Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4271

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
04-12-2018
Zaaknummer
200.220.845/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:5045, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Wijziging van omstandigheden. De vrouw heeft niet langer aanvullende behoefte. Terugbetalingsverplichting. Omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.220.845/ 01

zaak- en rekestnummer rechtbank: C/15/248371 / FA RK 16-5458

beschikking van de meervoudige kamer van 20 november 2018 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. O. Huisman te Den Haag,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. T.A. Bruins te Aerdenhout.

Als overige belanghebbende is aangemerkt de minderjarige [X] (hierna: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 21 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 8 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 juni 2017.

2.2.

De man heeft op 27 september 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de vrouw van 9 april 2018 met bijlagen, ingekomen op 10 april 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 16 april 2018 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 18 april 2018 met een bijlage, ingekomen op 20 april 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 april 2018 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- een brief van de zijde van de vrouw van 19 april 2018 met bijlagen, ingekomen op 20 april 2018.

2.4.

[de minderjarige] heeft bij brief van 10 februari 2018, ingekomen ter griffie van dit hof op 15 februari 2018, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek inzake de omgangsregeling.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 26 april 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van mevrouw H.M. Sittig, tolk Spaans;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- namens de raad: mevrouw S. Spook.

De advocaten van beide partijen hebben ter zitting ieder pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn [in] 1999 met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is op 23 maart 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 november 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit de man en mevrouw [Y] is [de minderjarige] geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] (Colombia). De man heeft het gezag over [de minderjarige] .

3.2.

Bij beschikking van dit hof van 12 juli 2011 is bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud dient te voldoen van € 545,- per maand. Voorts is daarbij een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vrouw vastgesteld aldus dat, voor zover thans van belang, de vrouw [de minderjarige] bij zich heeft eens per twee weken van zaterdag na voetbal tot zondag 19:00 uur; op haar verjaardag van 9:00 uur tot 19:00 uur en op de verjaardag van [de minderjarige] om het jaar van 9:00 uur tot 19:00 uur; in de zomervakantie gedurende twee weken, daarna een week niet en daarna gedurende één week; gedurende de helft van de kerstvakantie, waarbij zowel de man als de vrouw hem ieder één kerstdag bij zich heeft; om het jaar van 31 december 9:00 uur tot 1 januari 12:00 uur; gedurende de helft van de meivakantie; en het ene jaar gedurende de hele herfstvakantie en het andere jaar gedurende de hele voorjaarsvakantie.

3.3.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de man, met wijziging van de beschikking van 12 juli 2011, de partneralimentatie op nihil gesteld met ingang van 13 september 2016. Het verzoek van de vrouw om de partneralimentatie te bepalen op € 2.760,- bruto per maand, althans op een bedrag hoger dan € 578,- bruto per maand, is daarbij afgewezen. Voorts is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek de man te veroordelen tot nakoming van de bij beschikking van 12 juli 2011 vastgestelde omgangsregeling op straffe van een dwangsom.

4.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, - naar het hof begrijpt - het inleidend verzoek van de man af te wijzen en, met wijziging van de beschikking van het hof van 12 juli 2011, te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 6 oktober 2016 een uitkering tot levensonderhoud dient te voldoen van € 2.760,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag hoger dan € 578,48 bruto per maand, met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum. Voorts verzoekt zij de man te veroordelen de bij beschikking van 12 juli 2011 vastgestelde omgangsregeling na te komen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) voor iedere dag dat de man zijn medewerking daaraan niet verleent, althans een door het hof in goede justitie te bepalen dwangsom.

4.3.

