Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4310

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
23-000443-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin en heeft politieambtenaren fysiek tegengewerkt bij zijn aanhouding. Oplegging van geldboete van € 500,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000443-18

datum uitspraak: 26 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2014 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-711300-13 (zaak A) en 13-706321-14 (B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

adres: [adres 1] .

Procesgang

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak B onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van 500 euro, subsidiair 10 dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan, te betalen in twee maandelijkse termijnen van 250 euro.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 1 maart 2016 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 30 januari 2018 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A is ten laste gelegd. Het hoger beroep van de verdachte richt zich blijkens de ‘akte hoger beroep’ uitsluitend tegen de bewezenverklaring in zaak B.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in zaak B ten laste gelegd dat:

1.
hij op 13 april 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer] , (met kracht) een of meermalen

  • -

    bij de armen heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de armen heeft omgedraaid en/of verdraaid en/of

  • -

    tegen de (boven)benen en/of knieën heeft geschopt en/of getrapt en/of

  • -

    bij het hoofdhaar heeft vastgepakt en/of (vervolgens) aan het hoofdhaar heeft getrokken,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op of omstreeks 13 april 2011 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [hoodagent] , hoofdagent van politie en/of [adspirant agent] , adspirant agent van politie verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 304 jo. 300 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten politiebureau Houtmankade, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, door opzettelijk gewelddadig zich af te zetten tegen de deurkozijnen en/of om zich heen te schoppen en/of in een andere richting te bewegen dan waarheen die opsporingsambtena(a)r(en) hem wilde(n)/trachtte(n) te brengen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde en heeft zich, wat betreft het de bewijsvraag, gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte vanaf het politieverhoor heeft ontkend [slachtoffer] (inmiddels de ex-vriendin van de verdachte) te hebben mishandeld en zij destijds geen aangifte van mishandeling heeft gedaan. Onder die omstandigheden is de belastende verklaring van [slachtoffer] tegen de ter plaatse gekomen verbalisanten onvoldoende voor het bewijs. Voor het letsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd heeft de verdachte een aannemelijke verklaring gegeven, inhoudende dat [slachtoffer] achter hem stond op het moment dat hij zijn stoel naar achteren duwde waardoor zij onbedoeld tussen de stoel en de muur terecht is gekomen, met blauwe plekken op haar lichaam tot gevolg.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Vaststaat dat de verdachte op 13 april 2011 te Amsterdam ruzie heeft gemaakt met [slachtoffer] . Als naar aanleiding daarvan de verbalisanten [opsporingsambtenaar 1] en [verbalisant] ter plaatse komen, verklaart [slachtoffer] dat de verdachte aan haar armen heeft gedraaid, dat dit erg pijn doet, dat hij tegen haar benen en knieën heeft getrapt en dat hij aan haar haren heeft getrokken. De verbalisanten zien blauwe plekken op het linker bovenbeen en de knie van [slachtoffer] , zien plukken haar op de rug van [slachtoffer] en constateren dat zij pijn heeft op het moment dat verbalisant [verbalisant] haar arm vastpakt om te zien of er letsel is. Ondanks het feit dat [slachtoffer] geen aangifte heeft willen doen, heeft zij als getuige tegenover de raadsheer-commissaris op 30 april 2015 deze geweldshandelingen bevestigd, met dien verstande dat zij tijdens dat verhoor heeft verklaard over schoppen op haar rug. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. Zijn verklaring dat het letsel is ontstaan doordat [slachtoffer] tussen zijn stoel en de muur terecht is gekomen, is onaannemelijk gelet op feit dat [slachtoffer] zowel letsel op haar been als knie heeft, pijn in haar armen heeft en meer in het bijzonder dat zij plukken haar los op haar rug heeft liggen. [slachtoffer] heeft bij de raadsheer-commissaris bovendien verklaard dat de verdachte inderdaad een stoel naar achteren gooide op het moment dat zij de woonkamer binnenging, maar dat dit losstaat van het latere geweld en dat die stoel niet tegen haar is aangekomen.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 13 april 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer] ,

  • -

    bij de armen heeft vastgepakt en de armen heeft omgedraaid en

  • -

    tegen een bovenbeen en knie heeft getrapt en

  • -

    bij het hoofdhaar heeft vastgepakt en aan het hoofdhaar heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.
hij op 13 april 2011 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [hoodagent] , hoofdagent van politie en [adspirant agent] , adspirant agent van politie, verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit hadden aangehouden en vast hadden teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten politiebureau Houtmankade, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door zich af te zetten tegen de deurkozijnen en om zich heen te schoppen en in een andere richting te bewegen dan waarheen die opsporingsambtenaren hem wilden brengen.

