Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4325

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
200.202.208/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen schending zorgplicht hypotheekadviseur.

Beroepsaansprakelijkheid notaris, wilsbekwaamheid, geen grond voor weigeren ministerie, artikel 21 lid 2 Wna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/42
NTHR 2019, afl. 1, p. 23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.202.208/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/594100 / HA ZA 15-852

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 november 2018

inzake

[bewindvoerder] ,

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in het meerderjarigenbewind van [X]

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. P.M. Leerink te Deventer,

tegen

1 SHOP 585 B.V.

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

2 [geïntimeerde] ,

kantoorhoudend te [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. E.A.L. van Emden te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk de bewindvoerder, de hypotheekshop en de notaris genoemd.

De bewindvoerder is bij dagvaarding van 12 oktober 2016, hersteld bij exploot van 21 oktober 2016 en opnieuw hersteld bij exploot van 25 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de bewindvoerder als eiser en de hypotheekshop en de notaris als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord met producties van de notaris;

- memorie van antwoord met producties van de hypotheekshop.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 11 december 2017 doen bepleiten, de bewindvoerder door mr. Leerink voornoemd, de hypotheekshop door mr. O.B. Zwijnenberg, advocaat te Rotterdam, en de notaris door mr. van Emden voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De bewindvoerder heeft nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De bewindvoerder heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van de bewindvoerder in eerste aanleg zal toewijzen met veroordeling van de hypotheekshop en de notaris in de kosten van het geding in beide instanties.

De notaris heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.

De hypotheekshop heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld . Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en neemt het hof eveneens als vaststaand aan.

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Mevrouw [X] (hierna: [X] ) is geboren [in] 1921. [X] lijdt aan dementie en bij beschikking van 5 november 2012 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [X] , in verband met haar geestelijke toestand, onder bewind van de bewindvoerder gesteld.

2.2

De heer [A] (hierna: [A] ) was de huisgenoot van [X] . De heer [B] (hierna: [B] ) was de buurman van [X] .

2.3

In een offerte van Obvion Hypotheken van 22 maart 2011, gericht aan [X] , staat:

“U hebt met behulp van De Hypotheekshop Amstelveenseweg Amsterdam [de hypotheekshop, hof] bij Obvion de hypotheek gevonden die goed aansluit bij uw huidige situatie en specifieke wensen. […]

Bedrag van de lening volgens bijgevoegde specificatie EUR 200.000,00

[…]

2c. Zekerheden

Recht van 1e hypotheek tot een bedrag van EUR 300.000,00

[…]

Acceptatieverklaring

De ondergetekende [ [X] ]

[…]

- wenst […] notaris [handgeschreven:] Buma Algera Notariaat

te Amsterdam te belasten met het passeren van de hypotheekakte voor het vestigen van een 1e hypotheek ad EUR 300.000,00.

[…]”

De acceptatieverklaring en het kostenoverzicht zijn door [X] getekend.

2.4

[X] is op 31 maart 2011 op het kantoor van de notaris verschenen. Zij heeft met de notaris gesproken in het bijzijn van kandidaat-notaris mr. Batenburg. Toen bleek dat de akte die dag niet verleden kon worden, heeft [X] een volmacht ondertekend gericht aan iedere medewerker van Buma Algera notariaat voor het verlijden van een akte van geldlening met hypotheekstelling en verpanding.

2.5

De door de notaris in het geding gebrachte gespreksnotitie luidt als volgt:

“31/3 – 15:40 uur – notitie n.a.v. passeren hyp. volmacht mw [X] .

Ondanks hoge leeftijd maakte cliënte heldere indruk en beantwoordde de vragen over haar geboorteplaats en –datum onmiddellijk en correct; dat gold ook voor de naam en geboortedatum van haar (overleden) echtgenoot. Reden van not. volmacht + hypotheekvestiging is besproken; mw vertelde dat zij samen met buurman verbouwing zou gaan uitvoeren en daar was geld voor nodig.”

2.6

Op 9 juni 2011 is de notariële akte met daarin onder meer de hypotheekstelling van de woning van [X] verleden. Na het passeren van de akte heeft de notaris het bedrag van de lening overgemaakt op een bankrekening die op naam van [X] en/of [A] stond.

