Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4281

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
04-12-2018
Zaaknummer
200.243.281/01 en 200.243.281/02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:4215
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging uhp. Moeder werkt niet mee aan onderzoek, houdt situatie in stand, voorwaarden uhp aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.243.281/01 en 200.243.281/02

zaaknummer rechtbank: C/15/273339 / JU RK 18-772

beschikking van de meervoudige kamer van 20 november 2018 inzake

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J.R. Roethof te Arnhem,

en

de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn tevens aangemerkt:

  • -

    [Y] (hierna te noemen: de vader), bijgestaan door mr. M. van Espen;

  • -

    [A] (hierna te noemen: [kind a] );

  • -

    [B] (hierna te noemen: [kind b] );

  • -

    [C] (hierna te noemen: [kind c] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna: de kinderrechter) van 22 mei 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 26 juli 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 mei 2018. Het beroepschrift van de moeder bevat tevens een verzoek om schorsing van de werking van de bestreden beschikking.

2.2

De vader heeft op 14 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

De GI heeft op 22 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een faxbericht van de zijde van de moeder met bijlagen, ingekomen op 28 augustus 2018;

- een nadere stukken van de zijde van de GI, ingekomen op 4 september 2018.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 6 september 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door twee gezinsmanagers;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

Van deze behandeling is proces verbaal opgemaakt. Ter zitting is de GI verzocht het hof te informeren over de uitkomst van de intake bij Beilen en de gevolgen hiervan voor de - termijn van de - uithuisplaatsing van de kinderen dan wel over de mogelijke alternatieven voor het geval Beilen geen doorgang vindt. De moeder en de vader is de gelegenheid geboden hierop te reageren.

2.6

Na de mondelinge behandeling zijn vervolgens bij het hof ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 27 september 2018, ingekomen op 27 september 2018;

- een brief van de zijde van de GI van 1 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 2 oktober 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 15 oktober 2018, ingekomen op 15 oktober 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 22 oktober 2018, ingekomen op 22 oktober 2018.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [kind a] , [in] 2010 te [geboorteplaats] ;

- [kind b] , [in] 2013 te [geboorteplaats] ;

- [kind c] , [in] 2014 te [geboorteplaats] .

[kind a] , [kind b] en [kind c] worden hierna gezamenlijk de kinderen genoemd. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. [kind a] en [kind b] verblijven thans bij een pleeggezin. [kind c] verblijft bij haar oom en tante vaderszijde.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 22 februari 2018 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI tot 22 mei 2018 en is een machtiging uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken. Bij beschikking van de kinderrechter van 6 maart 2018 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 6 maart 2019 en is een machtiging uithuisplaatsing in een crisisopvang/pleeggezin verleend tot 22 mei 2018.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 6 maart 2019, toegewezen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de GI af te wijzen en te bepalen dat de kinderen bij de moeder worden geplaatst (zaak 200.243.281/01). Daarnaast verzoekt zij de werking van de bestreden beschikking te schorsen (zaak 200.243.281/02).

4.3

De GI verzoekt het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De vader verzoekt de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

in zaak 200.243.281/01

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op verzoek van de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter, krachtens artikel 1:265c, tweede lid, BW de duur hiervan telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of de gronden voor verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in de onderhavige zaak aanwezig waren ten tijde van het geven van de bestreden beschikking en of dit ook thans nog het geval is.

5.2

De moeder stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is onderzocht of zij door middel van een ondertoezichtstelling zelf voor de kinderen kan zorgen. De moeder heeft zich, conform de aanwijzingen van de GI, aangemeld voor de gezinsopname te Beilen, maar dit kan pas starten als de moeder een eigen woning toegewezen heeft gekregen. De moeder heeft urgentie aangevraagd, maar op dit moment is nog onduidelijk op welke termijn een woning beschikbaar komt. Momenteel verblijft zij bij haar moeder (hierna: oma (mz)), waar voldoende ruimte en tijd is om de kinderen op te vangen. Niet is onderzocht of een verblijf bij oma (mz) tot belemmeringen kan leiden voor het welbevinden van de kinderen. Er is voldoende begeleiding en oog voor de gezondheid van oma (mz) vanuit de thuisbegeleiding en de GGZ, waardoor dit niet ten koste zal gaan van de aandacht van de moeder voor de kinderen. De moeder heeft het beste voor met haar kinderen en werkt hard aan zichzelf.

