Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4462

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
200.180.367/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Beroep op vernietiging ex art. 1:88/89 BW. Stuiting verjaringstermijn door dagvaarding van 13 maart 2003 in collectieve procedure ongeacht of de vernietigingsvordering onder de (toegewezen) vordering A dan wel de (afgewezen) vordering B valt. Bewijsvermoeden en/of-rekening ontzenuwd. Beroep op verjaring wordt afgewezen. Waardering uitgeleverde aandelen. Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:2388.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.180.367/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 3239802 DX EXPL 14-319

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 december 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 12 november 2015 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 12 maart 2015 (hierna: het tussenvonnis) en 13 augustus 2015 (hierna: het eindvonnis), in de procedure onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord, met een productie;

- akte van [appellant] ;

- antwoordakte van Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden eindvonnis zal vernietigen en – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – zijn vordering, zoals geformuleerd bij memorie van grieven, zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Dexia heeft geconcludeerd – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – tot verwerping van de grieven van [appellant] , met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van art. 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in art. 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellant] heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.2

Deze procedure betreft de op respectievelijk 30 mei 1997, 25 maart 1998, 30 september 1999 en 7 maart 2001 door [appellant] met (een rechtsvoorgangster van) Dexia gesloten leaseovereenkomsten, door de kantonrechter aangeduid met het cijfer I tot en met IV (hierna: de leaseovereenkomsten). Ten aanzien van de leaseovereenkomsten heeft de echtgenote van [appellant] bij brief van 10 november 2005, die door Dexia is ontvangen op 15 november 2005, de nietigheid ingeroepen.

3.3

De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d BW. De echtgenote van [appellant] heeft op grond van art. 1:89 lid 1 BW het recht de leaseovereenkomsten te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan geen schriftelijke toestemming heeft gegeven.

3.4

Uit art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d BW in samenhang met art. 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens art. 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge art. 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Voor zover [appellant] in zijn grief 3 omtrent het voorgaande een ander standpunt heeft verdedigd gaat dat betoog niet op. Het hof wijst in dat verband op het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1866).

Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rust de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid.

3.5

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden ontleend aan onder meer het feit dat de betalingen op grond van de leaseovereenkomsten werden verricht vanaf een en/of-rekening. De kantonrechter heeft de echtelieden als getuigen gehoord en heeft geoordeeld dat het hiervoor bedoelde bewijsvermoeden niet is weerlegd. Dit leidde de kantonrechter tot het oordeel dat Dexia is geslaagd in het bewijs dat de echtgenote van [appellant] eerder dan drie jaren voor de vernietigingsbrief op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten. Om die reden zijn in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen. In reconventie is [appellant] veroordeeld € 3.532,22, met rente aan Dexia te betalen.

3.6

Het hof ziet aanleiding eerst de grieven 2 en 4 te behandelen. Met grief 2 beroept [appellant] zich onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) op de stuitende werking van de collectieve procedure die de Stichting Eegalease en de Consumentenbond bij dagvaarding van 13 maart 2003 tegen Dexia aanhangig hebben gemaakt. Met grief 4 betoogt hij dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewijsvermoeden niet is ontzenuwd, zodat niet is komen vast te staan dat zijn echtgenote vóór 13 maart 2000, dat is drie jaar voor genoemde dagvaarding, daadwerkelijk bekend was met de leaseovereenkomsten.

3.7

De Hoge Raad besliste in zijn arrest van 9 oktober 2015 (onder meer) dat de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van op die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW. Een dergelijke buitengerechtelijke vernietigingsverklaring heeft bovendien te gelden als een nieuwe eis in de zin van art. 3:316 lid 2 BW. Ten slotte besliste de Hoge Raad dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

3.8

Het hof stelt het volgende voorop. De beslissing van de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 biedt geen ruimte voor de redenering van Dexia dat de Stichting Eegalease en de Consumentenbond in de overeenkomst van 23 juni 2005 afstand hebben gedaan van de mogelijkheid tot stuiting van de verjaring en de daaraan verbonden conclusie dat de dagvaarding van 13 maart 2003 de verjaring niet stuit. Waar een opt out-verklaring geen afbreuk doet aan de stuitende werking van die dagvaarding – zoals de Hoge Raad heeft overwogen – doet logischerwijs bedoelde afstandsverklaring van de belangenorganisaties in de hoofdovereenkomst daaraan evenmin afbreuk; die afstandsverklaring was ten tijde van de opt out-verklaring immers al een feit.

