Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4350

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
23-003365-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis; aanvulling bewijsmiddelen; verdenking art. 27 Sv; valse identiteitskaart

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003365-17

datum uitspraak: 16 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-126300-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2018 en 2 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Nederlands identiteitskaart (met documentnummer [nummer 1]), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit vonnis bevestigen met dien verstande dat het hof de gronden aanvult en verbetert, bewijsmiddel 4 terzijde stelt en de navolgende bewijsmiddelen toevoegt. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Aanvulling bewijsmiddelen

4:

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017144566-8 van 9 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerd pagina 3).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 8 juli 2017 omstreeks 20:05 uur bevond ik, verbalisant, mij in burger gekleed en met speciale opdracht belast, op de openbare weg Arena Boulevard ter hoogte van perceelnummer [nummer 2]. Aldaar werd ik door een voor mij onbekende manspersoon aangesproken.

(…)

Ik hoorde de manspersoon het volgende tegen mij zeggen: “Ik heb kaarten voor het feest “Sensation”. Wil jij kaarten van mij kopen? Ik heb vier (4) kaarten.”

(…)

Ik, verbalisant, zag de manspersoon weglopen in de richting van het Bijlmer Arena Station. Ik gaf mijn bevindingen door aan overige collega’s die de manspersoon volgde tot aan het winkelcentrum Amsterdamse Poort.

(…)

5:

De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van 2 november 2018:

Op pagina 28 van het procesdossier is een foto afgedrukt van het valse identiteitsbewijs. Het hof neemt waar dat het gezicht van de verdachte zoals ter terechtzitting verschenen en het gezicht van de persoon afgebeeld op het identiteitsbewijs op pagina 28 van het procesdossier opgenomen, in grote mate overeenkomen.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Het vonnis kan geen stand houden nu de politierechter ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat de politieambtenaren gebruik maakten van de bevoegdheid neergelegd in artikel 8 Politiewet. Immers, de verdachte is blijkens de processen-verbaal van de politie feitelijk staande gehouden op de verdenking dat hij handelde in valse kaarten. De vraag die volgens de verdediging aan de orde is, is of dit staande houden op grond van artikel 52 Sv rechtmatig is geschied. De verdediging is van mening dat dit niet het geval is. De staande houding van de verdachte en de daaropvolgende vordering om zijn identiteitsbewijs te tonen, zijn onrechtmatig geweest, omdat voorafgaand daaraan geen redelijk vermoeden van schuld bestond, zoals artikel 52 Sv vereist. Als gevolg hiervan zou sprake zijn van een onherstelbaar vormverzuim waardoor de verdachte nadeel heeft ondervonden in zijn bewegingsvrijheid en zijn privacy. Ingevolge artikel 359a Sv moet tot bewijsuitsluiting worden gekomen van de processen-verbaal die zien op het aantreffen van en het onderzoek naar de identiteitskaart. Dientengevolge is er onvoldoende bewijs voor een veroordeling en dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de politieambtenaren rechtmatig hebben gehandeld op grond van artikel 8 Politiewet. De advocaat-generaal heeft hiertoe aangevoerd dat de politie op grond van dat artikel de bevoegdheid heeft inzage in een identiteitsbewijs te vorderen voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak. Die taak bestaat, volgens artikel 3 van die wet, uit de strafrechtelijke rechtshandhaving, de handhaving van de openbare orde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. De vraag of sprake is van een verstoring van de openbare orde moet worden beantwoord in het licht van het normale spraakgebruik met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval. De advocaat-generaal is van mening dat sprake was van een verstoring van de openbare orde, reeds omdat het evenement Sensation White, met de grote groepen feestgangers in de openbare ruimte die daarmee gepaard gaan, buiten de normale gang van zaken ter plaatse valt. De politie is derhalve met het oog op de ordehandhaving opgetreden, waardoor het vorderen van de identiteitskaart rechtmatig is geweest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

|Oordeel van het hof

Het hof deelt de visie van het openbaar ministerie niet. Blijkens de wetsgeschiedenis rond de invoering van de Wet op de identificatieplicht en gelet op de ambtsinstructie omtrent de uitvoering daarvan1 levert het enkel plaatsvinden van een grootschalig evenement niet reeds een ordeverstoring op en schept dat plaatsvinden op zichzelf niet de bevoegdheid tot het vorderen van (inzage in) een identiteitsbewijs. Daartoe is/zijn tevens vereist ‘rellen of (dreigende) escalatie’ dan wel ‘onrust of dreigend geweld’ of ‘gevaar voor ordeverstoring’. Van geen van die bijkomende (dreigende) omstandigheden was blijkens het dossier sprake.

Uit de opgemaakte processen-verbaal van de verbalisanten blijkt dat de verdachte aan verbalisant [verbalisant 1] (in burger gekleed) kaartjes voor het aanstaande evenement te koop aanbood; dat deze verbalisant na portofonisch overleg van collega’s te horen kreeg dat er voor populaire evenementen als Sensation White regelmatig valse kaartjes te koop worden aangeboden en dat vervolgens de verdenking is opgevat dat daar in het geval van de verdachte wel eens sprake van kon zijn. Daarna hebben verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] de verdachte, die zich inmiddels van het voorterrein van de ArenA had verwijderd in de richting van het winkelgebied ‘Amsterdamse Poort’, staande gehouden.

Het hof is van oordeel dat de politieambtenaren aldus mochten uitgaan van een verdenking als bedoeld in artikel 27 Sv en in het verlengde daarvan hebben gehandeld op grond van de bevoegdheid neergelegd in artikel 52 Sv. Gelet op het voorgaande wordt het door de raadsman gevoerde verweer, strekkende tot bewijsuitsluiting, verworpen.

Verder is nog vrijspraak bepleit, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het een vals identiteitsbewijs betrof. Ook dit verweer wordt verworpen. Nu alle in het identiteitsbewijs voorkomende persoonsgegevens een zeer grote – en in het geval van de foto zelfs een buitengewoon grote – overeenkomst vertonen met die van de verdachte, zodat het er zonder meer voor door zou kunnen gaan dat het de verdachte betreffende gegevens zijn, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte van de valsheid op de hoogte was. Zijn bewering dat hij dit identiteitsbewijs heeft gevonden, wordt – gelet op het hiervoor overwogene – als volstrekt onaannemelijk terzijde geschoven.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. V. Mul en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van I.J.A. Barends, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 november 2018.

Mr. A.E. Kleene-Krom en mr. V. Mul zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]

1 Instructie Identificatieplicht, Stcrt. 2016 nr 70055