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en te bepalen dat de vrouw hetgeen zij teveel aan partneralimentatie heeft ontvangen, binnen vier weken na de datum van de beschikking aan de man dient terug te betalen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Tussen partijen is in geschil de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin dat de vrouw sinds 13 september 2016 in staat is of moet worden geacht zelf (volledig) in haar behoefte te voorzien, zoals de man stelt, dan wel in die zin dat de vrouw niet langer in staat kan worden geacht (gedeeltelijk) in haar behoefte te voorzien, zoals de vrouw stelt. In geschil is ook of daaruit een terugbetalingsverplichting van de vrouw aan de man voortvloeit.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat bij de beschikking van het hof van 11 juli 2012 de behoefte van de vrouw is bepaald op € 1.802,- netto per maand ofwel € 2.600,- bruto per maand, derhalve thans afgerond € 2.760,- bruto per maand. In aanmerking genomen dat de vrouw in staat moet worden geacht € 1.500,- bruto per maand te verdienen en voorts gelet op de draagkracht van de man, heeft het hof toentertijd de door de man te betalen partneralimentatie op € 545,- per maand bepaald.

5.2.

Daarnaast is in geschil of een dwangsom dient te worden verbonden aan de nakoming door de man van de bij beschikking van 12 juli 2011 vastgestelde omgangsregeling. Het hof zal deze punten achtereenvolgens bespreken.

Partneralimentatie

5.3.

De vrouw stelt zich op het standpunt – kort samengevat - dat de rechtbank ten onrechte de door de man aan haar te betalen partneralimentatie op nihil heeft gesteld (grieven 1 en 2). Volgens de vrouw dient de door de man aan haar te betalen partneralimentatie op € 2.760,- per maand te worden bepaald, aangezien zij per 1 januari 2013 werkeloos is geraakt, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2015 een WW-uitkering heeft ontvangen en zij sindsdien geen eigen inkomsten meer heeft. De vrouw betwist dat zij inkomsten heeft vanwege werkzaamheden in de prostitutie. Zij bestrijdt dat zij op sekssites diensten aanbiedt en op die manier extra inkomsten genereert. Uit de door de man in het geding gebrachte rapporten van 17 februari 2017 van de heer [A] van [A] Recherche en Incasso (hierna: het rapport van [A] ) en van 14 april 2017 van TSN detectives/organisatieadviseurs/juridisch adviseurs (hierna: het rapport van TSN) kan dit niet worden afgeleid. De vrouw en/of haar auto is herhaaldelijk gezien op de parkeerplaats in de buurt van de [straat] 101 te [plaats] , aangezien zij haar auto daar parkeerde om te kunnen winkelen en om haar vriendin op te zoeken. De vrouw heeft haar inkomsten en uitgaven voldoende toegelicht. De man heeft de vrouw in het kader van overbedeling na de echtscheiding € 85.797,- betaald. Zij heeft jarenlang op dat vermogen ingeteerd, aldus de vrouw.

5.4.

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht met ingang van 13 september 2016 de partneralimentatie op nihil heeft gesteld, en voert daartoe het volgende aan. De vrouw kan in haar eigen levensonderhoud voorzien nu zij werkzaam is als prostituee. De man en de vrouw hebben elkaar leren kennen toen de vrouw werkzaam was als prostituee. Sinds de echtscheiding is zij wederom in de prostitutie is gaan werken. De man verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar de door hem in het geding gebrachte rapporten van [A] en TSN. De vrouw en/of haar auto is herhaaldelijk gezien op de parkeerplaats bij de woning op de [straat] 101 in [plaats] . Verschillende keren is gezien dat de vrouw die woning heeft betreden. Geconstateerd is dat verschillende mannen die woning ingingen en deze enige tijd later weer verlieten. De vrouw is zichtbaar op foto’s als aanbieder op verschillende datingsites, waarop ook inboedelgoederen uit de voormalige echtelijke woning zichtbaar zijn. Ten slotte komen de uitgaven van de vrouw niet overeen met de door haar gestelde inkomsten en heeft zij voor dat verschil onvoldoende verklaring gegeven, aldus de man.

5.5.

Het hof overweegt als volgt.

5.5.1.

