Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4341

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
17/00303
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:3234, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ. Pas tijdens de hogerberoepsfase komt de heffingsambtenaar volledig aan de grieven van belanghebbende tegemoet. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De heffingsambtenaar wordt wel veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en moet het griffierecht aan hem vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-07-2019
FutD 2019-2054
NTFR 2019/2156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00303

13 november 2018

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[naam 1] wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 16/4735 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) met dagtekening 29 februari 2016 de waarde van de onroerende zaak [object 1] te [plaats] per waardepeildatum 1 januari 2015 (hierna: de WOZ-waarde) voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op € 19.000. In hetzelfde geschrift zijn de WOZ-beschikkingen van de onroerende zaken [object 2] , [object 3] en [object 4] te [plaats] en de aanslagen onroerendezaakbelastingen 2016 (hierna: OZB) met betrekking tot deze onroerende zaken bekendgemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het hiertegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 26 augustus 2016, gedeeltelijk gegrond verklaard. De waarde van de onroerende zaak [object 1] is hierbij gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft in haar uitspraak het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 juni 2017. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 24 augustus 2017 is een nader stuk van belanghebbende bij het Hof ingekomen. Een afschrift hiervan is aan de heffingsambtenaar gezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017. Ter zitting zijn verschenen belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van [naam 2] , en - namens de heffingsambtenaar - mr. P.A. Schrijver. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“1. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak [object 1] , zijnde een perceel grond met een oppervlakte van 504m² (hierna: het perceel).”

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit. Het Hof voegt hieraan nog de volgende feiten toe.

2.3.

Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift het volgende aangevoerd:

“Ik maak bezwaar tegen de aanslag [aanslagnummer]

[Het perceel] is openbaar groen en er wordt geen bouwvergunning verleend (…). Voor de fotos Zal ik op uw zitting ter inzagen leggen”

2.4.1.

In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar – voor zover hier van belang – het volgende medegedeeld:

“[Naar] aanleiding van het hoger beroepschrift heb ik de heer (…), taxateur onroerende zaken, (…) opdracht gegeven de vastgestelde waarde van [het perceel] nogmaals op juistheid te toetsen. Naar aanleiding van deze toetsing is gebleken dat [het perceel], (…) gelegen op een dijk, vrijgesteld dient te worden aangezien de grond in de Waterstaatswerkzone ligt (…). In dit verband verwijs ik u naar het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2016, nr. 15.00518, [ECLI:NL:HR:2016:364] (…). Gezien het bovenstaande dienen de waardebeschikking en de aanslag OZB (…) 2016 voor [het perceel] te worden vernietigd (…).”

2.4.2.

Als bijlage 2 bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een afschrift gevoegd van beschikkingen, gedagtekend 14 augustus 2017, waarbij de WOZ-beschikking en de aanslag OZB 2016 ter zake van het perceel zijn verminderd tot nihil.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank zijn in hoger beroep in geschil de voor het perceel vastgestelde WOZ-beschikking en aanslag OZB voor het jaar 2016.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen en beslist:

“(…)

12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de waarde van het perceel niet te hoog is vastgesteld.

13. Eiser heeft ter zitting voorts naar voren gebracht dat een deel van het perceel is gelegen op een dijk die in onderhoud is bij het Waterschap. Kennelijk bedoelt eiser zich hiermee te beroepen op het bepaalde in artikel 2, lid 1, letter f, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling) en het arrest HR 4 maart 2016, nr. 15/00518, ECLI:NL:HR:2016:364. In dit arrest is – kort gezegd – geoordeeld dat “indien een onderdeel van een onroerende zaak behoort tot een waterverdedigingswerk als bedoeld in voormeld artikel 2, lid 1, letter f, de aan dat onderdeel toe te rekenen waarde buiten beschouwing moet worden gelaten, dit met uitzondering van de tot dat verdedigingswerk behorende delen van de onroerende zaak die dienen als woning.” Verweerder heeft deze stelling van eiser weersproken en aangegeven zich op dit punt niet te hebben voorbereid nu dit eerst ter zitting aan de orde is gebracht. Gelet op de deze weerspreking lag het op de weg van eiser zijn stelling nader te onderbouwen en nader te onderbouwen of en in hoeverre het perceel behoort tot een verdedigingswerk als in genoemd arrest. Zonder nadere onderbouwing ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding gevolgen te verbinden aan de door eiser ingenomen stelling.

