Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4486

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
23-003961-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003961-17

Datum uitspraak: 4 september 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer

13-706762-16 tegen de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 13.319,99. Ter zitting heeft de officier van justitie de vordering in verband met de kosten die door de veroordeelde aan Liander zijn betaald teruggebracht tot € 11.046,96.

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2017 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal van elektriciteit.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 26 oktober 2017 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.710,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 september 2018 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal van elektriciteit.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

21 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van de appelschriftuur van de officier van justitie van 21 november 2017 gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 9.900,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn schriftelijk standpunt van 20 maart 2018 verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel conform de politierechter in eerste aanleg vast te stellen op een bedrag van € 4.710,00.

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof zich mede gebaseerd op het proces-verbaal financieel onderzoek van 19 november 2015, met nummer 2015063787, opgesteld door verbalisant M.F. Tamsma. Voorts heeft het hof zich gebaseerd op de stukken van het dossier in de strafzaak.

In de strafzaak is het hof gekomen tot een bewezenverklaring van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, te weten het telen van 134 hennepplanten, en van diefstal van elektriciteit.

Op 23 maart 2015 is in de woning van de veroordeelde een ingerichte hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 134 hennepplanten.

De veroordeelde heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 23 maart 2015 verklaard dat hij de hennepplanten dertien à veertien weken voor de ontmanteling van de kwekerij had gekocht en dat de hennepplanten in de achtste week van de eerste kweek zijn aangetroffen.

Het hof stelt vast dat de verbalisanten ter plaatse in de woning van de veroordeelde een volle vuilniszak met hennepafval hebben aangetroffen. Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat in ieder geval sprake is geweest van één oogst.

Het hof zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van hetgeen is opgenomen in het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van 1 november 2010 (het BOOM rapport).

Het hof komt tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Opbrengst

In de kweekruimte stonden in totaal 134 hennepplanten. Het beplante oppervlak is vastgesteld op 40 m2. In dat geval kan, volgens het BOOM rapport worden uitgegaan van 33,1 gram hennep per plant.

De totale opbrengst van één oogst is daarmee 4.435,40 gram hennep.

Nu de daadwerkelijke verkoopopbrengst niet kan worden vastgesteld, wordt – conform het BOOM rapport – uitgegaan van een opbrengst van € 3,28 per gram hennep.

De totale opbrengst komt daarmee op (4.435,40 x 3,28) € 14.548,11.

Kosten

Voor de berekening van de kosten zal het hof aansluiting zoeken bij het BOOM rapport. De volgende kosten zullen worden afgetrokken van de opbrengst:

Afschrijfkosten : € 150 (één oogst)

Hennepstekken : € 381,90 (134 x € 2,85)

Variabele kosten : € 446,22 (134 x € 3,33)

Energie : € 394,51 (netverlies € 4.102,87 over 104 weken

één oogst over 10 weken is € 4.102,87 : 104 x 10 = 394,51)

De totale kosten komen hiermee op € 1.372,63.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel komt hiermee op € 14.548,11 - € 1.372,63 = € 13.175,48.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 13.175,48.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 13.175,48 (dertienduizend honderdvijfenzeventig euro en achtenveertig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 13.175,48 (dertienduizend honderdvijfenzeventig euro en achtenveertig cent).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.D.L. Nuis en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 september 2018.