Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4448

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2018
Datum publicatie
31-12-2018
Zaaknummer
200.231.067/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

1:377 c BW vormt geen basis voor het opleggen van een informatieverplichting aan de grootouders die ook pleegouders en voogd van minderjarigen zijn. Inleidend verzoek van vader om opleggen informatieregeling niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0011
RFR 2019/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.231.067/01

zaaknummer rechtbank: C/13/626965 / FA RK 17-2279 (FA/ID)

beschikking van de meervoudige kamer van 4 december 2018 inzake

[de vader] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.A.J. van Putten te Alkmaar,

en

1 [de grootvader] ,

2. [de grootmoeder] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verweerders in hoger beroep,

hierna te noemen: de grootouders,

advocaat: mr. L. Scheffer te Amsterdam.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [A] (hierna te noemen: [kind a] );

- de minderjarige [B] (hierna te noemen: [kind b] );

- de minderjarige [C] (hierna te noemen: [kind c] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 11 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 9 januari 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 11 oktober 2017.

2.2

De grootouders hebben op 26 februari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de grootouders van 8 maart 2018 met bijlage, ingekomen op

9 maart 2018.

2.4

De minderjarigen [kind a] en [kind b] hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling tijdens een gesprek met de voorzitter hun mening kenbaar gemaakt.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 25 oktober 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de grootouders, bijgestaan door hun advocaat en de heer M. Melehi, tolk in de Marokkaans-Arabische taal en vergezeld door hun dochter, [dochter] ;

- mevrouw F.L.M. Huizinga, namens de raad.

De vader en de grootouders zijn afzonderlijk van elkaar gehoord. De advocaten van de vader en de grootouders waren bij ieder gehoor aanwezig.

De mening van de kinderen is tijdens de mondelinge behandeling kort en zakelijk samengevat.

3 De feiten

3.1

De vader heeft een relatie gehad met [de moeder] (hierna: de moeder), overleden op 4 februari 2016. Uit deze relatie zijn geboren: [kind a] , [in] 2005, [kind b] , [in] 2006 en [kind c] , [in] 2012 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De vader heeft de kinderen erkend.

3.2

De moeder was tot haar overlijden alleen met het gezag over de kinderen belast. De grootouders zijn de ouders van de moeder. Zij zijn bij beschikking van de rechtbank van

6 oktober 2016 benoemd tot voogd(en) over de kinderen. De kinderen hebben vanaf het uiteengaan van partijen tot het overlijden van de moeder bij haar gewoond. Sinds het overlijden van de moeder wonen de kinderen bij de grootouders.

3.3

De vader is bij arrest van dit hof van 7 maart 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren wegens het opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven brengen van de moeder. De vader heeft tegen dit arrest cassatie bij de Hoge Raad ingesteld. Daarop is nog niet beslist.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het inleidende verzoek van de vader tot het bepalen van een informatieregeling afgewezen. De vader had verzocht te bepalen dat de grootouders gehouden zullen zijn eenmaal per maand informatie over de kinderen aan de vader te verschaffen over hun welzijn, schoolprestaties, hobby’s en andere belangrijke gebeurtenissen in hun leven.

4.2

De vader verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair zijn inleidend verzoek toe te wijzen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht. Subsidiair verzoekt de vader een raadsonderzoek te gelasten.

4.3

De grootouders verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1

[kind a] en [kind b] hebben tijdens het gesprek met de voorzitter benadrukt dat zij absoluut niet willen dat er informatie over hen aan de vader wordt gegeven. Zij zien de vader als degene die hun hun moeder heeft ontnomen. Deze procedure en een eventuele verplichting de vader te informeren betekent voor hen een herhaalde confrontatie met het vreselijke dat is gebeurd en dat vinden zij heel moeilijk te verdragen.

5.2

Desgevraagd heeft de vader ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat hij zijn verzoek om het vastleggen van een informatieregeling baseert op artikel 1:377c, in samenhang met artikel 1:377a, Burgerlijk Wetboek (BW).

Naar aanleiding van de weergave van het kindgesprek heeft de vader ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij de mening van [kind a] en [kind b] wenst te respecteren, maar zijn betoog aangaande [kind c] onverkort van toepassing vindt. Het standpunt van de vader is dat de rechtbank zijn verzoek tot vaststelling van een informatieregeling ten onrechte heeft afgewezen wegens strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen. Hij voert daartoe aan dat hij nog niet onherroepelijk is veroordeeld voor het vermoorden van de moeder. Hij vindt dat het belang van ieder kind afzonderlijk onvoldoende is onderzocht en acht nader onderzoek door de raad wenselijk, waarbij bijvoorbeeld ook de bevindingen van De Bascule worden betrokken. Het verstrekken van informatie over [kind c] is, gelet op zijn jonge leeftijd, voor hem niet of nauwelijks belastend.

De vader heeft ten slotte betoogd dat er geen aanleiding is om hem in de proceskosten te veroordelen.