Uit het rapport van [A] van 17 februari 2017 volgt dat de heer [A] ten behoeve van zijn onderzoek gebruik heeft gemaakt van foto’s ontvangen van de man waarop de vrouw staat, en foto’s waarop het gezicht onherkenbaar is gemaakt maar waarvan de man zeker weet dat die van zijn ex-vrouw zijn. Dat dit oude(re) foto’s zouden zijn doet hieraan niet af nu niet gesteld of gebleken is dat het geen gelijkende foto’s zijn. Anders dan de vrouw stelt, heeft de man ook niet het vermoeden maar is hij er blijkens het rapport zeker van dat het gaat om foto’s waarop de vrouw, zijn ex-partner, te zien is en gaat het niet alleen om herkenning van contouren maar om herkenning van lichaam, postuur en bijbehorende kenmerken. Uit het rapport van [A] blijkt voorts onder meer dat [A] op 30 november 2016 op een sekssite een advertentie heeft gezien van [naam] met een - in zijn optiek naar het hof begrijpt - op de vrouw gelijkende foto. Hij heeft contact gezocht met dat nummer uit de advertentie voor het maken van een afspraak en is vervolgens middels sms-berichten met de tekst “ [straat] [naam] ” en later “ [plaats] ” voor een afspraak op 1 december 2016 naar het betreffende adres in [plaats] gegaan. Vervolgens heeft hij niet meer vernomen. Op dat moment stond de auto van de vrouw waarvan hij de gegevens van de man had ontvangen, geparkeerd op een parkeerplaats nabij de [straat] . Op 22 december 2016 rond 11:00 uur zag hij de vrouw de parkeerplaats nabij de [straat] 101 in [plaats] in haar auto oprijden en heeft hij gezien dat zij de woning aan de [straat] 101 heeft betreden. Het rapport van [A] bevat tevens een aantal foto’s van sekssites (bijlage 5), waarop de vrouw volgens [A] duidelijk herkenbaar is.

Uit het rapport van TSN, die in de periode van 4 januari 2017 tot en met 4 april 2017 onderzoek heeft gedaan, blijkt onder meer dat de auto van de vrouw op 4, 5, 17 januari, 2, 6, 9, 29 februari, 3, 13, 22 maart en op 3 en 4 april 2017 is aangetroffen op een parkeerplaats bij de [straat] in [plaats] . Op 29 februari 2017 is de vrouw achter het stuur van haar auto gezien en op 13 maart en 4 april 2017 is gezien dat de vrouw zich begaf naar de [straat] 101. Daarnaast is waargenomen dat op 4, 9, 10, 12 en 17 januari, 6 en 9 februari, 13 en 22 maart en op 3 april 2017 mannen met verschillend gelaat en postuur de woning zijn ingegaan. Ten aanzien van een aantal van hen is waargenomen dat zij na een half uur tot een uur de woning weer verlieten.

5.5.2.

De vrouw heeft niet betwist dat zij in het verleden als prostituee heeft gewerkt, dat de heer [A] via een sekssite naar de woning aan de [straat] 101 is geleid, dat zij in de periode van november 2016 tot april 2017 veelvuldig haar auto heeft geparkeerd op een parkeerterrein gelegen nabij de [straat] 101, dat zij herhaaldelijk de woning aan de [straat] 101 is ingegaan, en dat er herhaaldelijk op dat adres mannen met verschillend postuur en gelaat die woning zijn ingegaan, waarvan een aantal na enige tijd de woning heeft verlaten. Het hof is van oordeel dat de vrouw daarvoor onvoldoende verklaring heeft gegeven, terwijl uit voormelde gegevens in onderling verband gezien en ook in verband met andere sekssites waarop dezelfde foto’s zijn aangetroffen voldoende kan worden afgeleid dat de vrouw werkzaam is als prostituee. De enkele ontkenning van de vrouw op de foto’s te staan doet niet af aan de observaties van [A] dat hij haar aan de hand van de van de man ontvangen foto’s heeft herkend, gezien en gefotografeerd. Ook het hof heeft gelijkenis gezien tussen de vrouw enerzijds en de vrouw op de foto’s anderzijds, in het bijzonder de foto’s in bijlage 5 waarop het gezicht van de vrouw en profil is afgebeeld respectievelijk waarop de vrouw liggend van bovenaf is gefotografeerd. Dat de profielgegevens zoals leeftijd niet geheel zouden overeenkomen met de werkelijke gegevens, acht het hof van ondergeschikt belang. Niet uit te sluiten valt dat profielgegevens opzettelijk rooskleuriger zijn voorgesteld, zoals in het algemeen vaker het geval pleegt te zijn.

