Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4291

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
23-001327-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak autodiefstal, bewezenverklaring vernieling en overtreding artikel 5 en 8 Wegenverkeerswet 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001327-18

datum uitspraak: 8 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-015801-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 28 december 2017 te Hensbroek, gemeente Koggenland een auto (Seat Ibiza [kenteken]), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2:
hij op of omstreeks 28 december 2017 te Hensbroek, gemeente Koggenland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,79 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

3:
hij op een of meer tijdstippen in de periode omstreeks 30 december 2017 tot en met 23 januari 2018 te Hensbroek, gemeente Koggenland opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4:
hij op of omstreeks 28 december 2017 te Hensbroek, gemeente Koggenland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, te Kerkweg, Hensbroek binnen de gemeente Koggenland, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande uit de gedraging dat verdachte heeft gereden over de Kerkweg, komende uit de richting van de Waterweidje, -terwijl het donker was en/of -terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en/of -terwijl verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, verdachte heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor een aldaar geparkeerde personenauto (Audi Q7), verdachte is vervolgens tegen deze personenauto aangereden en/of aangebotst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Voorts omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Vrijspraak feit 1

Uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte op 28 december 2017 gebruik heeft gemaakt van de in de tenlastelegging bedoelde auto zonder dat hem hiervoor expliciet toestemming was verleend. Dit rechtvaardigt echter op zichzelf niet de conclusie dat hij deze auto heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijke toe te eigenen. De verdachte ontkent dit oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening te hebben gehad.

Nu uit het dossier verder onvoldoende bewijs voorhanden is om het aan de verdachte tenlastegelegde bewezen te achten, dient hij hiervan te worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op 28 december 2017 te Hensbroek, gemeente Koggenland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,79 milligram bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

3:
hij op tijdstippen in de periode van omstreeks 30 december 2017 tot en met 23 januari 2018 te Hensbroek, gemeente Koggenland opzettelijk en wederrechtelijk ruiten die geheel aan [benadeelde] toebehoorden, heeft vernield;

4:
hij op 28 december 2017 te Hensbroek, gemeente Koggenland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, te Kerkweg, Hensbroek binnen de gemeente Koggenland, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande die gedraging daaruit dat verdachte heeft gereden over de Kerkweg, komende uit de richting van de Waterweidje,

-terwijl het donker was en

-terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en

-terwijl verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs

en niet voldoende heeft afgeremd en niet tijdig is uitgeweken voor een aldaar geparkeerde personenauto (Audi Q7), en vervolgens tegen deze personenauto is aangebotst.

Hetgeen onder 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte (bij verstek) voor het in eerste aanleg onder 1 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete ter hoogte van € 300,- subsidiair 6 dagen hechtenis, terzake van feit 4 voorts een geldboete van € 700,- subsidiair 14 dagen hechtenis.

Ter zake van feit 2 is daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden opgelegd en ter zake van feit 4 daarnaast eveneens een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte zijn leven in goede banen probeert te leiden en heeft verzocht om de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf van nader te bepalen duur nu een taakstraf de verdachte meer structuur in zijn leven geeft dan een gevangenisstraf. Ten aanzien van de geldboete wordt verzocht om een alternatieve straf op te leggen omdat de verdachte een uitkering ontvangt en daarom niet veel te besteden heeft.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte alsmede diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 28 december 2017 heeft de verdachte op de openbare weg onder invloed van alcohol een personenauto bestuurd. Omdat het alcoholgehalte in zijn adem aanzienlijk hoger was dan wettelijk is toegestaan heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zich niet gedragen overeenkomstig zijn verantwoordelijkheid als bestuurder van een motorvoertuig in het wegverkeer. Daar komt bij dat de verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs.

De verdachte heeft bovendien zeer laakbaar gehandeld en gevaar op de weg veroorzaakt door te handelen als onder 4 bewezenverklaard. Hij heeft zich daarbij weinig gelegen gelaten aan de veiligheid op de openbare weg en is ook tegen een andere personenauto gebotst waarbij schade aan die auto is toegebracht.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling door meerdere malen midden in de nacht een ruit te vernielen. Dergelijke intimiderende vernielingen kunnen zorgen voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij bewoners. Het hof rekent het de verdachte voorts aan dat hij door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op het eigendom van een ander en de benadeelde financiële schade heeft berokkend.

Het hof acht, alles afwegende de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van de hieronder bedoelde duur voor de feiten (misdrijven) 2 en 3 passend en geboden.

Gelet op de ernst van deze feiten kan niet worden volstaan met een lagere straf, dan wel, als bepleit door de raadsman een andere strafmodaliteit.

Met deze straf wordt enerzijds de ernst van de feiten tot uitdrukking gebracht terwijl daarmee anderzijds wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Ter zake van feit 4 (overtreding) wordt een boete ter hoogte van het hieronder weergegeven bedrag passend en geboden geacht. Hierin ligt besloten dat in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke situatie van de verdachte geen grond wordt gevonden een andere, lagere, dan wel geheel voorwaardelijke straf voor dit feit op te leggen, waarbij het hof betrekt dat de boete in termijnen mag worden betaald.

Daarnaast acht het hof ter zake van onderscheidenlijk de feiten 2 en 4 de ontzegging van de rijbevoegdheid als hieronder aangegeven passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 57, 62, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van feit 4

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 800,00 (achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 8 (acht) termijnen van, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Ontzegging van de rijbevoegdheid ter zake van feit 2

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Ontzegging van de rijbevoegdheid ter zake van feit 4

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. V. Mul en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 november 2018.

mr. V. Mul is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]