Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4358

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
23-001519-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtredingen wegenverkeerswet; tullen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001519-18

datum uitspraak: 27 november 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 januari 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 96-208260-17 en 23-001034-16 (TUL), 96-137098-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te distrikt [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

huidig BRP adres: Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 november 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 21 oktober 2017 te Hoorn als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 570 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2:
hij op of omstreeks 21 oktober 2017 te Hoorn terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, Van Dedemstraat, een motorrijtuig, (bedrijfsauto), heeft bestuurd;

3:
hij op of omstreeks 21 oktober 2017 te Hoorn terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Van Dedemstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 21 oktober 2017 te Hoorn als bestuurder van een bedrijfsauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2:
hij op 21 oktober 2017 te Hoorn terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, Van Dedemstraat, een motorrijtuig (bedrijfsauto), heeft bestuurd;

3:
hij op 21 oktober 2017 te Hoorn terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Van Dedemstraat, als bestuurder een motorrijtuig (bedrijfsauto), van die categorie heeft bestuurd.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken en ten aanzien van feit 1 tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan mede gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft deelgenomen aan het verkeer terwijl hij onder invloed was van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol. Hierdoor heeft hij niet alleen zijn eigen veiligheid, maar bovenal die van andere weggebruikers in gevaar gebracht en zich voorts niet gedragen overeenkomstig zijn verantwoordelijkheid als bestuurder van een bedrijfsauto.

Bovendien reed hij in dit motorvoertuig terwijl hem daartoe de bevoegdheid bij rechterlijke uitspraak was ontzegd. Door zo te handelen heeft hij laten merken zich niets aan te trekken van deze uitspraak. Ook heeft hij er, door toch te gaan rijden, blijk van gegeven zich niets gelegen gelaten aan de beslissing van het bevoegde gezag om zijn rijbewijs met het oog op de verkeersveiligheid ongeldig te verklaren.

In het nadeel van de verdachte weegt voorts dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2018 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor misdrijven, waaronder (soortgelijke) misdrijven krachtens de Wegenverkeerswet 1994.

Gelet op het voorgaande kan niet worden volstaan met een andere, lagere, straf dan een (vrijheidsbenemende) gevangenisstraf van substantiële duur.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat in hetgeen zijdens de raadsman is aangevoerd onvoldoende zwaarwegend is om te volstaan met een lagere straf dan de hieronder bedoelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 23-001034-16)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 september 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof ziet, evenals de politierechter, aanleiding om dat slechts voor een gedeelte van die straf, te weten één week, te doen.

Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 96-137098-15)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 september 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof acht termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, nu het hof niet met voldoende zekerheid kan vaststellen of de proeftijd ten tijde van de bewezenverklaarde feiten nog liep.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ter zake van de feiten 1, 2 en 3

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Ter zake van feit 1

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 september 2017, parketnummer 23-001034-16, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 7 november 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 september 2015, parketnummer 96-137098-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. V. Mul en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van I.J.A. Barends, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2018.

[…]