Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4487

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
23-003960-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepplantage. Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg gecompenseerd met voortvarende behandeling in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003960-17

Datum uitspraak: 4 september 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-706762-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

21 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2015 tot en met 23 maart 2015 te Amsterdam opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan Amsterdam) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 134, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij in of omstreeks de periode van 8 september 2014 tot en met 23 maart 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom (53.949 kWh), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Het hof overweegt omtrent het onder 2 ten laste gelegde dat uit de aangifte van [bedrijf] volgt dat de fraudespecialist ervan uitgaat dat in de woning van de verdachte een hennepplantage was ingericht sinds 8 september 2014. Daarnaast duiden de door de verbalisanten ter plaatse aangetroffen vervuilingskenmerken op in ieder geval één eerdere oogst van de hennepplanten. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de onder 2 ten laste gelegde diefstal in ieder geval vanaf 13 november 2014 tot en met 23 maart 2015 heeft plaatsgevonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 26 januari 2015 tot en met 23 maart 2015 te Amsterdam opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van 134 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2:
hij in de periode van 13 november 2014 tot en met 23 maart 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan [bedrijf].

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep in zijn woning. Het kweken van hennep is een illegale activiteit waarmee aanzienlijke winsten kunnen worden behaald. Daarnaast is hennep bij gebruik niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar ook direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van voor de kwekerij benodigde elektriciteit. Verdachte heeft op illegale wijze stroom afgetapt zonder dat dit werd geregistreerd en heeft daarmee gevaar voor goederen veroorzaakt.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt, mede in het licht van de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, een fors hogere taakstraf dan in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 23 maart 2015. In eerste aanleg is de zaak afgerond met een eindbeslissing op 26 oktober 2017: twee jaren en zeven maanden jaar na aanvang van de redelijke termijn. Vervolgens is door het openbaar ministerie op 8 november 2017 hoger beroep ingesteld en is de behandeling in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 4 september 2018: tien maanden na de instelling van het rechtsmiddel.

Het hof stelt vast dat de procedure als geheel een periode van drie jaren en vijf maanden heeft bestreken en dat – uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie – de totale termijn van vier jaren niet is overschreden. De voortvarende behandeling in hoger beroep compenseert op deze wijze de overschrijding van de redelijke termijn in de eerdere instantie, zodat het hof volstaat met de enkele constatering van de overschrijding in eerste aanleg.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.D.L. Nuis en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 september 2018.

mr. J.D.L. Nuis en mr. A. Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.