Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4474

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
23-001078-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging m.u.v. de straf. Strafoverweging: hof heeft niet de overtuiging bekomen dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de invoer van een hoeveelheid van meer dan twee kilogram van een materiaal bevattende cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001078-18

Datum uitspraak: 25 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-235635-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,

adres: [adres],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag te Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het reeds door de verdachte ondergane voorarrest niet overstijgt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een fikse hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne ingevoerd. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en (groot)handel in cocaïne veroorzaken een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving met zich en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank bepalend geacht dat zich in de door de verdachte meegevoerde koffer ruim vijf kilo van een materiaal bevattende cocaïne bleek te bevinden. Hetzelfde geldt voor de advocaat-generaal bij het formuleren van zijn strafeis. Echter, op basis van de bijzonderheden die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de invoer van een hoeveelheid van meer dan twee kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit leidt ertoe dat het hof de gevangenisstraf die in eerste aanleg is opgelegd zal matigen tot een straf die aansluit bij straffen die in soortgelijke gevallen – de gevallen waarin twee kilogram van een materiaal bevattende cocaïne is ingevoerd – plegen te worden opgelegd. Oplegging van een lagere gevangenisstraf zoals door de raadsvrouw bepleit doet geen recht aan de ernst van het feit, terwijl de persoonlijke situatie van de verdachte daartoe evenmin aanleiding geeft.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. J.J.I. de Jong en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2018.

mr. B.A.A. Postma en mr. A. Stronkhorst zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.