Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4492

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
23-002862-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging. Bewijsmiddelen uitgewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002862-17

Datum uitspraak: 18 september 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-075173-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 3 december 2016 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (met daarin de volgende goederen: sleutels, een pinpas en/of Iphone-oortjes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

subsidiair

hij op of omstreeks 3 december 2016 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH), in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een jas (met daarin de volgende goederen: sleutels, een pinpas en/of iPhone-oortjes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten (zakelijk weergegeven) als een per vergissing voor jas van een vriendin van verdachte en/of diens mededader(s) gehouden en/of (daardoor) van een kapstok af-/meegenomen, jas, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om doelmatigheidsredenen worden vernietigd.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt. Uit de verklaringen van de verdachte en zijn zwager [medeverdachte] volgt immers dat zij een misplaatste grap uithaalden door de jas – waarvan zij veronderstelden dat het de jas van de toenmalige vriendin van de verdachte betrof – eerst per vergissing van de kapstok te pakken en vervolgens niet terug te brengen. Voorts heeft niet de verdachte, maar de vriendin van de verdachte zich de jas toegeëigend.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof het volgende vast. Daarbij gaat het uit van de weergave van de gebeurtenissen zoals beschreven in het proces-verbaal bevindingen over de camerabeelden (dossierpagina’s 10 en 11), nu het geen reden heeft aan dit op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. De verdachte en zijn zwager [medeverdachte] waren op 3 december 2016 in hotel Zuiderduin in Egmond. In de gang van het hotel, bij de kapstokken, hebben zij met elkaar overlegd. [medeverdachte] is in het gangpad blijven staan, terwijl hij steeds om zich heen keek. De verdachte heeft een jas van de kapstok gepakt en is hiermee weggelopen. Verderop heeft hij de jas op de grond langs de muur van de gang gelegd. [medeverdachte] stond op dat moment nog steeds in het gangpad, aldoor om zich heen kijkend, tot het moment dat de verdachte bij hem kwam staan. Na kort overleg hebben de verdachte en [medeverdachte] de jas opgepakt en zijn zij weggelopen.

Het hof beschouwt deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm als te zijn gericht op voltooiing van een diefstal in vereniging, waarin de verdachte en zijn medeverdachte ieder een wezenlijk aandeel hebben gehad. Het hof acht de alternatieve verklaring die de verdachte en zijn raadsman voor deze gedragingen naar voren hebben gebracht niet geloofwaardig en gaat daaraan voorbij, gelet op het navolgende. De verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] stroken niet met de hiervoor genoemde beschrijving van de beelden ten aanzien van de vraag wie degene was die de jas van de kapstok heeft gepakt en of de jas al dan niet op de grond is gelegd. Verder bevatten hun verklaringen een discrepantie over het moment waarop zij ontdekt zouden hebben dat zij per vergissing een verkeerde jas hadden gepakt.

Het hof acht de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] op deze punten dan ook ongeloofwaardig. De verdachte heeft voorts geen nadere identificerende gegevens verstrekt van zijn toenmalige vriendin, anders dan haar naam, zoals een telefoonnummer, adres of e-mailadres, zodat de politie haar niet heeft kunnen achterhalen. Tot slot komt het onwaarschijnlijk voor dat een jas die bij vergissing zou zijn weggepakt, niet wordt geretourneerd of terug gehangen zodra de vergissing is ontdekt.

Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een misplaatste grap of een vergissing, zoals door de raadsman is betoogd en acht het hof de tenlastegelegde diefstal in vereniging dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 december 2016 te Egmond aan Zee, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas met daarin sleutels, een pinpas en iPhone-oortjes, toebehorende aan [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met een goederenbijlage van 7 december 2016, met nummer 2016269790-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde bladzijden 7-9).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam] namens [slachtoffer]:

Ik doe aangifte van diefstal van de jas van mijn dochter. Op 3 december 2016 bevonden wij ons in het hotel Zuiderduin in Egmond aan Zee. Omstreeks 19.55 uur hingen wij onze jassen op. Ik hing mijn jas over de jas van mijn dochter. Wij zijn gaan bowlen. Omstreeks 21.00 uur kwamen wij terug op de locatie waar wij de jassen hadden opgehangen. Wij constateerden toen dat de jas van mijn dochter was weggenomen.

