Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4397

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
23-002976-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002976-17

datum uitspraak: 27 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 augustus 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-860088-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 10 april 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair:
hij op of omstreeks 10 april 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, van cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

-zich naar de luchthaven Schiphol begeven (om de persoon af te halen die voornoemde cocaine bij zich had) en/of

-telefonische contacten te onderhouden met medeverdacht(en) en/of

-de koffer van de persoon die de voornoemde cocaine bij zich had, in de kofferbak van een auto gedaan (in een parkeergarage op Schiphol).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het hof merkt het onderdeel in het subsidiair tenlastegelegde, te weten “en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen” aan als een kennelijke verschrijving en leest dit als “en/of daartoe heeft getracht om zich of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen”. De verdachte wordt door deze lezing van de tenlastelegging niet in zijn verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er kan geen link worden vastgesteld tussen de verdachte en [medeverdachte 1] of tussen de verdachte en [naam 1] . De verdachte heeft verklaard dat hij als snorder op Schiphol aanwezig was en uit dien hoofde [medeverdachte 1] ontmoette en dat hij geen wetenschap had van de cocaïne in de koffer van [medeverdachte 1] . Dit wordt bevestigd door de verklaring die [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. De stelling van het Openbaar Ministerie dat het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] een crimineel nummer betreft, is onvoldoende onderbouwd. Op geen enkele wijze blijkt uit het dossier dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne.

Relevante feiten en omstandigheden

Het hof kan zich grotendeels vinden in de door de rechtbank onder 3.3 vastgestelde relevante feiten en omstandigheden, zodat het deze als volgt deels overneemt:1

Op 10 april 2017 bevinden verbalisanten zich ten behoeve van het uitvoeren van controlewerkzaamheden bij bagageband 19a in de bagagekelder van terminal 3 op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, alwaar de ruimbagage wordt gelost van de vlucht [nummer 1] komende vanuit Paramaribo , Suriname . In een paarse rolkoffer worden plastic zakjes aangetroffen. In een ervan zit een aantal witte brokken, vermoedelijk verdovende middelen.2 Verbalisant [verbalisant 7] heeft omstreeks 14:30 uur de vermoedelijk verdovende middelen vervangen door een viertal zogenaamde neppakketten en vervolgens de rolkoffer weer op slot gedaan.3

De uit de paarse rolkoffer verwijderde pakketten zijn onderzocht. In de koffer werden negen zakken Fernandes Tesa Fesa Cheeseballs aangetroffen. In alle negen zakken bevonden zich telkens drie kokosmelk verpakkingen van het merk Carribean Choice. Verbalisanten zien, voelen en ruiken dat deze verpakkingen zijn ingesmeerd met een vettige substantie, waarvan verbalisant [verbalisant 1] de geur herkent als zijnde pure peper. Na weging blijkt het totale nettogewicht van de aangetroffen stoffen 4.649,4 gram. De aangetroffen stoffen zijn onderworpen aan cocaïnetesten. De uitslagen geven telkens een positieve kleurreactie. Negen monsters van de stoffen zijn vervolgens voor nader onderzoek overgebracht naar het Douane Laboratorium te Amsterdam.4 Het onderzoek door het Douane Laboratorium wijst uit dat de ingezonden monsters cocaïne bevatten.5

Verbalisant [verbalisant 2] plaatst de koffer met neppakketten even na 14.50 uur op bagageband 19, waarna de koffer zich naar boven verplaatst in de richting van de aankomsthal.6 Verbalisant [verbalisant 3] ziet vanuit de CTR dat de later aangehouden medeverdachte [medeverdachte 1] de paarse rolkoffer van de band pakt.7 Deze [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een week voor vertrek naar Nederland op 3 april 2017 in Suriname contact heeft gehad met ene [naam 1] over een transport van verdovende middelen. [naam 1] vertelde [medeverdachte 1] dat de verdovende middelen in een paarse koffer met groen lintje zouden zitten, die hij van de bagageband moest pakken en naar buiten moest meenemen. [naam 1] zou [medeverdachte 1] bij aankomst op Schiphol bellen om te vragen wat voor kleding hij droeg en dan zou [medeverdachte 1] instructies krijgen en afgehaald worden door iemand.8

[medeverdachte 1] was op 10 april in het bezit van een mobiele telefoon van het merk Huawei, met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Hij heeft op de betreffende dag inderdaad telefonisch contact met een persoon die gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 3] , door [medeverdachte 1] aangeduid als [naam 1] . [naam 1] en [medeverdachte 1] hebben sms contact met elkaar bij aankomst van [medeverdachte 1] . Daaruit volgt dat [medeverdachte 1] om 14.05 uur bij de “band” staat. [naam 1] schrijft dat de koffer paars en zwart is met een groen touw en dat hij een slot heeft en dat [medeverdachte 1] het hem moet zeggen als hij gaat lopen.9 Om 14.29 uur wordt [medeverdachte 1] door [naam 1] gebeld, welk gesprek 26 seconden duurt. [medeverdachte 1] bevindt zich op dat moment nog bij de bagageband.10