5.3

Ter zitting in hoger beroep hebben de grootouders aangevoerd dat de vader alsnog niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn inleidend verzoek, wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor dit verzoek. De grootouders kunnen zich verder vinden in de inhoud van de bestreden beschikking. Zij wijzen op de veroordeling van de vader zoals hiervoor bij 3.3 weergegeven en het overgelegde borgingsplan van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA). Uit laatstgenoemd stuk blijkt dat bij alle drie de kinderen sprake is van een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) en dat (zoals het hof dit opvat:) in zijn algemeenheid in dit soort situaties juridische procedures stress en onrust opleveren. De grootouders zien dat de kinderen rust nodig hebben en zolang ze niets over de vader horen gaat het goed met hen. Zij wensen niets met hem te maken te hebben, er mag niet over hem gepraat worden en zij zijn bezig om hun achternaam te laten wijzigen. Een informatieverplichting is belastend voor de grootouders en niet in het belang van de kinderen. Ook het voeren van deze procedure is erg belastend voor hen. Daarom en omdat de grootouders, die geen recht op gefinancierde rechtsbijstand hebben, op kosten gejaagd worden, wensen de grootouders dat de vader in de proceskosten van deze procedure veroordeeld wordt.

5.4.

De raad acht geen nader onderzoek noodzakelijk en adviseert om de drie kinderen in deze procedure gelijk te behandelen en geen informatieverplichting aan de grootouders op te leggen.

Ter onderbouwing van zijn advies heeft de raad erop gewezen dat het voor de kinderen verschrikkelijk ingewikkeld is om in het reine te komen met het gegeven dat en de omstandigheden waaronder beide ouders zijn weggevallen. [kind a] en [kind b] hebben uitdrukkelijk verklaard dat zij niet willen dat de vader informatie over hen krijgt vanwege de belasting die dat voor hen zou betekenen. Deze wens moet onder de gegeven omstandigheden serieus genomen worden, ook al is die mogelijk mede ingegeven door loyaliteit aan de grootouders. De kinderen worden nu immers verzorgd door de grootouders en ook voor de grootouders is het belastend om informatie aan de vader te moeten verstrekken. Voor de belasting van de grootouders maakt het niet uit of informatie over alleen [kind c] of over alle drie de kinderen moet worden verstrekt. Bovendien zal, ook wanneer de vader alleen over [kind c] geïnformeerd wordt, deze informatie noodzakelijkerwijs indirect de oudste twee kinderen betreffen omdat zij in hetzelfde gezin opgroeien. De raad adviseert daarom de bestreden beschikking ten aanzien van alle drie de kinderen te bekrachtigen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het inleidend verzoek

5.5

Het hof ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het inleidend verzoek ontvankelijk is, nu een (expliciete) wettelijke bepaling op grond waarvan de grootouders gehouden zouden zijn informatie aan de vader te verschaffen ontbreekt. Kennelijk heeft het partijdebat zich hierop in eerste aanleg niet gericht en in de bestreden beschikking is hierover niets overwogen. Het hof heeft deze vraag ter zitting in hoger beroep aan partijen voorgehouden. De advocaat van de vader heeft vervolgens zowel in aanwezigheid van de vader als (later op deze zittingsdag) in aanwezigheid van de grootouders betoogd dat de wettelijke grondslag voor dit verzoek gelegen is in artikel 1:377c, eerste lid, in samenhang met artikel 377a BW. De grootouders hebben dit standpunt bestreden en aangevoerd dat het inleidend verzoek wegens het ontbreken van een wettelijke basis niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. Artikel 1:377c, eerste lid BW luidt:

“Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van dit boek wordt de niet met gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.”

De vader heeft aangevoerd dat de grootouders gezien moeten worden als de in deze bepaling bedoelde “derden”, althans dat deze bepaling in de gegeven omstandigheden naar analogie moet worden toegepast. Daartoe is gewezen op de gang van zaken na het overlijden van de moeder: JBRA was met de voorlopige voogdij belast en is tijdens de uitvoering daarvan verzocht om informatie over de kinderen te verstrekken. JBRA heeft destijds ook daadwerkelijk informatie verstrekt en uit de voogdijbeschikking van 6 oktober 2016 blijkt dat de grootouders bereid waren mee te werken met JBRA bij verstrekking van informatie aan de vader. De vader meent dat, gelet op deze omstandigheden, het recht op informatie jegens de grootouders kan worden ingeroepen, zoals dat ook het geval zou zijn geweest als JBRA voogd van de kinderen was gebleven. Daarbij komt dat de vader ingevolge artikel 1:377a BW wel zijn recht op omgang met de kinderen bij de rechter zou kunnen afdwingen. Het zou dan niet zo mogen zijn dat hij het mindere, zijn informatierecht, niet jegens de grootouders zou kunnen inroepen.

