Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4227

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
23-001764-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging met zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001764-18

Datum uitspraak: 2 november 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-051061-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 oktober 2018.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik sla je tanden uit je bek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft op de terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, nu de door de verdachte geuite bewoordingen ‘ik sla je tanden uit je bek’ zijn voortgekomen uit emotie en bij de verbalisant [slachtoffer] niet de redelijke vrees hebben opgewekt dat daadwerkelijk zijn tanden uit zijn mond zouden worden geslagen, omdat de verdachte een klein persoon is en hij op het moment dat hij die woorden sprak omsingeld was door vijf verbalisanten.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 14 maart 2018 te Amsterdam tegen verbalisant [slachtoffer] heeft geroepen: ‘ik sla je tanden uit je bek’. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2018, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [slachtoffer], [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt dat verbalisant [slachtoffer] zich bedreigd voelde door de uitlatingen van de verdachte en het gevoel had dat de verdachte zijn woorden om ging zetten in daden.

Het hof is van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlating van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met zware mishandeling van [slachtoffer] oplevert. Mede gelet op de context waarin de verdachte de bedreigende bewoordingen heeft geuit, namelijk na zich agressief te hebben gedragen jegens een hotelmedewerker en ondanks dat hij werd omsingeld door vijf verbalisanten, is het hof van oordeel dat bij het slachtoffer in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de verdachte zijn bedreiging ten uitvoer zou brengen en dat het opzet van verdachte daar ook op gericht was. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd doet daar niet aan af. Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht, indien het hof niet tot een vrijspraak zou komen, de camerabeelden te mogen bekijken.

Het hof wijst dit verzoek af, nu zich in het dossier geen camerabeelden bevinden en de noodzaak na te gaan of er camerabeelden voorhanden zijn niet is gebleken. Het hof acht zich door de inhoud van het dossier voldoende voorgelicht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 maart 2018 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik sla je tanden uit je bek".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,- subsidiair 4 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,- subsidiair 5 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen en gewezen op het feit dat veroordeling en strafoplegging mogelijk nadelige gevolgen zal hebben voor het verstrekken of behouden van een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG). Deze verklaring is voor verdachte van groot belang in verband met zijn werk als taxichauffeur.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling. Deze bedreiging was gericht tegen een politieambtenaar in functie. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen angst bij het slachtoffer veroorzaakt, maar tevens de openbare veiligheid geschaad, hetgeen tot gevoelens van onrust leidt in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 oktober 2018 is hij eerder ter zake van misdrijven, waaronder geweldsdelicten en belediging van een ambtenaar in functie onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Uit ditzelfde uittreksel volgt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen, onder meer inhoudende dat de verdachte een baan heeft als taxichauffeur en dat hij geen schulden heeft.

Bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf heeft het hof gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een geldboete genoemd van € 250,= voor bedreiging, waarbij wordt aangegeven dat de geldboete kan worden verhoogd indien de bedreiging wordt geuit tegen een politieambtenaar.

Het hof ziet in de omstandigheden van het geval en hetgeen door de verdediging omtrent de VOG is aangevoerd geen reden om in het voordeel van verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten van het LOVS en acht een geldboete van € 250,= met verhoging in beginsel op zijn plaats. Gelet op het van toepassing zijnde artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht zal het hof evenwel afzien van de verhoging.

Met de advocaat-generaal acht het hof, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. M. Iedema en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van S. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 november 2018.

Mr. M.B. de Wit is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[...]