Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4299

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
23-000747-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000747-18

datum uitspraak: 21 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-800151-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Macedonië) op [geboortedatum] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het

Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van de straf en neemt daarnaast nog het navolgende bewijsmiddel op. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Bewijsmiddel

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017081002-17 van 21 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] [doorgenummerde pagina 11]

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als mededeling van verbalisant:

Ik, verbalisant, zag op 21 april 2017 dat aangever [naam] in zijn linker mondhoek een wond had welke gehecht was. Ik hoorde dat hij zei: Ik heb wel letsel.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft bepleit de duur van de aan de verdachte opgelegde taakstraf te matigen tot 30 uren en deze al dan niet deels voorwaardelijk op te leggen. In dat verband heeft de raadsman opgemerkt dat de proceshouding van de verdachte en zijn oprechte spijt en medeleven met het slachtoffer niet voldoende zijn meegewogen. Een voorwaardelijke straf is volgens de raadsman een goede stok achter de deur om ervoor te zorgen dat de verdachte zich in de toekomst onthoudt van eigenrichting.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft

daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft het slachtoffer een harde stomp

in het gezicht gegeven, waardoor deze ten val kwam en een scheurtje in zijn lip had. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast dragen feiten als de onderhavige, waarvan omstanders getuige zijn geweest, bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving.

Het hof rekent dit de verdachte aan. Een rol speelt echter ook de omstandigheid dat sprake is van een bijzondere verhouding tussen de verdachte en het slachtoffer. De verdachte en het slachtoffer zijn oude vrienden. Het slachtoffer heeft bij de verdachte in huis gewoond en heeft toen geld van de verdachte gestolen. Op het moment dat zij elkaar weer troffen is de verdachte door de reactie van het slachtoffer heel boos geworden en heeft hem geslagen. De verdachte is zich er zeer van bewust dat zijn gedrag niet

is goed te praten en niet zonder consequenties kan blijven, wat in zijn voordeel spreekt. Tenslotte weegt mee dat het slachtoffer geen aangifte heeft willen doen en dat kennelijk de verdachte en het slachtoffer de ruzie hebben bijgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. S. Clement en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 november 2018.

[…]

.