[kind a] en [kind b] hebben, net als de vader, de ziekte van Marfan. De moeder is bekend met de hulpvraag en kan, nu zij de zorg voor de vader niet meer hoeft te dragen, haar volledige aandacht op de kinderen richten. De moeder wenst met klem betrokken te worden bij de ziekenhuisbezoeken, maar merkt dat de afspraken in het ziekenhuis niet goed verlopen en dat niet goed met haar en andere betrokkenen wordt gecommuniceerd.

Ter adstructie van haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking heeft de moeder tot slot aangevoerd dat zij en de kinderen baat hebben bij beëindiging van de uithuisplaatsing en dat daarom hun belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang om de bestreden beschikking wel (langer) ten uitvoer te leggen.

5.3

Volgens de GI is gedurende de ondertoezichtstelling weliswaar geen onderzoek gedaan naar de opvoedmogelijkheden van de moeder, maar is wel actief gepoogd om de moeder aan te zetten tot gezinsopname in Beilen. De intake bij Beilen is door de moeder tweemaal afgezegd. De huidige woonsituatie van de moeder leidt bovendien niet ertoe dat zij zelfstandig kan zorgen voor de kinderen. De GI wijst op de psychiatrische gesteldheid van oma (mz); vanwege haar schizofrenie zou een verblijf van de kinderen in de woning van oma (mz) belastend kunnen zijn.

Op 17 september 2018 heeft alsnog de intake bij Beilen plaatsgevonden. De GI heeft naar aanleiding van deze intake het hof bericht, dat bij de intake is gesproken over de mogelijkheid dat de kinderen eventueel toch bij de moeder konden verblijven, maar dat dit niet haalbaar is gebleken vanwege de veiligheidsrisico’s. Er zijn zorgen over het netwerk en de relatie van de moeder met haar nieuwe vriend, en welke gevolgen dit heeft voor de veiligheid van de moeder en haar kinderen. De moeder is steeds wisselend in haar houding tot samenwerken en er zijn zorgen over de manier waarop zij zich opstelt naar betrokkenen en de hulpverlening. Daarbij wordt regelmatig gezien dat de moeder zelf de regie voert door afspraken af te zeggen en situaties af te dwingen, zoals de voorwaarden rondom de bezoeken, aldus de GI.

5.4

De vader voert aan dat de moeder niet achter het traject in Beilen staat omdat ze het te ver vindt. De moeder is niet in staat om voor de kinderen te zorgen, daar zij op dit moment geen eigen woning heeft. De oma (mz) heeft eigen problematiek, waardoor het verblijf bij haar geen goede omgeving voor de kinderen vormt. Daarbij is de woning te klein en hebben de moeder en oma (mz) diverse conflicten. De echtelijke woning was geen optie, aangezien deze aan de vader is toegewezen vanwege zijn fysieke beperkingen. De vader is van mening dat de kinderen in de toekomst weer bij de moeder moeten gaan wonen, zodra bekeken is of de moeder geschikt is als opvoeder. Tot die tijd is de vader het eens met de uithuisplaatsing. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad dient te worden afgewezen, nu dit niet in het belang van de kinderen is.

5.5

De raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen en zo spoedig mogelijk een onderzoekstraject bij Beilen dan wel een ander traject in gang te zetten.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Reeds sinds 2010 is hulpverlening bij het gezin betrokken. Tussen 2011 en 2017 zijn diverse meldingen gedaan van overlast en vervuiling van de woning. De kinderen werden blootgesteld aan verbaal geweld door de vader en zagen er regelmatig onverzorgd uit. Zij vertoonden angstig en hyperalert gedrag alsmede verschillende ontwikkelingsproblemen. [kind a] heeft een verstandelijke beperking, autisme, ADHD en de ziekte van Marfan. Hij heeft hiervoor speltherapie ontvangen bij Parlan en zit op het Speciaal Basisonderwijs. Ook [kind b] heeft de ziekte van Marfan en vertoonde daarnaast zeer angstig gedrag en had last van faalangst. [kind c] had een spraak/taalachterstand en is hiervoor op een voor- en vroegschoolse educatie geplaatst.