Op de bewegende camerabeelden, vastgelegd door het Camera Toezicht Ruimte (CTR) van de Koninklijke Marechaussee, is ondertussen te zien dat de verdachte even ervoor om 14:03 uur op een bankje in Plaza Shopping Centre naast medeverdachte [medeverdachte 2] gaat zitten en dat zij elkaar een “boks” geven.11 Hij is kort ervoor met de auto op Schiphol aangekomen, hetgeen volgt uit de klaarblijkelijk bij hem aangetroffen parkeerkaart van 10 april 2017, die als tijdstip van eerste print 13:50 uur vermeldt (en als tijdstip van betaling 15:10 uur).12 De verdachte was in het bezit van, onder meer, een telefoon met nummer [telefoonnummer 5] .13 Medeverdachte [medeverdachte 2] was in het bezit van een telefoon met nummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ).14 Verdachte staat na ongeveer anderhalve minuut op en loopt weg in de richting van Aankomsthal 3. [medeverdachte 2] blijft op het bankje zitten.15

De verdachte wordt één minuut nadat [medeverdachte 1] om 14.29 uur telefonisch instructies van [naam 1] heeft gekregen, om 14:30 uur gebeld door het Nederlandse mobiele nummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ). De telefoon van verdachte straalt op dat moment een zendmast op de luchthaven Schiphol aan. Gebleken is dat de telefoon van de verdachte sinds 3 april 2017 vele malen contact heeft gehad had met [telefoonnummer 1] . Op 9 april (de dag dat [medeverdachte 1] is vertrokken vanuit Suriname ) en 10 april 2017 is er 28 keer contact geweest tussen beide nummers, ofis geprobeerd contact tot stand te brengen;16 op 10 april 9 keer tussen 11.35 uur en 15.08 uur.17

Ook [medeverdachte 2] heeft veelvuldig contact met het nummer [telefoonnummer 1] . Hij heeft sinds 28 maart 2017 contact met dit nummer. Op 9 en 10 april 2017 is er 23 keer contact geweest tussen beide nummers. Tussen verdachte en [medeverdachte 2] heeft op 10 april 2017, de dag van aankomst van [medeverdachte 1] op Schiphol, tussen 11.10 uur en 15.08 uur, 7 keer telefonisch contact plaatsgevonden.18

Verdachte en [medeverdachte 2] beschikken op de dag van aanhouding over exact dezelfde blauwe Nokia telefoons, beide voorzien van een Lebara prepaidcard. Deze telefoons zijn op die dag alleen gebruikt om contact met elkaar en met de persoon met nummer [telefoonnummer 1] te hebben. Naast deze telefoons beschikken zij beiden over nog andere telefoons.19

[medeverdachte 1] bericht via sms om 14.52 uur aan [naam 1] dat hij gaat lopen, klaarblijkelijk met de van de band gehaalde paarse koffer. [medeverdachte 1] plaatst de koffer, zo blijkt uit de observatiebeelden, op zijn bagagekar tussen twee andere koffers in.20 Rond 14.59 uur, nadat hij langs de douane is gegaan, loopt hij naar de Burger King21, naar hij later aan de KMar heeft verklaard omdat [naam 1] hem dat instrueerde en iemand daar naar hem toe zou komen.22 Om 15.02 uur stuurt [medeverdachte 1] een bericht aan [naam 1] “Mie dena burgerking”23, hetgeen in het Nederlands vertaald betekent ‘ik ben bij de Burger King’24 en om 15.03 uur wordt hij door [naam 1] gebeld.25 [naam 1] vraagt dan aan hem wat voor kleding hij draagt. [medeverdachte 1] vertelt dat, waarop [naam 1] zegt dat er iemand aan zal komen.26

Verdachte heeft op zijn beurt, na als gezegd om 14.30 uur door [telefoonnummer 1] te zijn gebeld, vanaf 14.53 uur wederom telefonisch contact met [telefoonnummer 1] voor de duur van ruim 14 minuten.27 Rond 15.04 uur, zo blijkt uit de observatiebeelden, loopt de verdachte in de richting van de Burger King, waarbij hij zijn mobiele telefoon aan zijn oor heeft, en om 15.06 uur begroeten [verdachte] en [medeverdachte 1] elkaar met een handdruk28 en een omhelzing.29 [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er een donkere jongen naar hem toe kwam, die hem een hand en omhelzing gaf en die vertelde welke richting zij op moesten lopen.30

