Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4292

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
23-004408-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 163 tweede lid Wegenverkeerswet 1994. Niet voldoen aan bevel tot medewerking aan ademonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004408-17

datum uitspraak: 8 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-103619-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een snorfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het tot een enigszins andere strafoplegging komt.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat de verdachte niet is bevolen om aan de ademanalyse mee te werken, dit is slechts aan hem gevraagd. Nu er geen sprake is van een bevel kan het tenlastegelegde niet worden bewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden geacht nu in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] is gerelateerd ‘Ik heb voor een derde keer [verdachte] medegedeeld dat hij mee moest lopen om een test te doen’. Dit is voldoende

om aan te nemen dat de verdachte een bevel is gegeven als bedoeld in de tenlastelegging.

Het hof overweegt als volgt.

In het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017121688-6 van 11 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] is het volgende gerelateerd.

Omstreeks 8.00 uur heb ik [verdachte] opnieuw benaderd (…). Ik heb [verdachte] gezegd dat dit niet ging gebeuren en dat ik er was in verband met het alcoholgebruik. Ik heb [verdachte] medegedeeld dat hij met mij mee moest lopen naar het blaasapparaat om zodoende een blaastest af te leggen. Ik hoorde hem zeggen dat hij eerst de collega’s van de aanhouding wilde zien. Ik zag dat hij met gebalde vuisten bleef staan en dat hij van links naar rechts bewoog. Ik vroeg aan [verdachte] of hij mee wilde werken aan het blaasonderzoek. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij mee wilde werken als hij eerst de collega’s van de aanhouding kreeg te zien. Ik herhaalde nogmaals dat dit niet ging gebeuren en dat hij het met mij moest doen. Vervolgens vroeg ik [verdachte] voor een derde keer om mee te lopen naar het blaasapparaat. Ook dit keer herhaalde hij zichzelf en vroeg vervolgens wat er ging gebeuren als hij niet zou meelopen. Ik heb [verdachte] uitgelegd dat dit als een weigering werd gezien en dat zijn rijbewijs ingevorderd zou gaan worden. Hierop reageerde hij door te zeggen dat hij niet weigerde maar eerst met de collega’s van de aanhouding wilde vechten. Ik heb [verdachte] gezegd dat dit niet zo werkte. Vervolgens deed ik de deur geheel open en deed ik een stap opzij om op deze manier [verdachte] te overtuigen en dat hij mee moest lopen. Ik zag dat hij uit de voorgeleidingsruimte stapte en dat hij met gebalde vuisten op de gang bleef staan. Ik sommeerde [verdachte] om verder te lopen. Ik zag dat hij dit niet deed en zei dat de andere collega’s moesten komen. Ik zag dat hij met gebalde vuisten bleef staan. Hierop heb ik herhaald dat hij moest gaan lopen en dat ik anders genoodzaakt was om hem terug te begeleiden naar de voorgeleidingsruimte en dat dit als een weigering werd gezien. Ik zag dat [verdachte] niet reageerde maar om zich heen bleef kijken, kennelijk op zoek naar de aanhoudende collega’s.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de mededelingen van verbalisant [verbalisant] zoals die uit het voorgaande blijken, gelet op inhoud en strekking daarvan kunnen worden aangemerkt als een bevel in de zin van artikel 163, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 als bedoeld in de tenlastelegging.

Dat het begrip “bevel” niet letterlijk is gebezigd doet hieraan niet af.

Nu uit de (in een eventueel later op te maken aanvulling) te bezigen bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte weigerde zijn medewerking te verlenen aan het ademonderzoek acht het hof, met de advocaat-generaal, het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 juni 2017 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een snorfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde feit veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis te voldoen in vijf maandelijkse termijnen van elk € 100,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 210 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994, waarvan 199 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg zijn opgelegd.

De raadsman heeft aangevoerd dat tijdens de aanhouding van de verdachte disproportioneel geweld is aangewend. Nu het voorgaande niet valt te herstellen verzoekt de raadsman daar bij de straftoemeting rekening mee te houden.

Daarnaast heeft de raadsman verzocht om slechts een voorwaardelijke geldboete op te leggen en het voorwaardelijke deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid te matigen. Subsidiair verzoekt de raadsman om het betalen van een geldboete van nader te bepalen hoogte in 5 termijnen van twee maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte alsmede diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft geweigerd een bevel tot medewerking aan een ademanalyse op te volgen en zo belemmerd en gefrustreerd dat een ademonderzoek kon plaatsvinden waarbij objectief kon worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan, met het oog op de verkeersveiligheid, wettelijk was toegestaan.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat, gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke geldboete van de door de raadsman verzochte duur. Het hof merkt hierbij nog op dat in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor het oordeel dat sprake zou zijn van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering waaraan het door hem bepleite gevolg dient te worden verbonden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 2 maanden, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 210 (tweehonderdtien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 199 (honderdnegenennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. V. Mul en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 november 2018.

mr. V. Mul is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]