Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4308

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
23-003360-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal fiets + TUL

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003360-16

datum uitspraak: 21 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 september 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 15-134024-16 en 23-000280-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2016 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, op het stationsplein, een fiets (van het merk Gazelle, type plus Orange), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging dan de politierechter.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL1100-2016144396-1 van 29 juli 2016, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] [doorgenummerde pagina’s 13-14]

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 28 juli 2016 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [benadeelde 2]:

Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe namens de [benadeelde 1] aangifte van diefstal van een lokfiets. De lokfiets is eigendom van [benadeelde 1] . De fiets heeft de kenmerken: merk Gazelle, type Plus Orange. Op dinsdag 28 juni 2016 te 23.10 is door agent van politie [opsporingsambtenaar] de lokfiets gestald op het Stationsplein 5 te Heerhugowaard. (…) De fiets was voorzien van een GPS volgsysteem. Op dinsdag 28 juni te 23.12 uur werd de bovengenoemde fiets weggenomen.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2018

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 28 juni 2016 een fiets heb gestolen van het Stationsplein te Heerhugowaard. Het bleek een lokfiets te zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 juni 2016 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, op het Stationsplein, een fiets van het merk Gazelle, type plus Orange, toebehorende

aan [benadeelde 1] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte een andere weg is ingeslagen, sinds het onderhavige feit geen nieuwe strafbare feiten meer heeft gepleegd en dat deze positieve ontwikkeling in zijn leven niet moet worden doorkruist door een gevangenisstraf, en zeker niet in combinatie met toewijzing van

de vordering tenuitvoerlegging. Een taakstraf is een passend alternatief. Subsidiair heeft de raadsvrouw gepleit voor een korte gevangenisstraf en afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets. Fietsendiefstal veroorzaakt hinder, schade en ergernis voor de benadeelde. Door zo te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven

geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 oktober 2018 is hij eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, wat in zijn nadeel weegt.

Het hof gaat er vanuit dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Het hof ziet evenwel in de ernst van het feit en het strafblad van de verdachte geen aanleiding te volstaan met een taakstraf. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, zoals opgelegd door de politierechter en gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 februari 2015, met parketnummer 23-000280-14, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Blijkens hetgeen ter terechtzitting door de raadsvrouw en de verdachte naar voren is gebracht, is er bij

de verdachte sprake van een positieve ontwikkeling. Omdat het hof de verdachte de kans wil geven deze positieve ontwikkeling voort te zetten, zal het hof gelasten dat slechts een gedeelte van de voorwaardelijke opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd, te weten één maand, en bovendien bepalen

dat deze gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest

van het Gerechtshof Amsterdam van 4 februari 2015 met parketnummer 23-000280-14, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, voor het gedeelte van 1 (één) maand, te vervangen door een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren,

bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. S. Clement en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 november 2018.

[…]