Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4282

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
04-12-2018
Zaaknummer
200.245.634/01 en 200.245.640/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Op voorshands benoeming bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2019/22 met annotatie van V.T.M. Smeets
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.245.634/01 en 200.245.640/01

Zaaknummer rechtbank: C13/642629 / FA RK 18-549 (JK/MD)

Beschikking van de meervoudige kamer van 20 november 2018 in de zaak met zaaknummer 200.245.634/01 van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.C. Otten te Bussum,

en

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.L. Spekschoor te Amsterdam.

En in de zaak met zaaknummer 200.245.640/01:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.L. Spekschoor te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.C. Otten te Bussum.

Als belanghebbenden in beide zaken zijn overigens aangemerkt:

- de minderjarige [A] (hierna te noemen: [kind a] );

- de minderjarige [B] (hierna te noemen: [kind b] );

- de minderjarige [C] (hierna te noemen: [kind c] ).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 7 juni 2018, hersteld bij beschikking van 8 augustus 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 6 september 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen van 7 juni 2018 en 8 augustus 2018. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.245.634/01.

2.2

De vader is op 7 september 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen van 7 juni 2018 en 8 augustus 2018. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.245.640/01.

2.3

Het hof heeft partijen bij brief van 21 september 2018 de gelegenheid gegeven te reageren op het voorstel van het hof een bijzondere curator over [kind a] , [kind b] en [kind c] te benoemen om zicht te krijgen op hun belangen en hun te vertegenwoordigen.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de moeder van 5 oktober 2018, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 oktober 2018, ingekomen op dezelfde datum;

- een brief van de zijde van de moeder van 19 oktober 2018, ingekomen op dezelfde datum.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van de vader en de moeder (hierna tezamen ook: de ouders) is op 26 augustus 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 augustus 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [kind a] , [in] 2002 te Amsterdam;

- [kind b] , [in] 2003 te Amsterdam;

- [kind c] , [in] 2008 te Amsterdam.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind a] , [kind b] en [kind c] (hierna tezamen ook: de kinderen). De kinderen verblijven bij de moeder.

3.2

Bij de echtscheidingsbeschikking van 3 augustus 2011 is bepaald dat de regeling die door partijen is overeengekomen in het echtscheidingsconvenant met bijbehorend ouderschapsplan van mei 2011 deel uitmaakt van de beschikking. In artikel 2.4 van het convenant hebben de ouders afspraken over de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen vastgelegd.

In artikel 2 van het ouderschapsplan hebben de ouders vastgelegd dat zij streven naar een gelijkwaardige verdeling van de zorg voor de kinderen en nadere afspraken omtrent de zorgverdeling vastgelegd.

3.3

Eind 2015 hebben partijen na mediation afspraken gemaakt over een (gelijke) verdeling van de vakanties en deze vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking:

- zijn de verzoeken strekkende tot benoeming van een bijzondere curator, betreffende ‘Ouderschap Blijft’, tot wijziging van het gezamenlijk gezag, tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [kind c] en wijziging van de zorgregeling tijdens de zomervakantie afgewezen;

- is de beschikking van 3 augustus 2011 en het daaraan gehechte convenant en ouderschapsplan als volgt gewijzigd:

- wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van de datum van de beschikking uitsluitend de minderjarige [kind c] , eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot en met maandag naar school, alsmede twee weken in de zomervakantie bij de vader verblijft, ten aanzien van de minderjarigen [kind a] en [kind b] zal de rechtbank geen regeling vaststellen;

- bepaalt dat de vader met ingang van 14 december 2017 € 362,- (driehonderd en tweeënzestig euro) per kind per maand voor [kind a] en [kind b] en € 232 (tweehonderd tweeëndertig euro) per maand voor [kind c] zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, bij vooruitbetaling te voldoen aan de moeder.

4.2

De moeder verzoekt in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.245.634/01, met vernietiging van de bestreden beschikking zoverre, opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

primair:

  1. het gezamenlijk gezag van partijen wordt beëindigd en de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen, en

  2. de hoofdverblijfplaats van [kind c] wordt gewijzigd van de vader naar de moeder, en

  3. de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van [kind c] wordt gewijzigd zodanig dat [kind c] van maandagochtend tot en met woensdag en een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader verblijft, en

subsidiair:

i. indien het hof het verzoek van de moeder om met het eenhoofdig gezag over alle kinderen te worden belast afwijst, te bepalen dat het gezamenlijk gezag van partijen over [kind a] wordt beëindigd en de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over [kind a] .

4.3

De vader verzoekt in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.245.640/01, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, en opnieuw rechtdoende:

primair:

i. een bijzondere curator te benoemen die de volgende vragen beantwoordt:

- welk traject zou voor de ouders passend zijn om ervoor te zorgen dat zij hun gezamenlijk ouderschap op een goede manier kunnen vormgeven;

- hoe is de relatie van [kind a] , [kind b] en [kind c] met hun beider ouders;

- wat zijn de wensen van de kinderen ten aanzien van de wijze waarop een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedtaken qua vorm en frequentie zou moeten worden vormgegeven;

- wat zijn de wensen van de kinderen ten aanzien van het contact met elkaar;

- zijn er factoren vanuit [kind a] en/of [kind b] die een regeling met de vader (dan wel de moeder) belemmeren? Zo ja, hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen;

- welke zorgregeling wordt in het belang van [kind a] en [kind b] geacht;

- zijn er nog andere zaken in dit dossier van belang, die aandacht vragen.

