Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4485

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
23-004189-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004189-17

Datum uitspraak: 4 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 november 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-114584-16 tegen de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

adres: [adres].

Procesgang

De veroordeelde is bij – inmiddels onherroepelijk - arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 juli 2017 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 65.456,80.

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 21 november 2017 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 65.456,80 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

21 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de veroordeelde hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn schriftelijke conclusie van 6 augustus 2018 gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 65.456,80 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn schriftelijke conclusie van 26 maart 2018 verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op het bedrag van minimaal € 3.800,00 en maximaal € 4.000,00.

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof zich mede gebaseerd op het proces-verbaal Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 november 2016, met nummer 2015264708, opgesteld door rapporteur P.H. Vogel. Voorts heeft het hof zich gebaseerd op de stukken van het dossier in de strafzaak.

Op 27 november 2015 is in de kelderruimte van de banketbakkerij van de veroordeelde een ingerichte hennepkwekerij aangetroffen met twee kweekruimtes. In kweekruimte A stonden 84 hennepplanten en in kweekruimte B stonden 520 hennepplanten. Totaal zijn 604 hennepplanten aangetroffen.

Bespreking van de verweren

i) De veroordeelde heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 19 mei 2016 verklaard dat hij één eerdere oogst heeft gehad waarvoor hij € 23.000,00 heeft ontvangen. Daarnaast heeft hij verklaard dat de opbrengst van een kilo gedroogde hennep tussen de € 3.800,00 en € 4.500,00 lag.

Het hof gaat, gelet op de verklaring van de veroordeelde, uit van één eerdere oogst en van een gemiddelde opbrengst van € 4.150,00 per kilo en € 4,15 per gram hennep. De stelling van de veroordeelde dat hij enkel € 23.000,00 heeft ontvangen voor de oogst is, gelet op het aantal aangetroffen planten, niet aannemelijk geworden.

Overigens is ook de suggestie van de raadsman dat de veroordeelde minder hennepplanten heeft geoogst dan de 604 aangetroffen planten, niet aannemelijk, noch onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan.

ii) Voorts heeft de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de aankoopprijs van de hennepstekken tussen de € 3,50 en € 4,50 per stek betrof.

Het hof zal bij de berekening van de aankoopprijs van de hennepstekken uitgaan van het gemiddelde bedrag van € 4,00.

iii) Tot slot heeft de veroordeelde het kasboek van de banketbakkerij overgelegd, waaruit volgt, aldus de veroordeelde, dat de stortingen van contante geldbedragen niet afkomstig zijn uit de opbrengst van de hennepkwekerij, maar uit omzet van de banketbakkerij.

Het hof stelt voorop dat hij de vastgestelde bankstortingen niet gebruikt voor de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijke verkregen voordeel. Reeds om die reden gaat het hof voorbij aan het verweer. Maar ook overigens, is niet duidelijk waarop de in het kasboek genoteerde bankstortingen precies betrekking hebben; het kasboek verschaft immers geen inzicht in de herkomst van de gestorte geldbedragen, zodat het hof ook in zoverre hieraan voorbij zal gaan.

Voor het overige zal het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van