Het hof volgt de vader niet in dit betoog en overweegt daartoe dat uit de Memorie van Toelichting bij artikel 1:377c BW volgt dat onder “derden” in het eerste lid verstaan dienen te worden personen die beroepshalve over informatie over de kinderen beschikken (zoals leerkrachten, schooldecanen, artsen en andere vertrouwenspersonen). Volgens de Memorie van Toelichting impliceert de voorwaarde dat beroepshalve over de informatie moet worden beschikt, dat bijvoorbeeld de grootouders van het kind die wel over belangrijke informatie beschikken niet gehouden zijn deze informatie te verstrekken (Kamerstukken II, 1992/93, 23 012, nr. 3, p. 29 en p. 30). De wetsgeschiedenis leidt dus tot de conclusie dat uit artikel 1:377c, eerste lid BW geen rechtens afdwingbaar informatierecht jegens de grootouders volgt. Evenmin ziet het hof aanleiding om deze bepaling naar analogie toe te passen, omdat de grootouders tevens de voogden en pleegouders van de kinderen zijn. De grootouders hebben in het onderhavige geval de kinderen een thuis geboden omdat hun moeder is overleden en hun vader is gedetineerd. Zij werden onder druk der omstandigheden, naast grootouders, pleegouder en voogd. Ter zitting in hoger beroep is, desgevraagd en onweersproken, verklaard dat zij geen pleegzorgvergoeding ontvangen. De grootouders zijn onder deze omstandigheden niet te beschouwen als derden die beroepshalve over informatie over de kinderen beschikken. De vader kan dus naar het oordeel van het hof niet op grond van artikel 1:377c, eerste lid BW een verzoek tot de rechter richten ter bepaling van een informatieregeling die door de grootouders moet worden nagekomen. Dat JBRA zich tijdens de voorlopige voogdij kennelijk wel gehouden heeft geacht om informatie aan de vader te verstrekken en de grootouders daar geen bezwaar tegen leken te hebben maakt dit niet anders.

De vader heeft niet gesteld dat, door hem een rechtens afdwingbaar informatierecht jegens de grootouders te onthouden, diens grondrechten worden geschonden. In het bijzonder heeft hij zich niet beroepen op schending van zijn recht op family life of private life (artikel 8 EVRM) en het recht op een eerlijk proces, meer bepaald het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM). Van dergelijke schendingen is het hof ook niet gebleken. De vader kan immers nog steeds een verzoek om informatie richten aan de derden die beroepshalve over de informatie over de kinderen beschikken, en een afwijzing van een dergelijk verzoek ter toetsing aan de rechter voorleggen. Gesteld noch gebleken is dat de vader dit heeft gedaan. Dit maakt ook dat een beroep op 1:377a BW de vader niet kan baten: voor het uitoefenen van recht op omgang is steeds de medewerking van de verzorger van een kind noodzakelijk, voor de uitoefening van het recht op informatie als bedoeld in artikel 1:377c BW niet. Een en ander leidt tot de conclusie dat het inleidende verzoek van de vader ten onrechte ontvankelijk is geacht en de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het oordeel van de rechtbank

5.6

Het hof ziet aanleiding om in deze zaak ten overvloede te overwegen dat, al zou de man ontvankelijk zijn in zijn inleidend verzoek, het met de rechtbank en de raad van oordeel is dat een zwaarwegend belang van de kinderen zich thans tegen het vaststellen van een informatieregeling verzet. De kinderen zijn alle drie getraumatiseerd doordat hun moeder om het leven is gebracht terwijl zij ervan overtuigd zijn dat hun vader dit op zijn geweten heeft. Dat de vader nog niet onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld doet daaraan niet af. De kinderen hebben hun leven na het overlijden van de moeder weer kunnen oppakken, maar zij zijn nog kwetsbaar en er was en is ondersteuning nodig door professionele hulpverleners. [kind b] en [kind a] geven uitdrukkelijk aan geen enkele directe of indirecte confrontatie te wensen met de vader. Een reguliere informatieverplichting, uit te voeren door de grootouders die zich daardoor belast zouden voelen, betekent voor hen een indirecte confrontatie en roept herinneringen aan en herbelevingen van het geleden trauma op. Het hof is van oordeel dat hun dit bespaard dient te blijven. Om deze reden én omdat [kind a] , [kind b] en [kind c] samen met de grootouders een gezin vormen is een informatieverplichting die alleen [kind c] zou betreffen evenzeer in strijd met de belangen van de kinderen. Een nader onderzoek door de raad is niet noodzakelijk en bovendien te belastend voor de kinderen die ook daardoor opnieuw geconfronteerd zouden worden met (de gevolgen van) de moord op hun moeder.

Proceskosten

5.7

Gebleken is dat de vader zijn inleidend verzoek heeft gedaan in verband met de overgang van de voogdij van JBRA naar de grootouders en omdat hij op grond van het verhandelde tijdens de voogdijzitting (zie de beschikking van de rechtbank van 6 oktober 2016) meende dat de grootouders geen bezwaar hadden hem te informeren over de kinderen. Het indienen van het verzoek noch het instellen van het hoger beroep tegen de afwijzende beslissing van de rechtbank kan onder deze omstandigheden gezien worden als misbruik van procesrecht. Ook anderszins ziet het hof onvoldoende aanleiding de vader te veroordelen in de aan de zijde van de grootouders gemaakte kosten voor deze procedure en zal het deze kosten compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart het inleidende verzoek van de vader tot vaststelling van een informatieregeling niet-ontvankelijk;

- compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

- wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. A.V.T. de Bie en mr. W.K. van Duren, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 4 december 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.