Hetgeen in zaak B onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de onderstaande bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

1. Een proces-verbaal met nummer 2011092396-7 van 13 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde pagina’s 14 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 april 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Ik woon op de [adres 2] hoog te Amsterdam. Ik woon daar samen met mijn vriendin (het hof begrijpt: [slachtoffer]) en met mijn zoon. Op 13 april 2011 vroeg ik mijn vriendin om te helpen en uit te zoeken met welke tram ik op mijn afspraak moest komen. Mijn vriendin lag op dat moment nog in bed. Hierdoor ontstond een woordenwisseling waardoor ik gek werd.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134L 2011092396-5 van 13 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [verbalisant] (doorgenummerde pagina’s 4 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 13 april 2011 hebben wij een onderzoek ingesteld op de [adres 2] I te Amsterdam. Wij, verbalisanten, kwamen ter plaatse en klopten op de deur. Wij zagen dat de deur geopend werd door een vrouw welke later opgaf te zijn genaamd: [slachtoffer] . Wij, verbalisanten, zagen dat er ook een man in de woning was welke later de aangehouden verdachte is, genaamd: [verdachte] . Wij, verbalisanten, hebben [slachtoffer] gevraagd wat er gebeurd was. Wij hoorden dat zij ons het volgende verklaarde: “We hebben ruzie gehad. Hij heeft meerdere malen aan mijn armen gedraaid. Dit doet erg pijn. Hij draait dan mijn armen helemaal om. Net heeft hij dit ook gedaan. Daardoor kwam ik op de grond terecht. Ik zag en voelde dat hij met meer dan geringe kracht tegen mijn bovenbenen en knieën is gaan trappen. Ik voelde dat de trappen hard aankwamen. Hij heeft mij ook aan mijn haren getrokken.” Wij zagen aan de houding van [slachtoffer] dat ze zichtbaar pijn had. Wij zagen dat [slachtoffer] zichtbaar blauwe plekken had op haar linker bovenbeen en knie. Wij hoorden dat ze aangaf dat ze pijn had in haar linker bovenbeen. Wij zagen dat er op haar rug plukken haar los hingen. Wij zagen dat [slachtoffer] pijn ondervond toen verbalisant [verbalisant] haar arm vastpakte om te kijken of er zichtbaar letsel was.

3. Een proces-verbaal van 30 april 2015, opgemaakt door mr. B.F de Poorter, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 april 2015 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer] :

Op 13 april 2011 woonde ik samen met Emons. Ik ben opgestaan en ben naar de woonkamer gegaan. Toen ik daar aankwam werd hij heel erg boos. Hij trok mij aan mijn armen en draaide deze op mijn rug. Hij trok aan mijn haren en schopte mij toen ik op de grond lag.