5.5.3.

De omstandigheid dat de parkeerplaats is gelegen naast een winkelgebied en dat op die parkeerplaats gratis geparkeerd kan worden, zoals blijkt uit de door de vrouw op 10 april 2018 in het geding gebrachte stukken, biedt onvoldoende verklaring voor de aanwezigheid van de vrouw op de [straat] 101 te [plaats] en de aanwezigheid almede het in een aantal gevallen geconstateerde kortdurende verblijf van verschillende mannen aldaar. De omstandigheid dat de woning is verhuurd aan [stichting] , zoals blijkt uit een e-mailbericht van 18 april 2018 van de heer [B] (productie 18 van de vrouw in hoger beroep), doet daaraan niet af, nu uit dat bericht niet blijkt op welke wijze en met welk doel de woning door [stichting] wordt gebruikt, zodat gebruik door de vrouw van die woning niet is uitgesloten. De omstandigheid dat naast de woning een naambordje hangt met de naam ‘ [C] ’ en dat de woning de bestemming zou hebben ‘wonen’, maakt het voorgaande evenmin anders om dezelfde reden. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw nog aangevoerd dat zij een vriendin bezoekt op het genoemde adres, te weten [D] , en dat zij daar vaak in de buurt winkelt. De vrouw heeft voorts verklaard dat zij haar vrienden, waaronder [D] , niet om een schriftelijke verklaring heeft willen vragen. De vrouw heeft ook geen enkele aankoop bon in het geding gebracht van zaken die zij tijdens het winkelen zou hebben gekocht. De vrouw heeft miskend dat, nu de man zijn stelling genoegzaam heeft onderbouwd, het op haar weg lag die stelling gemotiveerd te betwisten. Dat zij dat om haar moverende redenen niet heeft gedaan, komt voor haar risico.

5.5.4.

Tevens is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat de uitgaven van de vrouw niet overeenkomen met de door haar gestelde inkomsten en (intering op haar) vermogen. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat zij in het jaar 2015 in totaal een bedrag van € 752,- aan WW-uitkering heeft ontvangen en 12 x een bedrag van € 571,06 bruto aan partneralimentatie. Daarnaast heeft zij € 1.029,- opgenomen middels haar Credit Card. De vrouw stelt dat zij in dat jaar van een bedrag van in totaal € 14.489,- netto heeft geleefd. Zij stelt voorts dat zij in het jaar 2016 heeft geleefd van uitsluitend partneralimentatie, zoals blijkt uit de door haar als productie 10 in het geding gebrachte aanslag inkomstenbelasting en de toelichting daarop. De man stelt dat niet aannemelijk is dat de vrouw van de genoemde bedragen heeft kunnen rondkomen, nu de huurprijs van haar woning afgerond € 750,- per maand bedroeg en nu de vrouw – gezien het huurcontract – daarnaast nog servicekosten en kosten van gas, water en elektriciteit moest betalen, alsmede gezien haar eigen stelling dat zij maandelijks € 1.946,- kwijt is aan kosten voor levensonderhoud, waarin blijkens de door haar overgelegde behoeftelijst niet zijn begrepen kosten vakanties, uiterlijke verzorging, kleding, schoeisel, cadeaus etcetera. De man heeft daarnaast gewezen op de discrepanties tussen de stellingen van de vrouw en de onderbouwing daarvan. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw deze stellingen van de man onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd betwist, wat wel op haar weg had gelegen. In elk geval heeft zij onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat haar daadwerkelijke uitgaven zijn geweest door middel van overlegging van bankafschriften. Nu de vrouw bovendien zelf de stelling heeft ingenomen dat haar behoefte afgerond € 2.760,- bruto per maand bedraagt, acht het hof voldoende aannemelijk dat de vrouw over meer inkomsten beschikt dan zij stelt.

