden gaat worden op betrokkene zodat zijn leven buiten opgezet kan worden en stabiel voortgezet kan worden. In eerste aanleg is er TBS met dwangverpleging opgelegd. Nu betrokkene al begonnen is met uit faseren acht de reclassering het van belang dat dit traject niet gestagneerd wordt. De huisvesting is geschikt en de behandeling is opgestart. Een langdurig traject lijkt op zijn plaats waar in eerste instantie intensief contact is zodat ontregeling en daarmee de kans op herhaling van strafbaar gedrag verkleind kan worden. Dan kan een signaleringsplan opgesteld worden, waarna stapsgewijs gewerkt kan worden aan een terugkeer in de samenleving. Gezien de motivatie van betrokkene acht de reclassering dit mogelijk in een kader van TBS met voorwaarden.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt deze tot de zijne.

Gelet op het maatregelrapport en hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van het hof het gevaar voor de veiligheid van anderen en de algehele veiligheid van personen slechts afdoende worden afgewend door het opleggen van TBS met voorwaarden omdat slechts deze maatregel een gestructureerd regime als hierboven bedoeld waarborgt.

De bij de TBS behorende en hieronder te noemen voorwaarden, die passen binnen het in artikel 38 Sr gegeven wettelijk kader, terwijl de verdachte zich bereid heeft verklaard deze te zullen naleven, zijn in het rapport van 19 juni 2018 vermeld.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Het is van belang dat het inmiddels instelde traject tot naleving van de voorwaarden die aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden zijn, mede bestaande uit de huisvesting van de verdachte in het Martin Schaaperhuis in Amsterdam, niet wordt onderbroken om de kans op een succesvolle gedragsbeïnvloeding te optimaliseren.

Het hof zal daarom, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, op grond van artikel 38 lid 6 Sr, bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren en ten aanzien van zaak A de oplegging van TBS met voorwaarden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.640. Deze bestaat uit € 440 aan materiële schade (te weten € 360 kosten eigen risico en € 80 nachtjapon) en € 1.200 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.200, ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van € 1.280, bestaande uit € 80 aan materiële schade (nachtjapon) en € 1.200 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr.

De raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij in zoverre betwist, dat hij stelt dat de onderbouwing van de materiële schadepost ontbreekt en een relatief hoog bedrag wordt gevraagd voor een oude nachtjapon, zodat de vordering op dat onderdeel moet worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof stelt het bedrag van deze schade naar maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 40. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast en dus rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vast op € 1.200 en wijst dit deel van de vordering eveneens toe.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat dat gedeelte van de vordering wordt afgewezen.

Het toegewezen bedrag aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum 16 april 2014.

Het hof zal de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38v, 57, 243 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A subsidiair en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Het op het tot de uitspraak geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Gelast met betrekking tot zaak A dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de voorwaarden dat:

- buitenland: de verdachte zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland begeeft, tenzij hij hierover voorafgaand overlegt met de reclassering en het Openbaar Ministerie daarna toestemming geeft;

- behandeling: de verdachte zich ambulant laat behandelen door GGZ Reclassering Inforsa of een soortgelijke instelling, hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem gegeven worden door zijn behandelaren en/of de reclassering in het kader van de behandeling en hij zich houdt aan de afspraken rondom zijn bewegingsvrijheid. De verdachte geeft de reclassering toestemming om bij de behandelaren en verpleegkundigen te informeren naar de voortgang van de behandeling. Hij wordt achteraf op de hoogte gesteld van de inhoud van de gesprekken. De verdachte werkt zo nodig mee aan een detox-opname van maximaal zeven weken of zoveel korter dan de behandelaren in overleg met de reclassering adviseren;

- reclasseringsbegeleiding: de verdachte zich begeleidbaar opstelt en zich gedraagt naar de aanwijzingen van de reclassering. De verdachte geeft openheid van zaken en toestemming om contact op te nemen met voor het traject relevante derden;

- forensisch psychiatrisch toezicht (FPT): de verdachte meewerkt aan FPT en, indien de reclassering dit nodig acht, aan een time-out in een FPA/FPK van maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

- huisvesting: de verdachte verblijft in het Martin Schaaperhuis of een soortgelijke RIBW-instelling alsmede op de daarna geïndiceerde vervolgplek. De verdachte mag niet verhuizen zonder overleg en toestemming van de reclassering;

- medicatie: de verdachte zich houdt aan het medicatiebeleid van de behandelaren van Inforsa of een soortgelijke instelling;

- middelengebruik: de verdachte geen drugs en alcohol gebruikt en zijn medewerking verleent aan urinecontroles en blaastesten. Gezien de terugvallen in middelengebruik de afgelopen jaren houdt de reclassering er rekening mee dat de verdachte kan terugvallen in middelengebruik. Een terugval zal voor de reclassering niet per definitie een reden zijn om de TBS met voorwaarden op te heffen. Wanneer een terugval plaatsvindt, kan het door de reclassering noodzakelijk worden bevonden dat de verdachte zich laat behandelen bij GGZ Reclassering Inforsa of een soortgelijke instelling. De verdachte dient daaraan mee te werken

- dagbesteding: de verdachte streeft naar het verkrijgen en behouden van een structurele en controleerbare dagbesteding die hij niet zonder overleg en toestemming van de reclassering verandert;

- financiën: de verdachte openheid geeft aan de reclassering en/of zijn behandelaren over zijn financiën en deze inzichtelijk maakt. Indien de reclassering en/of zijn behandelaren problemen signaleren, verleent de verdachte zijn medewerking aan budgetbeheer of bewindvoering;

- netwerk: de verdachte zijn sociale netwerking inzichtelijk maakt voor de reclassering en/of zijn behandelaren en de reclassering toestemming geeft informatie te winnen, eventueel buiten zijn aanwezigheid, bij relevante personen binnen zijn netwerk;

- vrijetijdsbesteding: de verdachte maakt de bezigheden in zijn vrije tijd inzichtelijk voor de reclassering.

Beveelt dat de ter beschikking stelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK verband (4741096)

- 1 STK beddengoed (4741105)

- 2 STK sok (4740743).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in zaak A subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.240 (duizend tweehonderdveertig euro) bestaande uit € 40 (veertig euro) materiële schade en € 1.200 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2014 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-669084-14 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.240 (duizend tweehonderdveertig euro) bestaande uit € 40,00 (veertig euro) materiële schade en € 1.200 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2014 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 september 2018.