De moeder is verstandelijk beperkt en heeft zelf een belast verleden met negatieve ervaringen in tehuizen en de jeugdhulpverlening. De vader heeft eveneens de ziekte van Marfan, waardoor hij aan een rolstoel is gebonden. Daarnaast heeft hij een autisme spectrum stoornis en heeft hij moeite met zijn emotieregulatie. In september 2014 zijn [kind a] en [kind b] in het vrijwillig kader een maand uit huis geplaatst toen de moeder de opvoeding, alleen en hoogzwanger van [kind c] , niet meer aankon. Na verdere intensieve hulpverlening van Loek, heeft deze in december 2017 aangegeven de hulpverlening te stoppen, omdat zij de veiligheid van het gezin niet langer kon waarborgen. Gezin Omlijnd heeft de hulpverlening overgenomen en heeft het gezin 14-16 uur per week ondersteund. Na het verlenen van de machtiging uithuisplaatsing in maart 2018 zijn de kinderen aanvankelijk bij de oom en tante geplaatst. Op 20 juli 2018 zijn [kind b] en [kind a] verplaatst naar hun huidige pleeggezin. Hier laten ze een positieve ontwikkeling zien. Ook met [kind c] gaat het goed. Tussen de vader en de kinderen vindt eens in de 2 weken 2 uur omgang plaats. Met de moeder vindt eveneens eens in de 2 weken gedurende 2 uur omgang plaats.

5.7

Ter zitting in hoger beroep is aan de orde gesteld dat de moeder graag haar opvoedcapaciteiten onderzocht zou hebben door een onafhankelijke instantie. In dit kader heeft de GI de moeder aangemeld bij Beilen voor een gezinsopname. Op 17 september 2018 heeft de intake plaatsgevonden. Een van de vereisten voor een gezinsopname is dat de moeder een eigen woning heeft waar zij uiteindelijk eventueel met de kinderen kan wonen. Nu zij momenteel bij oma (mz) woont, vormt dit een belemmering voor opname, omdat er twijfels zijn over de geschiktheid van het huis van oma (mz) en de veiligheid van de kinderen bij oma (mz) vanwege haar psychiatrische achtergrond. Uit de nagezonden stukken naar aanleiding van de intake bij Beilen volgt dat de moeder met een gezinsopname kan starten, mits zij zich alleen met haar kinderen wil laten opnemen, dus zonder haar vriend, en dat de moeder heeft aangegeven hoe dan ook na de opname bij haar nieuwe vriend te gaan wonen. Dit is voor Beilen reden geweest om op dit moment niet met de moeder een gezinsopname te willen starten. Er worden teveel risico’s gezien voor een gezinsopname met de vriend van de moeder. De veiligheid in de behandelcontext is op dit moment niet op orde rondom het gezin, vanwege onder andere agressie en bedreigingen richting de vader, het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats, drugsgebruik en medicatiegebruik. Door de GI zijn ter zitting in hoger beroep reeds zorgen geuit over de partnerkeuze van de moeder en de veiligheid van de kinderen in dit kader.

5.8

Uit het vorenstaande valt af te leiden dat de kinderen een zeer belast verleden hebben en zorgelijk gedrag vertonen. Zij hebben behoefte aan structuur, rust en een omgeving waarin zij zich leeftijdsadequaat kunnen ontwikkelen. Bij hun huidige pleeggezinnen lijken zij dit gevonden te hebben. Tegelijkertijd loopt de ondersteuning aan het gezin al geruime tijd en lijkt zelfs intensieve hulpverlening niet genoeg om de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen in de thuissituatie weg te nemen. Daarnaast beschikt de moeder op dit moment niet over een geschikte woning waar zij met de kinderen kan wonen en waar de kinderen veilig kunnen opgroeien, en is thans niet duidelijk of zij in staat is om de verantwoordelijkheid over de kinderen op termijn weer te dragen. Een onderzoek naar de opvoedcapaciteiten van de moeder door middel van een gezinsopname bij Beilen is door toedoen van de moeder op dit moment geen begaanbare weg gebleken. De moeder weigert haar relatie met haar vriend te verbreken en is, ondanks alle bezwaren daartegen met het oog op de belangen van de kinderen, voornemens om bij haar vriend te gaan wonen. Aldus toont de moeder weinig inzicht in hetgeen de kinderen nodig hebben en wat van haar daarbij wordt verwacht. Het gevolg daarvan is dat zij zo voor zichzelf een situatie in stand houdt, waarbij een opname bij Beilen niet mogelijk is en het door haar gewenste onderzoek van haar capaciteiten niet kan worden verricht.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de veiligheid van de kinderen bij de moeder onvoldoende gewaarborgd kan worden en dat de uithuisplaatsing daarom noodzakelijk was ten tijde van het geven van de bestreden beschikking en ook thans nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

in zaak 200.243.281/02

5.9

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en wordt beslist in de zaak met kenmerk 200.243.281/01 heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

5.10

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in de zaak 200.243.281/01

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in de zaak 200.243.281/02

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.R. Sturhoofd en mr. T.A.M. Tijhuis, in tegenwoordigheid van mr. J. Stein als griffier, en is op 20 november 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.