5.5.3.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw inkomsten ontvangt uit werkzaamheden in de prostitutie. Daarmee is sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, zodat wijziging van de vastgestelde partneralimentatie gerechtvaardigd is. Het hof dient daarom met ingang van de datum van het inleidend verzoekschrift van de man, vanaf welke datum de vrouw rekening diende te houden met een wijziging van het bedrag aan partneralimentatie, de (aanvullende) behoefte van de vrouw opnieuw vast te stellen. Het is aan de vrouw om deze (aanvullende) behoefte genoegzaam te onderbouwen en daartoe voldoende toereikende financiële gegevens te verschaffen. Geconstateerd moet worden dat de vrouw dit heeft nagelaten. De conclusie kan daarom geen andere zijn dan dat de vrouw in staat is in zelf volledig in haar behoefte te voorzien en dus geen voor partneralimentatie relevante (aanvullende) behoefte heeft.

De rechtbank heeft de door de man te betalen partneralimentatie daarom terecht met ingang van 13 september 2016 op nihil gesteld. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

5.6.

De vrouw stelt in grief 3 dat de rechtbank ten onrechte ervan uit is gegaan dat de vrouw ook na 12 mei 2017 inkomsten ontvangt uit prostitutie. Zij is niet (langer) bereid werkzaam te zijn als prostituee en kan daartoe niet gedwongen worden. Dat is in strijd met het in de Grondwet verankerde beginsel van onaantastbaarheid van het lichaam, aldus de vrouw.

Het hof stelt voorop op dat van dwang tot prostitutie geen sprake is. Het hof heeft, zoals hiervoor is overwogen, aannemelijk geacht dat de vrouw inkomsten uit werkzaamheden in de prostitutie heeft en is er bij gebrek aan toereikende gegevens van de vrouw vanuit gegaan dat de vrouw daarmee zelf in haar behoefte kan voorzien. Het ligt op de weg van de vrouw te onderbouwen dat zij met ingang van 12 mei 2017 weer (aanvullende) behoefte heeft doordat zij de betreffende werkzaamheden niet meer verricht. Geoordeeld moet worden dat zij dat heeft nagelaten, temeer nu zij tegenover de gemotiveerde stellingen van de man onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat gedurende de afgelopen jaren haar daadwerkelijke uitgaven zijn geweest door middel van overlegging van bijvoorbeeld bankafschriften. Zij zou nu enkel nog beschikken over een IOAW-uitkering, maar kennelijk wel dezelfde lasten hebben. Dit acht het hof zonder nadere onderbouwing niet overtuigend.

Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw haar stelling, die erop neerkomt dat zij haar werkzaamheden als prostituee per 12 mei 2017 heeft beëindigd, onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan. Dat de gemeente aan haar sinds 12 december 2017 een IOAW uitkering heeft verstrekt, maakt het voorgaande niet anders. Immers, gelet op het vorenstaande kan niet worden uitgesloten dat zij, evenals in de onderhavige procedure, ook jegens de uitkeringsinstantie, de gemeente en/of de Belastingdienst heeft verzuimd de noodzakelijke informatie over haar werkelijke inkomsten te verstrekken.

5.7.

Uit het voorgaande volgt tevens dat het verzoek van de vrouw om verhoging van de partneralimentatie niet toewijsbaar is. Het verzoek op dit punt zal worden afgewezen.

Terugbetalingsverplichting

5.8.

Grief 4 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd dat zij tot terugbetaling overgaat van hetgeen aan haar op basis van de bestreden beschikking teveel is betaald. De vrouw dient € 5.495,- aan de man terug te betalen. Haar banksaldo bedroeg per 1 augustus 2017 € 3.011,-. Ten onrechte heeft de rechtbank die omstandigheden niet in haar oordeel betrokken, aldus de vrouw.