2.7

Na de onderbewindstelling (zie onder 2.1) zijn bij brief van 25 juli 2013 de hypotheekshop en bij brief van 17 juli 2015 de notaris aansprakelijk gesteld.

2.8

Op 16 september 2013 is de woning van [X] verkocht. De lening van Obvion is daarbij afgelost en de hypothecaire inschrijving is geroyeerd.

2.9

Bij dagvaarding van 12 augustus 2013 heeft de bewindvoerder [A] gedagvaard. In die procedure stelde de bewindvoerder dat [A] in de periode van 11 juli 2011 tot en met 30 december 2011 bedragen van in totaal € 150.646,46 en € 35.000,00 heeft overgeboekt en opgenomen van bankrekeningen van [X] , zonder dat [A] daarvoor toestemming had. Bij vonnis van 20 augustus 2014 zijn de vorderingen van de bewindvoerder jegens [A] toegewezen. [A] had in die procedure geen verweer gevoerd. [A] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank.

2.10

De bewindvoerder heeft in deze procedure een gedeelte van het medisch dossier van [X] overgelegd. In een verslag van 12 juni 2008 van de polikliniek geriatrie staat:

“Patiënte zegt geen last te hebben van geheugenstoornissen.

Heteroanamnese (kennis): sinds ± 3/4 jaar is er sprake van geleidelijk toenemende geheugenstoornissen […]

Intoxicaties: patiënte […] gebruikt 5-6E whisky per dag. […]

Psychiatrisch onderzoek: verongelijkte presentatie, oninvoelbaar lachend. Aandacht goed te trekken en te behouden, goede oriëntatiefuncties.

Inprenting gestoord. Het denken is coherent, doch arm aan inhoud. De stemming is normofoor met een vlak affect. Gering decorumverlies, na enige tijd mild delirant gedrag. […]

Neuropsychologisch onderzoek:

Forse stoornissen van het cognitieve tempo, executieve functies en het geheugen. Voorts is er sprake van woordvindproblemen, concentratie en visueel constructieve stoornissen.

Conclusie:

Bij patiënte is sprake van een vergevorderde dementie […] Het cognitief functioneren wordt waarschijnlijk in negatieve zin beïnvloed door het forse alcoholgebruik.”

2.11

De huisarts schreef over een huisbezoek op 24 november 2010:

“Mevr drinkt niet meer [A] , hof] he[e]ft alcoho[l] wijn vervangen door wijn zonder alcohol mevr heeft dat niet in te gaten. Gaat wel achteruit geheugen wordt minder en gesprekken moeilijker”

en op 30 augustus 2011:

“mw is verder in haar dementie. denkt dat iedereen steelt en alles meeneemt. Ze heeft nog wel een sterke eigen wil […]. mw drinkt nog steeds veel wijn maar zonder alcohol. […]

er is een lening aangegaan en daar mee wordt het huis en de tuin opgeknapt mw begrijpt dat allemaal niet is wel blij met resultaat.”

3 Beoordeling

3.1

De hypotheekshop en de notaris hebben betoogd dat de bewindvoerder niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat het herstelexploot van 25 oktober 2016 niet kwalificeert als een herstelexploot. Immers, met dit herstelexploot wordt een fout in het herstelexploot van 21 oktober 2016 hersteld, die erin bestaat dat verwezen wordt naar een onjuiste datum van het eerste exploot. Dat is niet een fout die met nietigheid wordt bedreigd.

Volgens de bewindvoerder is wel degelijk sprake van een herstel van een gebrek. De hypotheekshop en de notaris zijn bovendien in geen enkel belang geschaad. Daarbij komt dat het hof tegen geïntimeerden aanvankelijk verstek heeft verleend op 8 november 2016. Kennelijk is het herstelexploot van 25 oktober 2016 derhalve rechtsgeldig geoordeeld, aldus de bewindvoerder.

3.2

Het hof dient ambtshalve te beoordelen of tijdig beroep is ingesteld en of het exploot van 25 oktober 2016 rechtsgeldig is. Daartoe overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat bij dagvaarding van 12 oktober 2016 hoger beroep is ingesteld, waarbij de hypotheekshop en de notaris zijn opgeroepen tegen een onjuiste datum, zijnde 31 oktober 2016. Gepoogd is dit gebrek te herstellen bij exploot van 21 oktober 2016, waarbij de datum van 1 november 2016 is aangezegd, maar waarin de datum van de oorspronkelijke dagvaarding onjuist is vermeld. Dit exploot van 21 oktober 2016 is nimmer ingeschreven, zodat daaraan geen werking toekomt.