Gezamenlijk lopen de mannen in de richting van de parkeerbetaalautomaten op de Walkway. Op het moment dat verdachte bij de betaalautomaat staat (de voornoemde parkeerkaart zoals klaarblijkelijk aangetroffen bij de verdachte vermeldt als tijdstip van betaling 15:10 uur), maakt [medeverdachte 2] verbaal contact met hem. [medeverdachte 2] bevindt zich naast verdachte, eveneens ter hoogte van de betaalautomaten. De drie personen lopen vervolgens in de richting van de parkeergarage P1. [medeverdachte 1] loopt voorop met zijn bagagekar met hierop de bagage. [medeverdachte 2] en verdachte lopen naast elkaar op korte afstand achter [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] neemt de derde uitgang, richting sectie “Schaatsen”. De verdachte en [medeverdachte 1] nemen de vierde uitgang, richting sectie “Meeuw”.31 Ddaar wordt door [verdachte] de kofferbak geopend van een zwarte Volkswagen Passat en wordt de paarskleurige rolkoffer door [medeverdachte 1] in de kofferbak geplaatst.32 [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte worden om 15.15 uur aangehouden.33

Conclusies

Op grond van hiervoor genoemde feiten en omstandigheden overweegt het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte degene was die [medeverdachte 1] met diens koffer met inhoud zou afhalen en dat hij wist dat [medeverdachte 1] verdovende middelen in zijn koffer bij zich zou hebben. Het scenario van de verdachte dat hij op Schiphol als snorder aanwezig was, wordt gelet op de ontbrekende onderbouwing ervan en gezien het gedrag van de verdachte en de duur van diens verblijf op Schiphol als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

De verdachte heeft, hoewel dat in het licht van het vorenstaande op zijn weg lag, voorts geen (aannemelijke) verklaring afgelegd over het nummer [telefoonnummer 1] en de contacten daarmee, hetgeen het hof betrekt bij het als vaststaand aannemen dat die contacten verband hielden met het afhalen van medeverdachte [medeverdachte 1] en de met hem meegevoerde verdovende middelen.

Anders dan de raadsman gaat het hof tot slot niet uit van de verklaring die [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft afgelegd. Deze verklaring, inhoudende dat [medeverdachte 1] zou worden opgehaald door een hindoestaanse man, dat hij 15 tot 20 minuten op die man heeft gewacht en dat hij vervolgens met de verdachte als kennelijke snorder is meegegaan zonder met [naam 1] af te stemmen dat hij niet meer op de afhaler zou wachten, wordt als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven, vooral omdat deze verklaring niet strookt met de camerabeelden en tijdstippen en evenmin met [medeverdachte 1] ’s verklaringen als verdachte, direct na zijn arrestatie.

Naar het oordeel van het hof, en anders dan de advocaat-generaal als standpunt heeft ingenomen, bevat het dossier onvoldoende bewijs dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte – zij het voorafgaand aan, zij het na de inbeslagname van de cocaïne - van voldoende gewicht was om te kunnen spreken van medeplegen van invoer (al dan niet als bedoeld in art. 1 onder 4 Ow), zodat hij wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Wel acht het hof bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht ten aanzien van de invoer van cocaïne als bedoeld in artikel 1 onder 4 Ow en van het vervoer daarvan door naar Schiphol te gaan, medeverdachte [medeverdachte 1] af te halen en daartoe telefonische contacten te onderhouden met medeverdachte [medeverdachte 2] en de anoniem gebleven gebruiker van [telefoonnummer 1] , en door samen met [medeverdachte 1] de koffer in de kofferbak te doen door die kofferbak open te maken. Hierbij heeft hij tevens nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachte [medeverdachte 2] en de onbekend gebleven gebruiker van [telefoonnummer 1] .

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
hij op 10 april 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en het binnen het grondgebied van Nederland brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, van een materiaal bevattende cocaïne, te bevorderen, daartoe zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of verdachtes mededaders,

-zich naar de luchthaven Schiphol begeven om de persoon af te halen die voornoemde cocaïne bij zich had en

-telefonische contacten te onderhouden met medeverdachten en/of

-de koffer van de persoon die de voornoemde cocaïne bij zich had, in de kofferbak van een auto gedaan (in een parkeergarage op Schiphol);.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van het zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft – bij een eventuele bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde – bepleit de verdachte te veroordelen tot hooguit dezelfde straf als aan de medeverdachte [medeverdachte 2] is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van het invoeren en verder vervoeren van 4.649 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Gelet op deze hoeveelheid was de cocaïne bestemd voor de handel. De verspreiding van en handel in harddrugs en als afgeleide het gebruik ervan betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving met zich mee en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2018 is hij reeds herhaaldelijk onherroepelijk veroordeeld voor het invoeren van verdovende middelen, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Vanwege de herhaaldelijke recidive en de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, zou het hof de straf die de rechtbank heeft opgelegd voor het primair ten laste gelegde, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, gerechtvaardigd hebben geacht. Gelet evenwel op het aanzienlijk lagere strafmaximum dat op het subsidiair ten laste gelegde staat, te weten de helft, zal het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf halveren.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 21 maanden passend en geboden.