De man stelt dat de vrouw het teveel betaalde dient terug te betalen, nu hetgeen zij sinds 13 september 2016 aan alimentatie heeft ontvangen, boven haar behoefte is uitgestegen.

5.9.

Het hof overweegt als volgt. In het algemeen geldt dat van de bevoegdheid om met terugwerkende kracht een wijziging aan te brengen in een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage met behoedzaamheid gebruik moet worden gemaakt, met name als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van het teveel betaalde.

Bij de beoordeling van de vraag of, en zo ja, in hoeverre de verplichting in het onderhavige geval van de vrouw tot terugbetaling van het teveel betaalde aan de man in redelijkheid kan worden aanvaard, is volgens vaste rechtspraak onder meer van belang de omvang van de betalingsverplichting, hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, in hoeverre de betaalde bedragen reeds zijn verbruikt en of de betaalde bedragen in overeenstemming waren met de behoefte, alsmede het belang van de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van het door hem teveel betaalde.

Laatstgenoemd belang van de man is evident, mede gelet op de omvang van het door hem teveel betaalde bedrag. Door het ontbreken van toereikende financiële gegevens van de vrouw heeft het hof, zoals overwogen, de (aanvullende) behoefte van de vrouw niet kunnen vaststellen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zij die niet heeft. Dat betekent dat het teveel betaalde niet geacht kan worden te zijn verbruikt, zodat dit door de vrouw dient te worden terugbetaald. Zij moet, bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, geacht worden in een dusdanige financiële situatie te verkeren dat zij tot terugbetaling in staat is. De omstandigheid dat zij een IOAW uitkering van afgerond € 932,- per maand ontvangt, maakt het voorgaande in de gegeven omstandigheden niet anders. Het hof verwijst naar hetgeen daaromtrent hiervoor is overwogen.

5.10.

Gelet op het voorgaande is het verzoek van de man tot terugbetaling van de teveel betaalde partneralimentatie binnen vier weken na – het hof begrijpt – betekening van deze beschikking aan de vrouw, toewijsbaar. Daaraan doet niet af dat het hier in wezen een incidenteel hoger beroep betreft, nu het betreffende verzoek rechtstreeks voortvloeit uit hetgeen de vrouw in hoger beroep naar voren heeft gebracht en haar verweer op dat verzoek in de grieven en de toelichting daarop, ook ter zitting, ligt besloten.

Omgangsregeling

5.11.

Grief 5 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek de man te veroordelen tot naleving van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom. Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn formele verweer op dit punt prijs gegeven. Het hof is van oordeel dat er voldoende connexiteit is tussen het verzoek met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie en het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] , temeer nu bij de beschikking van het hof van 12 juli 2011, waarvan in de onderhavige procedure wijziging wordt verzocht, op deze beide punten is beslist. Grief 5 slaagt dus. De vrouw is ontvankelijk in haar verzoek.

5.12.

De vrouw stelt dat nu de vastgestelde omgangsregeling niet wordt nagekomen, een dwangsom dient te worden opgelegd, en voert daartoe het volgende aan. Sinds de vrouw in de zomervakantie van 2015 de omgang met [de minderjarige] plotseling heeft moeten afzeggen omdat zij wegens ziekte van haar moeder naar Colombia wilde vertrekken, heeft de man de omgangsregeling niet meer naar behoren nageleefd. De man frustreert sindsdien de omgang tussen haar en [de minderjarige] . De vrouw heeft af en toe contact met [de minderjarige] buiten de man om. De vrouw wenst dat de omgangsregeling weer wordt nageleefd.

5.13.