14. Ter zitting heeft eiser zich nog op het standpunt gesteld dat het beroep ook is gericht tegen de WOZ-beschikkingen van de onroerende zaken [object 2] en [object 3] te [plaats] . Eiser heeft ter zitting aangeboden taxatierapporten van deze onroerende zaken in te brengen en gesteld dat de waarde van deze onroerende zaken te hoog is vastgesteld. De rechtbank heeft ter zitting aangegeven deze stellingen tardief te verklaren en genoemde stukken niet in ontvangst genomen. Mede het belang van de wederpartij in ogenschouw nemende en gelet op het belang van de voortgang van de procedure is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het in strijd is met de goede procesorde om deze stellingen alsnog in behandeling te nemen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder heeft aangegeven niet in staat te zijn hierop te reageren en de stellingen zien op WOZ-beschikkingen die in beroep niet eerder aan de orde zijn gesteld, zodat deze een nieuw onderzoek van feitelijke aard zouden vergen. Het beroepschrift gaat alleen in op de waarde van het perceel [object 1] naast en niet op de andere onroerende zaken die staan vermeld op het aanslagbiljet. Uit het beroepschrift is ook niet af te leiden dat eiser het niet eens is met de WOZ-waarde van [object 2] en [object 3] te [plaats] . De enkele vermelding in het beroepschrift dat ter zitting foto’s zullen worden overgelegd, maakt dat niet anders. In dit verband is ook meegewogen dat eiser geen plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij in beroep niet eerder te kennen heeft gegeven het niet eens te zijn met de WOZ-waarde van [object 2] en [object 3] te [plaats] . De stukken dienaangaande zijn dan ook niet in ontvangst genomen en teruggeven aan eiser.

15. Het voorgaande voert tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar medegedeeld (zie 2.4.1) dat uit nader onderzoek is gebleken dat de voor het perceel vastgestelde WOZ-beschikking en aanslag OZB voor het jaar 2016 dienen te worden vernietigd. Uit een bij het verweerschrift in hoger beroep gevoegde bijlage (zie 2.4.2) blijkt dat de WOZ-beschikking en de aanslag bij ambtshalve genomen beschikkingen van 14 augustus 2017 tot nihil zijn verminderd. Tevens heeft de heffingsambtenaar zich bereid verklaard aan belanghebbende een proceskostenvergoeding te betalen op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden in verband met de bij de rechtbank gevoerde procedure over het jaar 2016. Dit betekent dat de heffingsambtenaar tijdens de procedure in hoger beroep geheel aan belanghebbendes klachten tegemoet is gekomen, zodat het hoger beroep niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden.

5.2.

In een dergelijk geval is niet langer sprake van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan en dient het hoger beroep in zoverre wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk te worden verklaard (zie HR 3 december 2010, nr. 09/04397, ECLI:NL:HR: 2010:BO5988, BNB 2011/69 en HR 15 januari 2016, nr. 15/00460, ECLI:NL:HR: 2016:43, BNB 2016/58). Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

5.3.

In hoger beroep heeft belanghebbende voorts nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep uitsluitend betrekking heeft op het perceel en niet op de onroerende zaken [object 2] en [object 3] te [plaats] . Het Hof verwerpt deze grief van belanghebbende. Gelet op de bewoordingen van het beroepschrift (zie 2.3) heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep uitsluitend is ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot het perceel; het Hof onderschrijft hetgeen de rechtbank in onderdeel 14 van haar uitspraak omtrent de omvang van het geschil in beroep heeft overwogen. Dit betekent dat de onderhavige procedure geen betrekking heeft op de vastgestelde WOZ-waarde van de onroerende zaken [object 2] en [object 3] te [plaats] .

Slotsom

5.4.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de heffingsambtenaar toegezegd het door belanghebbende in eerste aanleg betaalde griffierecht (€ 46) te vergoeden, alsmede de door belanghebbende in die fase gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb die voor vergoeding in aanmerking komen, te weten de reiskosten (per openbaar vervoer tweede klasse) voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank (€ 10,70).

6 Kosten

Aangezien de heffingsambtenaar eerst tijdens de procedure in hoger beroep volledig tegemoet is gekomen aan de grieven van belanghebbende, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep, als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Voor vergoeding komen op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking de door belanghebbende gemaakte reiskosten (per openbaar vervoer tweede klasse) voor het bijwonen van de zitting van het Hof, door het Hof bepaald op € 8,80. Overige op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet aannemelijk geworden. Het Hof tekent hierbij aan dat in de onderhavige zaak uitsluitend proceskosten in verband met de voor het jaar 2016 gevoerde procedure voor vergoeding in aanmerking komen, en niet proceskosten die belanghebbende stelt te hebben gemaakt in verband met gerechtelijke procedures over eerdere jaren.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 8,80; en

  • -

    gelast de heffingsambtenaar het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 aan hem te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, A. Bijlsma en C.J. Hummel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 13 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.