Overeenkomsten I, II en III

3.9

Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van Dexia dat de stuitende werking van de collectieve actie niet van toepassing is op de leaseovereenkomsten I, II en III omdat deze zijn aangegaan op respectievelijk 30 mei 1997, 25 maart 1998 en 30 september 1999, terwijl de (door de rechtbank afgewezen) collectieve vordering (B) waar het hier volgens Dexia om gaat, strekt tot een verklaring voor recht dat, zakelijk weergegeven, leaseovereenkomsten die met Dexia zijn gesloten in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder dat de niet handelende echtgenoten daarin hebben toegestemd vernietigd zijn althans vernietigbaar zijn op grond van het bepaalde in art. 1:88 BW. Dexia ziet er echter aan voorbij dat in de collectieve procedure ook een verklaring voor recht is gevorderd dat op door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW van toepassing is. Deze (door de rechtbank toegewezen) vordering (A) is niet beperkt tot de leaseovereenkomsten die in bepaalde jaren zijn gesloten en ziet derhalve ook op onderhavige leaseovereenkomsten. De uitspraak van 9 oktober 2015 kan niet zo worden begrepen dat alleen vordering B, en niet vordering A, van de collectieve actie stuitende werking heeft.

3.10

Voorts betoogt Dexia dat de mogelijkheid om de nietigheid in te roepen van de leaseovereenkomsten I, II en III reeds was verjaard op het moment van de stuiting. Daarmee ligt de vraag voor of de eega van [appellant] vóór 13 maart 2000 wist van de desbetreffende leaseovereenkomsten, ten aanzien waarvan Dexia als gezegd de bewijslast heeft. Dienaangaande geldt het volgende.

3.11

De betalingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten vonden plaats vanaf twee en/of-rekeningen waaraan, zoals gezegd, de kantonrechter ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden heeft ontleend. De echtgenote van [appellant] heeft verklaard dat zij de afschriften van de rekening eindigend op [nummer 1] bekeek. Betalingen uit hoofde van leaseovereenkomst I werden (ook) ten laste van deze rekening verricht (productie 1 en 2 bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie), hetgeen betekent dat het bewijsvermoeden ten aanzien van leaseovereenkomst I niet is ontzenuwd. Met betrekking tot de leaseovereenkomsten II en III, terzake waarvan de betalingen werden verricht van de rekening eindigend op [nummer 2] , volgt uit de verklaringen van de echtelieden dat [appellant] deze rekening beheerde. Hij deed de overboekingen en archiveerde de bankafschriften. De echtgenote van [appellant] heeft verklaard dat zij nooit keek op andere bankafschriften dan die van rekening [nummer 1] (en een andere, voor de procedure niet van belang zijnde rekening). Dat [appellant] heeft verklaard dat zijn echtgenote naar de eindsaldi van alle rekeningen keek, is mede gezien de ontkenning van zijn echtgenote, onvoldoende om aan te nemen dat zij aldus kennis heeft gekregen van de afschrijvingen en daarmee van het bestaan van de leaseovereenkomsten II en III. Gelet hierop kan op grond van de getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte stukken, ook in onderling verband en samenhang bezien, niet worden vastgesteld dat de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten II en III. Dexia wijst er op dat de echtgenote van [appellant] op 19 maart 2003 het Dexia Aanbod heeft medeondertekend, maar die stelling kan haar gelet op het voorgaande niet baten nu het een feit betreft van na 13 maart 2000. Dexia wijst ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid verder op verschillende omstandigheden, maar haar argumenten betreffen in essentie veronderstellingen. Voor zover de getuigenverklaringen tegenstrijdigheden bevatten, zijn deze van onvoldoende gewicht om deze als ongeloofwaardig te bestempelen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de werking van waarneming en geheugen zo haar beperkingen kent, zeker waar het hier gebeurtenissen van vele jaren geleden betreft. Daarbij past te aanvaarden dat zich tegenstijdigheden kunnen voordoen.

3.12

Het hof ziet geen aanleiding om Dexia toe te laten tot bewijslevering nu de echtelieden reeds als getuigen zijn gehoord en Dexia bovendien geen bewijsaanbod heeft gedaan.

Overeenkomst IV

3.13

Ten aanzien van leaseovereenkomst IV van 7 maart 2001 overweegt het hof dat nu de collectieve procedure tussen Eegalease en de Consumentenbond en Dexia is geëindigd in januari 2007 (HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936), geconcludeerd moet worden dat met de brief van 10 november 2005 tijdig de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van leaseovereenkomst IV is gestuit door de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure en dat met die brief dus tijdig de nietigheid is ingeroepen.

3.14

Uit het vorenstaande volgt dat de grieven 2 en 4 grotendeels slagen. De gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de leaseovereenkomsten II, III en IV ligt voor toewijzing gereed. Omtrent de gevolgen van de vernietiging van deze leaseovereenkomsten overweegt het hof als volgt.

3.15

Ter zake van leaseovereenkomst IV zijn (certificaten van) aandelen geleverd op een door [appellant] aangehouden beleggingsrekening. Volgens Dexia moet de door [appellant] te bewijzen verkoopopbrengst van de aan hem (uit)geleverde aandelen verrekend moet worden met het door Dexia verschuldigde bedrag, althans moet bij gebreke van dat bewijs de werkelijke verkoopopbrengst geacht worden het door Dexia verschuldigde bedrag te overschrijden, zodat Dexia per saldo niets meer verschuldigd is. [appellant] kan zich met dit standpunt van Dexia niet verenigen en refereert zich voor de wijze waarop moet worden omgegaan met vernietigde overeenkomsten waarbij aandelen zijn overgenomen. Voorts stelt [appellant] dat hij niet meer in het bezit is van de overgenomen aandelen, met uitzondering van de aandelen KPN, en dat hij niet meer weet wanneer en tegen welke waarde hij de aandelen destijds van de hand heeft gedaan.

