Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4225

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
23-002577-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal. Geen straf of maatregel. Vordering TUL.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002577-17

Datum uitspraak: 2 november 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 15-800259-17, 15-134538-15 (TUL) en 15-800267-16 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2017 te Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een chocoladebroodje(s) en/of Nutella, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert en tot een andere beslissing omtrent één van de vorderingen tenuitvoerlegging dan de politierechter komt.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de broodjes en de Nutella in de minuut dat de verdachte niet op beeld te zien is heeft teruggelegd, zodat niet kan worden bewezen dat hij de goederen heeft weggenomen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 14 juni 2017 in de [bedrijf] in Hoorn broodjes en een pot Nutella heeft gepakt en in een winkelmand heeft gedaan. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte vervolgens op twee verschillende momenten een goed vanuit zijn winkelmand overhevelt in zijn tas. De verdachte is naar de kassa gelopen en heeft andere goederen, niet zijnde de broodjes en de Nutella, betaald met een bankpas.

De verdachte heeft bij de politie eerst verklaard dat hij de broodjes en de Nutella in zijn winkelmand heeft gelegd, dat hij deze goederen misschien daarna in zijn tas heeft gedaan omdat er geen plek meer was in zijn winkelmand en dat hij deze goederen niet heeft afgerekend. Daarna heeft hij bij de politie verklaard dat hij de broodjes en de Nutella wel op de band bij de kassa heeft gelegd, maar niet heeft afgerekend. Tot slot heeft hij bij de politie verklaard dat hij zich had bedacht omdat hij constateerde dat hij onvoldoende contant geld in zijn portemonnee had, waarna hij de goederen buiten het zicht van de camera in het schap heeft teruggelegd.

Het hof acht, evenals de politierechter, de verklaringen van de verdachte niet aannemelijk geworden, nu hij steeds wisselend heeft verklaard en zijn laatste verklaring, inhoudende dat hij de broodjes en de Nutella kennelijk buiten het zicht van de camera’s heeft teruggelegd omdat hij onvoldoende geld bij zich had, niet aannemelijk is gelet op de omstandigheid dat hij slechts korte tijd buiten het beeld van de camera was, de gestelde handelingen niet overeenkomen met de camerabeelden en hij andere goederen heeft betaald met zijn pinpas en niet met contant geld.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en is dan ook van oordeel dat de tenlastegelegde winkeldiefstal wettig en overtuigend is bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 juni 2017 te Hoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee chocoladebroodjes en Nutella, toebehorende aan [bedrijf].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf of maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

De raadsman heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld als de advocaat-generaal.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf of maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Met zijn handelwijze heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat schade en hinder veroorzaakt voor het gedupeerde winkelbedrijf.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 oktober 2018 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

De ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt, mede in het licht van de recidive, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof zal daartoe evenwel niet overgaan en overweegt daartoe als volgt.

Het hof overweegt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu aan de verdachte na de pleegdatum van het onderhavige feit door dit hof op 10 november 2017 (parketnummer 23-002537-17) voor diefstal en winkeldiefstal een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden is opgelegd, en hem daarna door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland op 19 december 2017 (parketnummer 15-245382-17) wederom onder andere voor diefstal een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden is opgelegd.

Het hof ziet hierin aanleiding om conform de eis van de advocaat-generaal te bepalen dat in dit specifieke geval geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15-134538-15

Het openbaar ministerie heeft de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 september 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken, met een proeftijd van twee jaren.

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2017 is deze voorwaardelijke gevangenisstraf reeds gedeeltelijk ten uitvoer gelegd, te weten voor de duur van drie weken.

De vordering tenuitvoerlegging is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting verzocht de vordering ten aanzien van het nog niet ten uitvoer gelegde deel toe te wijzen. De raadsman heeft gesteld zich te refereren aan het oordeel van het hof.


Het hof overweegt als volgt.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof ziet aanleiding om dat in dit stadium te doen voor het nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte van die straf, bestaande uit een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15-800267-16

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 september 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van dertig dagen, met een proeftijd van twee jaren.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal en de raadsman hebben ter terechtzitting verzocht de vordering af te wijzen, nu uit de Justitiële Documentatie van 10 oktober 2018 is gebleken dat de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf reeds geheel ten uitvoer is gelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 oktober 2017.

Het hof overweegt als volgt.

Nu blijkens voornoemde Justitiële Documentatie de tenuitvoerlegging reeds geheel is gelast van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf als voornoemd, zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 16 september 2015, parketnummer 15-134538-15, te weten van gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 september 2016 met parketnummer 15-800267-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. M. Iedema en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van S. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 november 2018.

Mr. M.B. de Wit is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]

.