subsidiair:

i. ouders te verplichten aan een traject ‘Ouderschap blijft’ dan wel een ander voor partijen geschikt traject mee te werken, om op deze manier op een goede manier voor de kinderen hun ouderschap vorm te geven;

primair en subsidiair:

de zorg- en vakantieregeling voor [kind c] te bepalen overeenkomstig artikel 2 van het ouderschapsplan en de vaststellingsovereenkomst van november/ december 2015;

de zorgregeling voor [kind a] en [kind b] te bepalen op gemiddeld één weekend per veertien dagen, waarbij rekening wordt gehouden met hun wensen en mogelijkheden;

te bepalen dat de vader vanaf 14 december 2017 voor de kosten van de opvoeding en verzorging van [kind a] en [kind b] een bijdrage van € 333,- per kind per maand bij vooruitbetaling aan de moeder dient te voldoen en voor [kind c] een bijdrage van € 25,- per maand.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof heeft de ouders bij brief van 21 september 2018 de gelegenheid gegeven om in afwachting van de verdere behandeling van de zaak te reageren op het voorstel van het hof een bijzondere curator over de kinderen te benoemen om zicht te krijgen op hun belangen, hun te vertegenwoordigen en aan het hof te rapporteren.

5.2

Beide partijen hebben het hof bericht dat zij kunnen instemmen met de benoeming van een bijzondere curator ten behoeve van de kinderen, waarbij de moeder een voorkeur heeft uitgesproken voor de benoeming van mevrouw drs. J.A.M Hendriks. Bij navraag door het hof is gebleken dat mevrouw drs. J.A.M. Hendriks de komende periode verhinderd is. Vervolgens heeft het hof mevrouw J.M. van der Vlugt, klinisch psycholoog/psychotherapeut en mediator te Amsterdam, bereid gevonden om als bijzondere curator voor de kinderen op te treden. Het hof zal thans tot benoeming van laatstgenoemde tot bijzondere curator over de kinderen overgaan. De bijzondere curator zal de kinderen vanaf heden voor de duur van deze procedure bijstaan, ondersteunen en hun in en buiten rechte vertegenwoordigen. De taak van de bijzondere curator is vooreerst te waarborgen dat in de onderhavige procedure de belangen van de kinderen worden behartigd. De bijzondere curator dient onderzoek te verrichten naar wat de kinderen zelf werkelijk belangrijk vinden als het gaat om de zorgregeling, het gezag van de ouders en hun hoofdverblijfplaats en wat ter zake daarvan in hun belang is. De bijzondere curator wordt verzocht van dit onderzoek verslag uit te brengen aan het hof en daarbij de hierna genoemde vragen te beantwoorden. De bijzondere curator wordt verzocht door middel van gesprekken met de kinderen en hun ouders en eventueel andere derden aan deze opdracht te voldoen. De ouders dienen hun medewerking te verlenen aan het verkrijgen van alle door de bijzondere curator relevant geachte informatie.

5.3

Het hof ziet tevens aanleiding een raadsheer-commissaris te benoemen, met wie de bijzondere curator zich, indien daartoe aanleiding is, kan verstaan omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek.

5.4

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

- benoemt, alvorens verder te beslissen, met ingang van heden tot bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek over de minderjarigen [A] , [B] en [C] :

Mevrouw J.M. van der Vlugt,

kantoorhoudende aan het Watervalplein 450,

1051 PP Amsterdam,

- verzoekt de bijzondere curator verslag uit te brengen ten aanzien van de volgende vragen, met inachtneming van hetgeen daarover is overwogen in rechtsoverweging 5.2:

- Hoe is de relatie van [kind a] , [kind b] en [kind c] met hun beider ouders?

- Zijn er factoren vanuit [kind a] en/of [kind b] die het contact met de vader (dan wel de moeder) belemmeren? Zo ja, welke zijn dat en hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?

- Wat zijn de wensen van alle drie de kinderen ten aanzien van de wijze waarop een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedtaken qua vorm en frequentie zou moeten worden vormgegeven? Komen de wensen van de kinderen overeen met wat in hun belang is?

- Indien u vastlegging van een zorgregeling in het belang van de kinderen vindt: Welke zorgregeling acht u qua vorm en frequentie, het meest in het belang van [kind a] , [kind b] en [kind c] ?

- In hoeverre is op basis van uw bevindingen een wijziging in het ouderlijk gezag van de ouders over [kind a] , [kind b] en [kind c] in het belang van de kinderen te achten?

- In hoeverre is op basis van uw bevindingen een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [kind c] in haar belang te achten?

- Is hulpverlening aan de ouders en/of aan de kinderen passend en/of noodzakelijk en zo ja, welke hulpverlening?

- Welke andere bevindingen volgen uit het onderzoek die relevant zijn voor de te nemen beslissing ten aanzien van de zorgverdeling tussen de ouders, het gezag over de kinderen en de hoofdverblijfplaats van [kind c] ?

- verzoekt de bijzondere curator het verslag uiterlijk één week voor de hierna te noemen pro forma datum aan het hof en aan partijen toe te sturen;

- benoemt tot raadsheer-commissaris mr. M.F.G.H. Beckers, met wie de bijzondere curator zich, indien daartoe aanleiding is, omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek kan verstaan;

- bepaalt dat de griffier van het hof binnen een week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator ter beschikking zal stellen;

- houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zondag 17 februari 2019, waarna bepaald zal worden op welke wijze behandeling van de zaak zal worden voortgezet;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. A.V.T. de Bie en mr. M.C. Schenkeveld, bijgestaan door mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier en is op 20 november 2018 in het openbaar uitgesproken door de jongste raadsheer.