Bij exploot van 25 oktober 2016 wordt (onder meer) een afschrift van het exploot van 12 oktober 2016 gevoegd en wordt kenbaar gemaakt dat de hypotheekshop en de notaris thans worden opgeroepen voor de roldatum van 8 november 2016. Dit is gebeurd vóór de oorspronkelijk aangezegde datum van 31 oktober 2016. Laatstgenoemd exploot is ingeschreven en is terecht als rechtsgeldig aangemerkt. Het hof ziet in het door de hypotheekshop en de notaris aangevoerde geen aanleiding op deze beslissing terug te komen.

3.3

De bewindvoerder heeft in deze procedure gevorderd dat de hypotheekshop en de notaris hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 383.324,- vermeerderd met rente en proceskosten. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en de bewindvoerder in de proceskosten met nakosten en rente veroordeeld. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de bewindvoerder met vier grieven op.

3.4

De grieven 1 tot en met 3 gezamenlijk zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de hypotheekshop en de notaris niet tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen, respectievelijk niet onrechtmatig hebben gehandeld, dat er onvoldoende causaal verband bestaat met de schade en dat de klachtplicht is geschonden. Grief 4 ziet op een overweging ten overvloede met betrekking tot de hoogte van de schade. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Ten aanzien van de hypotheekshop

3.5

Volgens de bewindvoerder heeft de hypotheekshop haar zorgplicht geschonden door te lichtvaardig te vertrouwen op de mededelingen van [B] en zich onvoldoende in te spannen om fraude te voorkomen. De bewindvoerder verwijt de hypotheekshop dat die in strijd met de op haar rustende zorgplicht [X] nooit zelf heeft gesproken, niet zelf als klant heeft geïdentificeerd, niet heeft vastgesteld of [X] de hypotheek daadwerkelijk wenste, geen klantprofiel heeft opgemaakt en niet in het belang van [X] informatie heeft ingewonnen over haar financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid. Zij heeft [X] niet gewaarschuwd voor de risico’s van deze hypothecaire lening. De bewindvoerder verwijst in dit verband naar de verplichtingen op grond artikel 3 lid 2 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en op grond van artikel 4:23 lid 1 van de Wet op de het Financieel Toezicht (Wft). Ook mocht de hypotheekshop niet op grond van artikel 3:61 lid 2 BW redelijkerwijs aannemen dat door [X] aan [B] een toerekende volmacht was verleend.

3.6

De hypotheekshop heeft net als in eerste aanleg gesteld dat zij – in de persoon van [C] – werd benaderd door [B] om ten behoeve van [X] een hypothecaire lening tot stand te brengen in verband met voorgenomen werkzaamheden aan het (gezamenlijke) dak en de tuin. Desgevraagd heeft [B] de WOZ-beschikking, financiële gegevens en een kopie van het identiteitsbewijs van [X] verstrekt. Op grond van die informatie is de hypotheekshop op zoek gegaan naar een passende offerte van een hypotheekverstrekker. Deze offerte is door [X] ondertekend.

De bewindvoerder betwist deze gang van zaken maar onderbouwt die betwisting niet. In het bijzonder licht hij niet toe welk onderdeel van dit feitencomplex onjuist zou zijn en wat dan wel de gang van zaken is geweest. Het hof gaat dan ook aan de betwisting voorbij.

3.7

De hypotheekshop betwist dat zij aldus in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht jegens [X] en zij verwijst daartoe naar de Beroepscode Erkend Hypotheekadviseur. Daaruit volgt dat zij niet altijd gehouden is de klant zelf te spreken. Verder bleek ook niet dat [X] de lening niet wilde, of dat zij ten aanzien daarvan haar wil niet meer kon bepalen, laat staan dat de hypotheekshop dit zou hebben vastgesteld als zij haar zelf had gesproken. Er was ook geen noodzaak een klantprofiel op te stellen, aangezien het slechts ging om een eenvoudige hypothecaire lening. De hypotheekshop betwist voorts dat zij een instelling is als bedoeld in artikel 1 van de Wwft, zodat die wet niet haar zorgplicht jegens [X] bepaalt. Van (onbevoegde) vertegenwoordiging van [X] door [B] is geen sprake geweest, nu [X] zelf de offerte heeft ondertekend en daarmee de lening voor zichzelf heeft afgesloten.