Ten aanzien van feit 2

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011092396-4 van 13 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [hoodagent] en [adspirant agent] (doorgenummerde pagina’s 1 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 13 april 2011 kregen wij, [hoodagent] , hoofdagent, dienstdoende bij Wijkteam Bos en Lommer, en [adspirant agent] , adspirant agent van politie, de melding om te gaan naar de [adres 2] I. Ik, eerste verbalisant, hoorde van collega’s die in gesprek waren met de vrouw dat er geweld was gebruikt door de man, waaronder slaan en schoppen. Ik, tweede verbalisant, legde de man uit dat we met een strafrechtelijk onderzoek bezig waren en dat hij nog even geduld moest hebben. Wij zagen dat de man zeer kwaad werd, wij zagen dat de man met kracht zijn lichaam langs ons, verbalisanten, drukte. Wij hoorden de man schreeuwen: “pak me maar op het maakt me allemaal niet uit”. Hierop hebben wij de man vastgehouden ter voorkoming dat hij richting zijn vrouw zou gaan. Wij, verbalisanten, hebben hem vervolgens aangehouden en de cautie medegedeeld. Toen wij de man aanhielden voelden wij dat de man niet mee wilde werken. Wij voelden dat de man met kracht zijn armen voor zijn lichaam hield. Toen de man in de handboeien zat schreeuwde hij dat hij niet mee wilde omdat hij naar zijn afspraak moest. Wij zagen dat hij met zijn benen zich afzette tegen de deurkozijnen. Wij voelden dat hij dit met kracht deed. Wij hadden hierdoor moeite om de man te vervoeren. Wij zagen dat de man om zich heen begon te schoppen. Wij zagen dat de man zijn benen om de overgebleven spijlen klemde. Hij deed dit met kracht. Het was onmogelijk om de man op deze manier van de trap af te krijgen. Wij voelden dat de man zich continu in de andere richting bewoog alswaar wij hem wilden hebben. De man bleef zichzelf met kracht proberen los te wrikken. De man is uiteindelijk afgevoerd naar de plaats van voorgeleiding.

5. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL134N 2011092396-2 van 13 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [adspirant agent] en [hoodagent] (doorgenummerde pagina’s 8 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Wij, verbalisanten, [adspirant agent] , adspirant agent van politie, en [hoodagent] , hoofdagent, Politie Amsterdam-Amstelland, hielden op 13 april 2011 te Amsterdam op heterdaad als verdachte van artikel 301/1 Wetboek van Strafrecht aan: [verdachte] geboren [geboortedatum] 1975 [geboorteplaats] in Nederland. [adspirant agent] bracht de verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over naar de plaats van onderzoek, Houtmankade 34, Amsterdam. Daar werd de verdachte ten spoedigste voorgeleid aan de hulpofficier van justitie.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak B onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van 500 euro, subsidiair 10 dagen hechtenis indien deze niet wordt voldaan, te betalen in 2 maandelijkse termijnen van 250 euro.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 500 euro waarvan 250 euro voorwaardelijk, subsidiair vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Hierin heeft de advocaat-generaal verdisconteerd dat het ten laste gelegde oude feiten betreft.

De raadsman heeft verzocht, als het hof tot een bewezenverklaring komt, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de strafzaak lang heeft geduurd en met de omstandigheid dat het – na een zware en moeilijke periode in de privésfeer – inmiddels beter met de verdachte gaat.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Door zijn handelen heeft de verdachte pijn en angst bij zijn levensgezel teweeggebracht en inbreuk gemaakt op haar persoonlijke integriteit. De toenmalige partner van de verdachte was van slag en verklaarde te zijn mishandeld en dat haar partner door het lint was gegaan. De verdachte was niet voor rede vatbaar en bleef onafgebroken razen, zo viel de politie op. Toen hij van de politie nog even moest wachten en niet naar zijn partner mocht werd de verdachte wederom zeer kwaad en heeft hij zich zodanig tegen zijn daarop volgende aanhouding verzet, dat hij uiteindelijk door vier man van de trap moest worden getild. Een en ander acht het hof ontoelaatbaar en zorgwekkend. Daarnaast heeft de verdachte politieambtenaren fysiek tegengewerkt bij zijn aanhouding. Hiermee heeft de verdachte het gezag van de politie ondermijnd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2018 is hij eerder ter zake van huiselijk geweld onherroepelijk veroordeeld..

Het hof stelt met de advocaat-generaal en de raadsman echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Immers, het eerste politieverhoor vond plaats op 13 april 2011, terwijl het hof eerst thans – ruim 7 jaar en 7 maanden later – arrest wijst. Hierin wordt aanleiding gezien de op te leggen de geldboete te matigen. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof een onvoorwaardelijke geldboete van € 750,00 hebben opgelegd, maar rekening houdende met de overschrijding volstaat het hof met na te noemen geldboete.

Het hof ziet geen reden om een voorwaardelijk(e) straf(deel) op te leggen, mede omdat de verdachte bij onherroepelijk vonnis van 25 mei 2016 al tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld voor een soortgelijk feit en het hof daarmee op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening houdt.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 57, 63, 180, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak B onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. R.P. den Otter en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 november 2018.

[…]