De man stelt dat de vrouw niet betrouwbaar is in de nakoming van afspraken. Toen [de minderjarige] in het kader van de omgangsregeling bij de vrouw verbleef, werd hij vaak ’s nachts bij kennissen ondergebracht. Vanaf juni 2015 is de vrouw de omgangsregeling een aantal keren niet nagekomen, waaronder tijdens de zomervakantie. De man heeft daarop de omgangsregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] geschorst. Sindsdien is er enkele keren contact geweest tussen [de minderjarige] en de vrouw. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard geen bezwaar te hebben tegen contact tussen de vrouw en [de minderjarige] gedurende een paar uur, mits ze dan ook daadwerkelijk komt.

5.14.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De man en de vrouw hebben een verschillende culturele achtergrond. Het zou goed zijn als [de minderjarige] met de vrouw als zijn opvoeder bekend blijft. Het is belangrijk dat wordt ingezet op een goed en veilig contact tussen [de minderjarige] en de vrouw. De vrouw dient betrouwbaar te zijn in de nakoming van afspraken. [de minderjarige] komt in de puberteit en wil zelf zijn leven inrichten. Het is belangrijk dat zaken vaststaan, zodat hij zich daar geen zorgen over hoeft te maken. Anders dreigt hij in een loyaliteitsconflict te raken. Gezien de gebeurtenissen in het verleden is de vastgestelde omgangsregeling niet haalbaar. De vrouw zou een keer per twee weken naar de voetbalwedstrijd van [de minderjarige] kunnen gaan en daarna wat leuks met [de minderjarige] kunnen doen. De vrouw moet laten zien dat zij betrouwbaar is voordat die omgang kan worden uitgebreid. De man en de vrouw moeten met elkaar in gesprek komen, bijvoorbeeld met hulp van een mediator, aldus de raad.

5.15.

Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de bij de beschikking van 12 juli 2011 vastgestelde omgangsregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] sinds medio 2015 niet meer is nageleefd en dat de vrouw [de minderjarige] sinds december 2017 in het geheel niet meer heeft gezien. Naar aanleiding van het advies van de raad ter zitting in hoger beroep heeft de (advocaat van de) vrouw medegedeeld dat de vrouw bereid is om naar de voetbalwedstrijd van [de minderjarige] te komen en daarna wat tijd met [de minderjarige] door te brengen, waarna [de minderjarige] bij haar eet en zij hem na het eten weer thuis brengt. De man heeft in reactie daarop laten weten dat hij geen bezwaar heeft tegen een dergelijke contactregeling indien [de minderjarige] om 20:00 uur weer wordt thuisgebracht.

5.16.

Gelet op het voorgaande ligt het niet in de rede de man thans te veroordelen tot nakoming van de vastgestelde omgangsregeling op straffe van een dwangsom. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat sinds 2015 geen structurele omgang tussen de vrouw en [de minderjarige] meer heeft plaatsgevonden en dat [de minderjarige] , die thans twaalf jaar is, het hof schriftelijk heeft laten weten omgangsafspraken met zijn moeder te willen maken als hij zelf kan bepalen wanneer, dus niet op vaste basis. Het hof gaat ervan uit dat de voorgenomen omgang rond de voetbalwedstrijd van [de minderjarige] zoals ter zitting besproken daadwerkelijk op regelmatige basis zal worden uitgevoerd, waarna partijen in overleg met [de minderjarige] zullen bezien of uitbreiding van die omgang tot de mogelijkheden behoort. Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

5.17.

Het hof ziet, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, geen aanleiding de vrouw in de kosten van de procedures in eerste aanleg en hoger beroep te veroordelen. Het verzoek van de man daartoe zal dan ook worden afgewezen.

5.18.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de vrouw daarbij in haar verzoek tot veroordeling van de man tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom niet ontvankelijk is verklaard;

wijst het bovengenoemde verzoek van de vrouw af;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

bepaalt dat de vrouw hetgeen zij als gevolg van de bestreden beschikking teveel aan partneralimentatie heeft ontvangen, aan de man terugbetaalt, binnen vier weken na betekening van de onderhavige beschikking aan de vrouw;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. C.M.J. Peters en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en is op 20 november 2018 uitgesproken in het openbaar.