3.8

Het hof is van oordeel dat de hypotheekshop uit bovenstaande gang van zaken redelijkerwijs mocht afleiden dat [X] inderdaad een hypothecaire lening wilde afsluiten. [X] heeft bovendien na het ondertekenen van de hypotheekofferte de notaris bezocht en daar bevestigd dat zij de wens had om een hypotheek te verstrekken in verband met de lening. Hetgeen de bewindvoerder heeft aangevoerd kan niet de conclusie dragen dat [X] de lening niet wenste of op dit punt niet meer in staat was haar wil te bepalen en dat de hypotheekshop dit zou hebben begrepen als zij [X] persoonlijk had gesproken.

Dit volgt in elk geval niet uit het door de bewindvoerder overgelegde medisch dossier van [X] en de daarop gebaseerde opinie van medisch adviseur mevr. drs. J. Thiesen. Voor zover al uit deze stukken kan worden afgeleid dat [X] in 2011 in een ver gevorderd stadium van de ziekte van Alzheimer verkeerde, is dat onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij in de bewuste periode niet in staat was haar wil ten aanzien van deze lening te bepalen, laat staan dat dit kenbaar moest zijn voor derden. Dat laatste kan ook niet worden gelezen in de opinie van Thiesen.

Uit het relaas van de huisarts blijkt juist dat [X] in augustus 2011, dus na het sluiten van de hypothecaire lening, nog altijd een sterke eigen wil had. Ook blijkt daaruit dat zij op de hoogte was van het feit dat er een lening was afgesloten voor het opknappen van het huis en de tuin en dat zij blij was met het resultaat. Voor zover de bewindvoerder nader bewijs heeft aangeboden van de stelling dat [X] begin 2011 niet in staat was haar wil te bepalen over de gesloten lening, en in het bijzonder dat dit kenbaar was voor de hypotheekshop, geldt op grond van het voorgaande dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd, zodat aan (verdere) bewijslevering niet wordt toegekomen.

Nu aldus niet is komen vast te staan dat de gesloten hypothecaire lening in strijd met de – voor de hypotheekshop kenbare – wil van [X] tot stand is gekomen, strandt daarop de vordering tegen de hypotheekshop.

3.9

De overige verwijten aan het adres van de hypotheekshop met betrekking tot het schenden van verschillende wettelijke regels kunnen evenmin tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden, omdat niet is aangetoond dat, indien die regels wel zouden zijn nageleefd, de hypothecaire lening niet of onder wezenlijk andere voorwaarden zou zijn aangegaan. In het bijzonder valt niet in te zien dat een nader onderzoek naar de financiële positie van [X] en het waarschuwen voor de financiële risico’s van de hypothecaire lening geleid zouden hebben tot een ander resultaat. Immers, niet is gesteld of gebleken dat [X] de lening financieel niet zou kunnen dragen. Vast staat bovendien dat zij aan haar verplichtingen heeft kunnen voldoen. Aldus heeft de bewindvoerder het causale verband tussen de schending van die regels en de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Dat mogelijkerwijs bij de aanwending van het geleende geld fraude is gepleegd door [A] of anderen, doet aan het voorgaande niet af.

Tot slot is het hof van oordeel dat nu [X] zelf de offerte heeft ondertekend, de kwestie van de al dan niet bevoegde vertegenwoordiging niet aan de orde is.

3.10

De bewindvoerder heeft (overigens) geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden.

Ten aanzien van de notaris

3.11

De notaris wordt verweten dat hij zijn zorgplicht heeft verzaakt. Hij heeft niet (voldoende) getoetst aan het ‘Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening’ of [X] wilsbekwaam was, of zij deze hypothecaire geldlening echt wilde, en of zij de consequenties daarvan voldoende begreep. Voorts had hij [X] alleen moeten spreken, buiten aanwezigheid van [B] en [A] . Tenslotte wordt de notaris verweten dat hij het bedrag van de lening zonder expliciete toestemming van, althans waarschuwing aan [X] op de en/of rekening heeft overgemaakt, aldus steeds de bewindvoerder.

De bewindvoerder stelt dat de notaris op grond van artikel 6 lid 1 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gehouden was zijn dienst te weigeren.

