Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4483

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
23-001726-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging, vernieling en handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie. Beroep op noodweer verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001726-17

Datum uitspraak: 4 september 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-800012-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

21 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Hoorn [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een taser getoond en/of aangezet en/of is verdachte met die taser dreigend op die [slachtoffer 1] afgelopen;

2:
hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een buitenspiegel (van een personenauto), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, een of meerdere malen tegen die auto en/of die spiegel getrapt;

3:
hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 07 januari 2017 tot en met 08 januari 2017 te Hoorn (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, een steen tegen die ruit(en) gegooid en/of tegen die ruit(en) getrapt en/of die (ruit)en stukgemaakt;

4:
hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Hoorn (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad;

5:
hij op of omstreeks 10 december 2016 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een bril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, die bril van haar hoofd gepakt en/of kapot gedrukt en/of met zijn voet kapot getrapt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof andere bewijsmiddelen bezigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 7 januari 2017 te Hoorn [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een taser getoond en aangezet en is verdachte met die taser dreigend op [slachtoffer 1] afgelopen;

2:
hij op 7 januari 2017 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een buitenspiegel van een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, meerdere malen tegen die spiegel getrapt;

3:
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 7 januari 2017 tot en met 8 januari 2017 te Hoorn telkens opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten, toebehorende aan [slachtoffer 3], heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, een steen tegen die ruiten gegooid en tegen die ruiten getrapt en die ruiten stukgemaakt;

4:
hij op 7 januari 2017 te Hoorn een wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad;

5:
hij op 10 december 2016 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een bril, toebehorende aan [slachtoffer 4], heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, die bril van haar hoofd gepakt en kapot gedrukt en met zijn voet kapot getrapt.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 2 en 5 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen,

meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte – ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde – heeft gehandeld in een situatie van noodweer, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte werd eerst bijna aangereden door Kwak en vervolgens zag hij Haasrboek met een zaklamp op hem afkomen zodat hij zich genoodzaakt voelde zich te verdedigen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de aangifte en de verklaring bij de raadsheer-commissaris van [slachtoffer 1], alsmede uit de verklaringen bij de raadsheer-commissaris van de getuigen [slachtoffer 2] en [getuige], volgt dat de verdachte direct zijn fiets op de grond gooide, in de gevechtshouding sprong en gevechtsbewegingen maakte in de richting van [slachtoffer 1], nog voordat deze uit de auto was gestapt. Reeds daaruit volgt dat de verdachte de agressor was en dat hij [slachtoffer 1] wilde aanvallen. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] nadien is uitgestapt en met een zaklamp in de ogen van de verdachte heeft geschenen doet daar niet aan af.

Het hof is – onder deze specifieke omstandigheden – van oordeel dat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de verdachte zich noodzakelijk diende te verdedigen. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 dagen waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht en het verplicht meewerken aan een diagnostisch onderzoek.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, en daaraan als bijzondere voorwaarde toe te voegen: de verplichte deelname aan het voor hem geplande intakegesprek bij de GGZ.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse vernielingen, aan een bedreiging en aan het voorhanden hebben van een taser. Met zijn handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Voorts heeft hij het slachtoffer van de bedreiging angst en gevoelens van onveiligheid bezorgd, onder meer door het tonen en aanzetten van een taser. Dergelijke feiten veroorzaken overlast voor de benadeelden en onrust in het maatschappelijke verkeer.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 augustus 2018 meerdere malen voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt mede in het licht van de recidive van de verdachte in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof zal daartoe in dit bijzondere geval evenwel niet overgaan. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit het rapport van Reclassering Nederland van 10 januari 2017 en in het bijzonder uit de verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van reclasseringswerker [naam], is af te leiden dat de verdachte over het algemeen goed functioneert tenzij problemen ontstaan met name met betrekking tot zijn financiële situatie. Voorts is gebleken dat hij een uitkering ontvangt en een eigen woning heeft. [naam] heeft benadrukt dat het van belang is dat de verdachte blijft sporten en in contact blijft met zijn begeleider op de sportschool. Voorts heeft zij aangegeven dat het reclasseringscontact met de verdachte steeds moeizaam verloopt. Desondanks geniet in haar optiek het voorzetten van het ingezette traject bij de reclassering, in combinatie met een diagnostisch onderzoek en ambulante begeleiding door de GGZ, de voorkeur boven de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Met het oog op de Justitiële Documentatie van de verdachte stelt het hof vast dat het thans opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte niet tot verbetering van zijn situatie zal leiden. Daarom zal het hof de op te leggen gevangenisstraf in de onderhavige zaak in voorwaardelijke vorm opleggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. De verdachte wordt zo een laatste kans gegund om via deze weg – en met de nodige hulp – zijn leven blijvend ten goede te keren.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.019,09, bestaande uit € 519,09 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 519,09 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsman heeft de vordering niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 519,09. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het toegewezen bedrag aan materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum op 7 januari 2017.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat:

- de veroordeelde zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest meldt bij de Reclassering Nederland (locatie Alkmaar, [adres 2], telefoonnummer [telefoonnummer]), en nadien zo vaak en zo lang als die instelling dat nodig acht, en zich houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens de reclassering worden gegeven;

- de veroordeelde meewerkt aan een diagnostisch onderzoek en aan een eventueel daaruit voortvloeiende behandeling bij de Divisie Forensische Psychiatrie van de GGZ of soortgelijke ambulante forensische zorg, waarbij de hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven;

- de veroordeelde zich meldt op het voor hem geplande intakegesprek bij de GGZ.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 519,09 (vijfhonderdnegentien euro en negen cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2017 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 519,09 (vijfhonderdnegentien euro en negen cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2017 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.D.L. Nuis en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 september 2018.

mr. J.D.L. Nuis en mr. A. Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.