Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4482

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
23-000271-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling na conflictsituatie. Toepassing artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000271-18

Datum uitspraak: 4 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-003181-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

21 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek

van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1:
hij, op of omstreeks 3 november 2016, te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door tegen een deur te duwen en/of te blijven duwen, terwijl de voet van die [slachtoffer] geklemd zat tussen die deur en een vloer.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de aangeefster [slachtoffer] niet opzettelijk heeft mishandeld, omdat hij enkel de deur van zijn woning wilde sluiten en niet in de gaten had dat de voet van [slachtoffer] tussen die deur en de vloer zat.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 3 november 2016, na een conflict over de scooter van [slachtoffer], naar zijn woning op de [adres 2] liep. [slachtoffer] liep achter hem aan tot zij in de deuropening van de woning van de verdachte stond. Op het moment dat de verdachte de voordeur van zijn woning wilde sluiten, blokkeerde hij de loop van [slachtoffer], die achter hem aanliep en is haar voet tussen die deur en de vloer geklemd geraakt, waardoor zij pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte tegen de voordeur van zijn woning duwde, en bleef duwen, terwijl hij wist dat de voet van [slachtoffer] klem zat. Immers, de getuige [getuige] zag [slachtoffer] gillend in de deuropening van de woning van de verdachte staan. Hij zag dat zij met haar voet klem zat tussen de deur en dat zij tegen die deur duwde. [getuige] is samen met [slachtoffer] tegen de deur gaan duwen en voelde daarbij aan de andere kant van de deur een flinke tegendruk. Het hof acht de onder 1 ten laste gelegde mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 3 november 2016 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door tegen een deur te duwen en te blijven duwen, terwijl de voet van die [slachtoffer] geklemd zat tussen die deur en een vloer.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door de deur van zijn woning dicht te (blijven) duwen terwijl de voet van het slachtoffer tussen deze deur en de vloer was geklemd. Een getuige heeft zich genoodzaakt gevoeld de voet van het slachtoffer te helpen ontzetten. Daarmee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en is hij te ver gegaan in het buiten de deur zetten en/of houden van de aangeefster.

Het hof neemt echter in ogenschouw dat voorafgaand aan deze mishandeling sprake was van een conflictsituatie tussen de verdachte en het slachtoffer, waarin het slachtoffer zich (verbaal) ook niet onbetuigd heeft gelaten. Na dit conflict is zij de verdachte tot in zijn woning gevolgd, de plek bij uitstek waar hij zich moet kunnen terugtrekken en veilig zou moeten kunnen voelen. Het hof overweegt voorts dat de verdachte en het slachtoffer niet in elkaars nabijheid wonen en niet meer met elkaar in aanraking hoeven te komen.

In verband met de omstandigheden waaronder het feit is begaan ziet het hof aanleiding te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.333,00 bestaande uit € 333,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 350,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade. De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte schade heeft geleden. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade in redelijkheid vast op € 350,00 en wijst dit deel van de vordering toe en voor het overige af.

Het toegewezen bedrag aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum op 3 november 2016.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2016 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2016 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.D.L. Nuis en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 september 2018.

mr. J.D.L. Nuis en mr. A. Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.