3.12

De notaris beroept zich allereerst op het schenden van de klachttermijn van artikel 6:89 BW. De bewindvoerder was al sinds eind 2011 bekend met het handelen van de notaris en met de toenmalige geestestoestand van [X] . Hij heeft de verwijten die hij de notaris thans maakt reeds in 2013 in een brief aan [C] verwoord. Desondanks heeft hij pas medio 2015 bij de notaris geklaagd. De notaris is door deze schending in een ongunstige bewijspositie terechtgekomen, mede door de verslechterde geestesgezondheid van [X] . Ook kunnen de notaris en de kandidaat-notaris zich zelf de details van het gesprek niet meer allemaal herinneren.

3.13

De notaris betwist voorts dat er duidelijke aanwijzingen waren dat [X] wilsonbekwaam was ten tijde van het verlijden van de akte. Het KNB-Stappenplan behoeft alleen te worden gehanteerd op het moment dat de notaris op grond van zijn eigen contact met de betrokkene twijfel heeft over diens wilsbekwaamheid. Dat was niet het geval. Juist omdat [X] op hoge leeftijd was, heeft de notaris een ervaren kandidaat-notaris bij het gesprek betrokken. [X] heeft zelf toegelicht dat zij een hypotheekrecht wilde vestigen in verband met een aangegane geldlening. [X] gaf er blijk van dat zij de inhoud en de consequenties van de hypotheekakte begreep. Volgens de overtuiging van de notaris en de kandidaat-notaris was [X] voldoende wilsbekwaam, hetgeen in lijn was met de aan de notaris bekende feiten, waaronder het feit dat zij nog zelfstandig woonde en er geen sprake was van bewind of curatele.

De notaris had geen aanleiding om enig misbruik door [A] of [B] te vermoeden. De notaris was aldus gehouden gevolg te geven aan de mededelingen en instructies van [X] .

Ten aanzien van het verwijt van de bewindvoerder dat het geleende bedrag is overgemaakt naar een en/of rekening, merkt de notaris op dat hem destijds niet kenbaar was dat dit een en/of rekening betrof. Het rekeningnummer was opgegeven als het rekeningnummer van [X] . Omdat er een professionele hypotheekadviseur bij was betrokken was er geen aanleiding voor een vermoeden van misbruik, aldus de notaris.

3.14

Het hof overweegt dat voor het welslagen van het beroep op artikel 6:89 BW het enkele tijdsverloop niet voldoende is, maar dat ook aannemelijk moet zijn dat de aangesproken partij in haar redelijke belangen is geschaad. De notaris heeft aangevoerd dat dit het geval is nu hij in zijn bewijspositie is geschaad, en de bewindvoerder heeft dit gemotiveerd betwist. Het hof is van oordeel dat een oordeel op dit punt achterwege kan blijven, omdat – zoals uit het navolgende zal blijken – de vordering tegen de notaris niet kan worden toegewezen, en aan bewijslevering niet zal worden toegekomen.

3.15

Het hof stelt – met de notaris – voorop dat bij de beoordeling van het handelen van de notaris de ministerieplicht voorop staat (art. 21 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna)). De notaris dient zijn dienst evenwel te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft (art. 21 lid 2 Wna).

3.16

Naar het oordeel van het hof is de notaris in het voortraject en tijdens het passeren van de akte voldoende alert geweest op de wilsbekwaamheid van [X] en had hij geen aanleiding om aan deze wilsbekwaamheid te twijfelen. Weliswaar stelt de bewindvoerder dat er indicatoren waren op grond waarvan de notaris alerter en kritischer had moeten zijn, maar daarbij wijst hij deels op omstandigheden die de notaris niet bekend waren (zoals het feit dat [X] aan Alzheimer zou lijden) en overigens op omstandigheden die niet tot grotere alertheid verplichtten dan de notaris heeft betracht. Door een gesprek te voeren met [X] in het bijzijn van een ervaren collega, op grond waarvan hij de overtuiging heeft bekomen dat [X] de inhoud en de consequenties van de te verlijden akte begreep en overzag, heeft de notaris zorgvuldig gehandeld. Dat hij redelijkerwijs niet tot deze overtuiging heeft kunnen komen wordt door de bewindvoerder onvoldoende onderbouwd. Het volgt, als hierboven reeds overwogen, in elk geval niet uit de door de bewindvoerder overgelegde medische stukken.