Beslissingen omtrent beslag

Het bewezen verklaarde is begaan met behulp van een onder de verdachte in beslag genomen en aan hem toebehorende blauwe Nokia telefoon (goednummer PL2700-17-030494-16). De verdachte heeft met dit toestel contact onderhouden met het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] . Daarom zal dit toestel, als zijnde daarvoor vatbaar, verbeurd worden verklaard. De overige in beslag genomen goederen zullen aan de verdachte worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- Mobiele telefoon (blauw), merk Nokia (goednummer PL2700-17-030494-16).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Memorystick (grijs) (goednummer PL2700-17-030494-5)

- Mobiele telefoon (wit), merk Samsung (goednummer PL2700-17-030494-6)

- Mobiele telefoon (zwart), merk Samsung (goednummer PL2700-17-030494-7)

- Geheugenkaart, merk Sandisk (goednummer PL2700-17-030494-15)

- Mobiele telefoon (zwart), merk Nokia (goednummer PL2700-17-030494-17)

- Mobiele telefoon (wit), merk Apple (goednummer PL2700-17-030494-18)

- Bankbiljetten 28 x € 50 (goednummer PL2700-17-030494-8)

- Bankbiljetten 2 x € 10 (goednummer PL2700-17-030494-10)

- Bankbiljetten 7 x € 5 (goednummer PL2700-17-030494-12.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van

mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 november 2018.

1 De door het hof in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal door verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 10 april 2017 (dossierpagina’s 152 en 153).

3 Het proces-verbaal van bevinding door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 2] d.d. 10 april 2017 (dossierpagina 154).

4 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 161 t/m 165) met fotobijlagen op dossierpagina’s 166 t/m 181.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam met kenmerk A065.7.030487 en laboratoriumnummer 4402 X 17 d.d. 19 april 2017 (los).

6 Het proces-verbaal van bevinding door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 2] d.d. 10 april 2017 (dossierpagina 154).

7 Het proces-verbaal van bevindingen omtrent observatie d.d. 11 april 2017 (dossierpagina 158).

8 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 39 en 40).

9 Het proces-verbaal van analyse gsm-telefoons d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina’s 194 tot en met 196).

10 Het proces-verbaal van analyse verkeersgegevens d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina 213).

11 Het proces-verbaal analyse camerabeelden d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 184 en 185).

12 Bijlage bij het proces-verbaal d.d. 10 april 2017 (dossierpagina 100).

13 Het proces-verbaal van analyse gsm-telefoon d.d. 30 mei 2017 (dossierpagina 197).

14 Het proces-verbaal van bevindingen omtrent achterhalen telefoonnummers d.d. 22 mei 2017 (dossierpagina 193).

15 Het proces-verbaal analyse camerabeelden d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 184 en 185).

16 Het proces-verbaal van analyse verkeersgegevens d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina 215).

17 Het proces-verbaal van analyse gsm-telefoon d.d. 30 mei 2017 (dossierpagina’s 198).

18 Het proces-verbaal van analyse verkeersgegevens d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina 216).

19 Het proces-verbaal van analyse verkeersgegevens d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina 218).

20 Het proces-verbaal van bevindingen omtrent observatie d.d. 11 april 2017 (dossierpagina 158).

21 Het proces-verbaal analyse camerabeelden d.d. 11 april 2017 (dossierpagina 185).

22 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 39 en 40).

23 Het proces-verbaal van analyse gsm-telefoon d.d. 11 april 2017 (dossierpagina 206).

24 Het proces-verbaal van analyse verkeersgegevens d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina 213).

25 Het proces-verbaal van analyse gsm-telefoons d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina 195).

26 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 39 en 40).

27 Het proces-verbaal van analyse verkeersgegevens d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina 215).

28 Het proces-verbaal analyse camerabeelden d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 186 en 188).

29 Het proces-verbaal van analyse verkeersgegevens d.d. 10 juni 2017 (dossierpagina 217).

30 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 39 en 40).

31 Het proces-verbaal van bevindingen omtrent observatie d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 158 en 159).

32 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d. 11 april 2017 (dossierpagina 41).

33 Het proces-verbaal van bevindingen omtrent observatie d.d. 11 april 2017 (dossierpagina’s 158 en 159).