Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4202

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
23-002085-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor opzettelijke overtreding van het Vuurwerkbesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002085-17

datum uitspraak: 30 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 september 2013 in de strafzaak onder parketnummer 81-093398-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 17 oktober 2012, althans buiten de perioden bedoeld in artikel 1.2.4, tweede lid, onder a, van het Vuurwerkbesluit, te Zaandam, gemeente Zaanstad al dan niet opzettelijk, een hoeveelheid, vuurwerk niet zijnde consumentenvuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten 2 cobra’s, voorhanden heeft gehad, althans buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 Vuurwerkbesluit en/of in artikel 2.2.2, 3.2.1 en/of 3A.2.1. Vuurwerkbesluit waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en/of artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit.

2:
hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Zaandam, gemeente Zaanstad, al dan niet opzettelijk professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bestemd voor particulier gebruik voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld, immers heeft hij: - 2, althans één of meer stuks, cobra’s in zijn personenauto voorhanden gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 17 oktober 2012, althans buiten de perioden bedoeld in artikel 1.2.4, tweede lid, onder a, van het Vuurwerkbesluit, te Zaandam, opzettelijk, een hoeveelheid vuurwerk niet zijnde consumentenvuurwerk, te weten 2 cobra’s, voorhanden heeft gehad, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 Vuurwerkbesluit en in artikel 2.2.2, 3.2.1 en 3A.2.1. Vuurwerkbesluit waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit.

2:
hij op 17 oktober 2012 te Zaandam, opzettelijk professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad, immers heeft hij 2 cobra’s in zijn personenauto voorhanden gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

en

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 660,00, subsidiair dertien dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 38 uur, subsidiair 19 dagen hechtenis.

De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop, verzocht om een geheel dan wel gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee cobra’s in een personenauto. Cobra’s zijn zware, gevaarlijke explosieven. Hierdoor heeft hij niet voldaan aan de wettelijke eisen die worden gesteld met het oog op de veiligheid. Hij heeft hiermee een voor mensen en goederen gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Gezien de ernst van de feiten zou in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat hij zich ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in een moeilijke situatie bevond en dat hij zijn leven op dit moment beter op orde heeft. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze ontwikkeling doorkruisen. Dit vormt aanleiding om een gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen. Daarbij speelt het tijdsverloop geen doorslaggevende rol omdat het openbaar ministerie reeds in 2013 op het door de verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor opgegeven adres heeft geprobeerd de mededeling van de uitspraak uit te reiken.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, waaronder voor een (weliswaar gedateerd) soortgelijk feit.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1.2.2 en 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van

mr. K. van der Togt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 oktober 2018.

mrs. Römer en Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]