[X] heeft in dat gesprek duidelijk gemaakt dat zij een hypothecaire lening wilde afsluiten in verband met een voorgenomen verbouwing aan haar huis. Dat de notaris nadere details had moeten vragen over die verbouwing, volgt het hof niet. Het behoort niet tot de taak van een notaris om te beoordelen of de rechtshandeling verstandig is. De omstandigheid dat bij dat gesprek [A] en [B] aanwezig waren, zonder dat zij actief aan het gesprek deelnamen, acht het hof niet onzorgvuldig. In voorkomende gevallen kan het aangewezen zijn om een zogenaamd vierogengesprek te voeren, maar gelet op de aard van de te passeren akte (een hypothecaire lening ten behoeve van een verbouwing) was hiervoor in dit geval geen aanleiding. Het is niet ongebruikelijk dat cliënten, zeker als zij op leeftijd zijn, worden bijgestaan en begeleid door een bekende of familielid. Niet gesteld of gebleken is dat de notaris enige aanleiding had om te twijfelen aan de goede bedoelingen van [A] en [B] . Er was geen kenbaar belang van een van beiden bij het vestigen van de hypotheek.

Met de notaris is het hof van oordeel dat er, bij gebreke van redelijke twijfel over de wilsbekwaamheid van [X] , geen aanleiding was tot toepassing van het Stappenplan, waar nog bijkomt dat dit Stappenplan op het moment van passeren nog niet was gepubliceerd. Aldus was er geen sprake van een situatie die de notaris ontsloeg van zijn ministerieplicht.

3.17

Als overigens al sprake zou zijn van de door de bewindvoerder bedoelde indicatoren dan geldt bovendien, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat de bewindvoerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat toepassing van het Stappenplan baat zou hebben gebracht, zodat zijn vordering ook op dat punt strandt.

3.18

Ten aanzien van de overmaking van het bedrag op de en/of bankrekening van [A] en [X] heeft de bewindvoerder aangevoerd dat gebleken is dat [A] dit rekeningnummer heeft doorgegeven aan de notaris. Die had volgens de bewindvoerder moeten navragen bij [X] of zij ermee instemde dat het bedrag op deze rekening werd gestort. De notaris betwist dat op dit punt een bijzondere onderzoeksplicht op hem rustte. Het nummer is hem opgegeven als het rekeningnummer van [X] , hetgeen ook het geval was. Dit nummer was ook reeds vermeld in de door [X] getekende kredietofferte. Dat het een en/of rekening betrof wist de notaris niet en behoefde hij ook niet na te gaan.

3.19

Naar het oordeel van het hof kon de notaris onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aannemen dat het opgegeven rekeningnummer, dat onbetwist op naam van [X] staat, het rekeningnummer was waarop [X] het bedrag gestort wenste te zien. Daarbij is relevant dat dit rekeningnummer ook in de door [X] ondertekende kredietofferte is vermeld. Kennelijk is tussen [X] en Obvion overeengekomen dat het bedrag van de lening op dit rekeningnummer zou worden gestort.

Niet in geschil is dat [X] , na overmaking, de beschikking had over het gestorte bedrag. Dat niet alleen zij, maar ook [A] de beschikking had over die rekening, was de notaris niet bekend, maar maakt het voorgaande ook niet anders. Van strijd met de op de notaris rustende zorgplicht is geen sprake. Bovendien overweegt het hof dat de bewindvoerder niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat [X] bij navraag door de notaris een ander rekeningnummer zou hebben opgegeven, zodat het causale verband met de gestelde schade evenmin kan worden vastgesteld.

3.20

De bewindvoerder heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander resultaat kunnen leiden, zodat het bewijsaanbod wordt gepasseerd.

3.21

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen tegen zowel de hypotheekshop als de notaris niet toewijsbaar zijn.

Daarmee falen grieven 1 tot en met 3. Nu het hof niet toekomt aan de beoordeling van de hoogte van de schade, faalt grief 4 bij gebrek aan belang.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De bewindvoerder zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de hypotheekshop begroot op € 5.213,- aan verschotten en € 9.789,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de notaris begroot op € 1.631,- aan verschotten en € 9.789,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, D.J. Oranje en A.L.M. Keirse en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018.