3.16

Het hof acht in het (primaire) betoog van Dexia een verzoek als bedoeld in art. 3:53 lid 2 BW besloten. Nu beide partijen kennelijk tot uitgangspunt nemen dat de reeds ingetreden gevolgen van de vernietigde rechtshandeling, althans voor wat betreft de reeds door [appellant] verkochte aandelen, bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, ziet het hof, mede om redenen van doelmatigheid, voldoende aanleiding voor de door Dexia voorgestelde verrekening. De uitkering in geld dient te worden bepaald op de verkoopwaarde ter beurze op de dag van vernietiging (15 november 2005), welke waarde blijkt uit de Officiële Prijscourant van de AEX (http://www.aex.nl/opc). Indien [appellant] de aandelen reeds voor de dag van vernietiging heeft verkocht, dan geldt de verkoopwaarde op de dag van verkoop.

Het kennelijke standpunt van Dexia dat indien [appellant] (een deel van) de aandelen nog in bezit heeft ervan uitgegaan moet worden dat de (toekomstige) verkoopopbrengst hoger is dan de schuld van Dexia, gaat niet op. De gevolgen van de beslissing van [appellant] om de aandelen te houden na de vernietiging komen voor zijn rekening en risico, zowel in gunstige als in ongunstige zin. Indien en voorzover [appellant] de aandelen nog onder zich heeft, dient hij deze aan Dexia terug te leveren.

3.17

De zaak wordt verwezen naar de rol van 8 januari 2019 teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen zich bij akte ten aanzien van leaseovereenkomst IV uit te laten over welke van de desbetreffende aandelen hij nog onder zich heeft, met overlegging van relevante documentatie, zoals bij- en afschriften van zijn beleggingsrekening, alsmede over de waarde van de uitgeleverde aandelen op de dag van vernietiging, of op de dag van verkoop, indien de verkoop eerder heeft plaatsgevonden. Hierop zal Dexia bij antwoordakte kunnen reageren. Het hof wijst partijen daarbij op het volgende. Partijen dienen concreet aan de hand van verifieerbare gegevens voor te rekenen tot welke beslissing die gegevens in hun optiek zullen dienen te leiden. Aan het niet-verschaffen door een partij van de verlangde gegevens zal het hof de gevolgen verbinden die het geraden acht.

3.18

In de memorie van grieven onder 8 - wettelijke rente betoogt [appellant] , zo begrijpt het hof, dat Dexia de betalingen te kwader trouw in de zin van art. 6:205 BW heeft aangenomen met als gevolg dat Dexia de wettelijke rente verschuldigd is telkens vanaf de datum van die betalingen. [appellant] onderbouwt de kwade trouw bij Dexia met de stelling dat Dexia wist dat de leaseovereenkomsten zonder schriftelijke toestemming van de echtgenote was afgesloten, dat sprake was van huurkoopovereenkomsten en dat Dexia derhalve wist dat de leaseovereenkomsten bloot stond aan vernietiging ex art. 1:88 e.v. BW, maar dat zij kennelijk dat risico heeft aanvaard. Dienaangaande geldt het volgende. Van kwade trouw is sprake indien de ontvanger de betaling in ontvangst heeft genomen terwijl hij wist of vermoedde dat hij geen recht had op de betaling. Het gaat daarbij om louter subjectieve kennis. De vraag of de ontvanger had moeten of kunnen weten dat onverschuldigd werd betaald, is niet aan de orde. Het betreft hier immers geen nietige maar slechts vernietigbare overeenkomsten, die voor geldig worden gehouden totdat ze op goede gronden worden vernietigd. Op het moment van ontvangst van de betaalde bedragen wist Dexia niet dat deze betalingen als onverschuldigd zouden worden aangemerkt, doordat op een later moment de andere echtgenoot de overeenkomsten zou vernietigen. Pas vele jaren na het afsluiten van de overeenkomsten is in de rechtspraak definitief uitgemaakt dat dergelijke overeenkomsten kwalificeren als huurkoop (zie HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837), zodat niet kan worden gezegd dat Dexia er tijdens het sluiten van de overeenkomsten al vanuit moest gaan dat deze zou leiden tot onverschuldigde betalingen. Afgezien daarvan is vanwege de fluctuerende aandelenkoersen ook onzeker of de andere echtgenoot de overeenkomsten zal vernietigen. Het door Dexia terug te betalen bedrag zal overeenkomstig haar betoog worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2005, dat is 14 dagen na ontvangst van de vernietigingsbrief door Dexia op 15 november 2005.

3.19

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Het hof geeft partijen in overweging te bezien of zij ter voorkoming van verdere proceshandelingen, waaronder getuigenverhoren, en dus kosten, een schikking kunnen bereiken.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 8 januari 2019 met het in r.o. 3.17 genoemde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 december 2018.