Het volgende is weggenomen: Jas – kledingstuk, Parajumpers, Winterjas, blauw. Aan de jas zit een bontkraag. In de jas zaten Iphone-oortjes, een pinpas op naam van mijn dochter en diverse sleutels, waaronder een reservesleutel van de fiets van mijn dochter, een kluissleutel en een huissleutel.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen van 2 januari 2017, met nummer 2016269790-2, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde bladzijden 10-15).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant:

Op 3 december 2016 is in hotel Zuiderduin in Egmond aan Zee een jas gestolen. Op 6 december 2016 had ik vanuit mijn functie als wijkagent contact met de manager van het hotel. Ik hoorde de manager zeggen dat hij camerabeelden had van de diefstal en ook dat hij de namen had van de twee personen die de jas hadden gestolen. Diezelfde dag kreeg ik een e-mail van de manager. Ik zag dat in deze e-mail een link stond naar de camerabeelden. Tevens zag ik dat een foto en kamergegevens waren toegevoegd.

Ik heb de beelden bekeken:

- Ik zie dat er een camera in de gang van het hotel hangt.

- Ik zie dat er aan de zijkant bij de muur een kapstok hangt.

- Ik zie dat er twee mannelijke personen in beeld komen.

- Ik zie aan de lichaamstaal dat ze overleg met elkaar hebben.

- Ik zie dat de slanke van de twee in het midden van het gangpad blijft staan en om zich heen kijkt.

- Ik zie dat de gezette jongen van de kapstok een jas pakt en hiermee wegloopt.

- Ik zie dat hij deze jas neerlegt op de grond langs de muur.

- Ik zie dat de slanke jongen nog steeds op de uitkijk staat en om zich heen kijkt.

- Ik zie dat de gezette jongen weer bij de slanke jongen komt staan.

- Ik zie aan hun lichaamstaal dat ze weer even kort overleg hebben.

- Ik zie dat ze vervolgens samen weglopen en de jas pakken.

In mijn e-mail zag ik een screenshot van de receptie. Ik zie op deze foto twee mannelijke personen aan de balie staan. Ik herken beide personen van de bewakingsbeelden waarop de jas is gestolen. Ik zie dat één persoon gezet is en dat de andere persoon slanker is.

Tevens staan de boeking gegevens van deze personen in mijn e-mail. Ik heb de opgegeven adressen opgezocht in het politiesysteem. Op het adres [adres 1] woont [verdachte]. Ik zag dat een foto van hem in het politiesysteem beschikbaar was. Ik heb deze foto vergeleken met de screenshot bij de receptie van het hotel en kan daaruit opmaken dat dit de verdachte is die de jas heeft weggenomen. Ik zag dat op het adres [adres 2] staat ingeschreven: [medeverdachte]. Ik heb deze naam ingetikt op social media site Facebook. Ik zag op een openbaar account de naam [medeverdachte]. Ik zag dat de profielfoto overeenkwam met de slanke jongen.

3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 18 januari 2017, met nummer 2017018652-2, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde bladzijden 17-20).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Het was 3 december (het hof begrijpt: 3 december 2016). Ik was met mijn zwager [medeverdachte], mijn zus en mijn vriendin in het hotel. We waren klaar met bowlen en waren aan het discussiëren.

V: Waar is de jas nu?
A: Die hebben we meegenomen. Die heeft mijn vriendin nog.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 32 uren subsidiair 16 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de diefstal van een jas van de kapstok in een hotel. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendom en heeft hij kennelijk slechts uit eigen financieel gewin gehandeld. Dergelijke feiten brengen naast materiële schade ook overlast voor de gedupeerden mee en dragen bovendien bij aan in de maatschappij levende gevoelens van onrust over de veiligheid.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 augustus 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens een vermogensdelict, in het bijzonder bij onherroepelijk vonnis van 4 juli 2016 wegens diefstal tot een taakstraf. Uit de Justitiële Documentatie blijkt dat deze taakstraf reeds is verricht. Het hof stelt derhalve vast dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt, mede in het licht van de recidive van de verdachte, in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele weken.

De verdachte staat echter blijkens de Justitiële Documentatie onder toezicht van de reclassering. Voorts is als bijzondere voorwaarde aan eerder opgelegde voorwaardelijke straffen verbonden dat hij begeleid wordt door De Waag of een vergelijkbare instelling. Om dit toezicht en een eventuele behandeling niet te doorkruisen zal het hof niet overgaan tot het opleggen van de overwogen gevangenisstraf, mede uit oogpunt van recidivebeperking. Wel komt het hof tot een hogere taakstraf dan door de rechter in eerste aanleg opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één dag en daarnaast een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) dag.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. G. Oldekamp en mr. V. Mul, in tegenwoordigheid van

mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

18 september 2018.