Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4476

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
07-01-2019
Zaaknummer
23-001450-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld. Vernietiging vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001450-18

Datum uitspraak: 30 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-701139-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

verblijfadres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 25 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee, althans een of meer jas(sen) (totale verkoopwaarde: 999,90 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] (vestiging: [adres 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- voornoemde [slachtoffer 1] eenmaal of meermalen met een tas, in elk geval een voorwerp tegen/op het hoofd en/of het gezicht en/of het oog heeft geslagen en/of

- ( met kracht) tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is aangerend en/of

- met voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft geworsteld en/of

- in een arm, in elk geval het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gebeten en/of

- een een op een vuurwapend gelijkend voorwerp heeft gepakt en/of aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft getoond;

2:
hij op of omstreeks 25 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een wapen van categorie I onder 7, te weten een zwart plastic nepwapen gelijkend op een revolver, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 25 januari 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee jassen, totale verkoopwaarde 999,90 euro, toebehorende aan [bedrijf], vestiging [adres 2], welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte:

- [slachtoffer 1] met een tas, tegen het gezicht heeft geslagen en

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] is aangerend en

- met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft geworsteld en

- in een arm van [slachtoffer 2] heeft gebeten en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gepakt en aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft getoond;

2:
hij op 25 januari 2018 te Amsterdam, een wapen van categorie I onder 7, te weten een zwart plastic nepwapen gelijkend op een revolver, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht en een verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 214 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht en een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De raadsman heeft verzocht tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 34 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht en deelname aan een begeleid wonen traject zoals door de reclassering reeds is geadviseerd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld. De verdachte heeft zich eerst twee dure jassen toegeëigend en vervolgens met vier mannen geworsteld, waarbij hij één van hen in de arm heeft gebeten. Met zijn handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van het betreffende winkelbedrijf. Ook heeft hij de lichamelijke integriteit van de vier mannen aangetast en een voor hen intimiderende situatie geschapen. Daarbij heeft hij zelfs niet geschroomd een potentieel nog angstiger situatie te scheppen door een op een vuurwapen lijkend voorwerp te tonen.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 augustus 2018 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Uit het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de verdachte niet langer op straat leeft maar bij zijn ouders woont hetgeen rust en stabiliteit in zijn leven brengt. Hij is na de onderhavige feiten niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. Voorts volgt uit het rapport van het Leger des Heils van 29 maart 2018 en uit de e-mail van reclasseringswerker R. Holthuijsen van 1 augustus 2018, dat de verdachte zich aan zijn afspraken houdt, dat hij ontvankelijk is voor de behandelingen en dat hij is aangemeld bij Iriszorg en bij Vangnet en Advies in Rotterdam.

Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze positief te waarderen omstandigheden niet worden doorkruist door een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarom zal het hof een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, die in duur de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet overschrijdt. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal het hof de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De verdachte wordt zo een kans gegund om – met de nodige hulp – zijn leven blijvend ten goede te keren.

Het hof acht, alles afwegende, een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Onder de verdachte is een imitatie revolver in beslag genomen en nog niet teruggegeven. Met dit voorwerp zijn de bewezenverklaarde feiten begaan. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk nepwapen is in strijd met de wet, en kan dienen tot het begaan van feiten die soortgelijk

zijn aan het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. Het hof zal dit voorwerp dan ook onttrekken aan het verkeer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.500, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500 aan immateriële schade toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat-generaal stelt zich op eenzelfde standpunt.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en dus rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vast op € 500 en wijst dit deel van de vordering toe.

Het toegewezen bedrag aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, te weten 25 januari 2018.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 124 (honderdvierentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat:

- de veroordeelde zich binnen vijf dagen na zijn veroordeling, meldt bij de reclassering, en nadien zo vaak en zo lang als die instelling dat nodig acht, en zich houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens de reclassering te Amsterdam of Rotterdam worden gegeven;

- de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten bij Iriszorg te Beekbergen of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten 1 STK imitatie revolver (5521001).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2018 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2018 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Heft op het – tot aan deze uitspraak geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. A.M. van Woensel en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 augustus 2018.

mr. A.M. van Woensel en mr. A.E. Kleene-Krom zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.