Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:42

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
200.207.485/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak.

Aansprakelijkheid vennoten voor verbintenissen uit arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.207.485/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4210055 CV EXPL 15-14805

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 januari 2018

inzake

1 [appellant sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [appellant sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. A. Köker te Amstelveen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.N. Decossaux te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [geïntimeerde] genoemd. Appellanten gezamenlijk worden ook wel als [appellanten] aangeduid.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 5 januari 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellanten] als gedaagden (verder ook wel: het eindvonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in een eerder in deze zaak gewezen vonnis van 6 november 2015 (verder: het tussenvonnis) onder 1, 1.1 tot en met 1.8, de feiten vastgesteld die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

[appellanten] waren vanaf 1 mei 2012 vennoten van de vennootschap onder firma [naam VOF] (verder: [naam VOF] ). [naam VOF] is op 1 oktober 2014 ontbonden.

3.1.2

[geïntimeerde] is bij schriftelijke overeenkomst (verder: de oproepovereenkomst) per 20 augustus 2012 bij [naam VOF] in dienst getreden als oproepkracht. In het dossier bevindt zich een schriftelijke overeenkomst van 1 augustus 2013 (verder: de arbeidsovereenkomst), inhoudende dat [geïntimeerde] per die datum voor onbepaalde tijd bij [naam VOF] in dienst is getreden voor een arbeidstijd van 40 uur per week en tegen een salaris van € 2.464,- bruto per maand. Volgens de kop van de arbeidsovereenkomst trad [appellant sub 1] op als vertegenwoordiger van [naam VOF] . De overeenkomst is namens de werkgever ondertekend, .

3.1.3

[naam VOF] heeft na 1 augustus 2013 diverse salarisbetalingen aan [geïntimeerde] gedaan, echter niet tot het met het in de arbeidsovereenkomst vermelde bruto-bedrag corresponderende netto-bedrag. [geïntimeerde] heeft zich op 22 september 2014 ziek gemeld wegens rugklachten nadat hij was gevallen tijdens het verrichten van werkzaamheden voor [naam VOF] . [naam VOF] heeft vanaf oktober 2014 geen salarisbetalingen meer verricht.

3.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, gevorderd (a) voor recht te verklaren dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen hem en [naam VOF] , (b) [appellanten] hoofdelijk te veroordelen aan hem een bedrag van € 19.936,11 netto te betalen wegens achterstallig loon en vakantiegeld over de periode van augustus 2013 tot en met september 2014 en achterstallig loon tijdens ziekte over de periode van oktober 2014 tot en met mei 2015, te vermeerderen met wettelijke rente en wettelijke verhoging en (c) [appellanten] hoofdelijk te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 974,36 aan buitengerechtelijke kosten met wettelijke rente daarover, een en ander met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis overwogen dat [appellanten] als vennoten van [naam VOF] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van deze vennootschap. De kantonrechter heeft verder als voorshands oordeel gegeven dat op 1 augustus 2013 rechtsgeldig een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en [naam VOF] en heeft [appellanten] in de gelegenheid gesteld tot het leveren van tegenbewijs. Na bewijslevering heeft de kantonrechter in het eindvonnis overwogen dat uit de verklaringen van de getuigen niet valt op te maken dat niet rechtsgeldig een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen om [geïntimeerde] in staat te stellen zijn echtgenote naar Nederland te laten overkomen, zoals [appellanten] hadden aangevoerd, betekent dit, zo overwoog de kantonrechter, niet dat deze overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst waar geen inhoud aan is gegeven, nu [geïntimeerde] daadwerkelijk tegen loon arbeid heeft verricht. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat gesteld noch gebleken is dat [X] (verder: [X] ) niet bevoegd was namens [naam VOF] de arbeidsovereenkomst te ondertekenen. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, daarbij de wettelijke verhoging gematigd tot 25 procent en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld.

3.3

De grieven zijn gericht tegen deze beslissing en tegen de overwegingen die daartoe hebben geleid. [appellanten] betogen daarbij, kort gezegd, dat geen sprake was van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ten aanzien van degene die de overeenkomst heeft ondertekend en dat bij hen niet de wil bestond om een arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] aan te gaan. Het hof overweegt naar aanleiding van de grieven als volgt.

3.4

[appellanten] hebben niet betwist dat [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht voor [naam VOF] en evenmin dat [naam VOF] loon heeft betaald aan [geïntimeerde] . [appellanten] voeren echter aan dat dit is gebeurd in het kader van de oproepovereenkomst. Zij betwisten dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen. [geïntimeerde] heeft dan ook geen recht op het in de arbeidsovereenkomst genoemde loon, aldus [appellanten] en geen loonaanspraken over perioden waarin hij ziek was.

3.5

[appellanten] hebben daartoe in de eerste plaats opgeworpen dat zij niet aanwezig waren bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst en dat zij niet de schijn hebben gewekt dat [X] , die de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend vertegenwoordigingsbevoegd was. Het hof overweegt naar aanleiding daarvan het volgende. [appellanten] stellen dat niet [appellant sub 1] maar [X] de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. Zij wensen kennelijk te betogen dat [X] niet bevoegd was om namens [naam VOF] te tekenen. Dat strookt echter niet met hun - hierna nog te bespreken - stelling dat [X] feitelijk leiding gaf aan de onderneming die [naam VOF] dreef, hetgeen kennelijk hun instemming had. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht aannemen dat [X] bevoegd was om namens [naam VOF] de arbeidsovereenkomst te ondertekenen, nu [X] de feitelijke leiding van de onderneming had. [appellanten] hebben bovendien niet weersproken, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, dat [appellant sub 1] in juli 2013 aanwezig was bij een gesprek tussen hem en onder meer [X] over zijn arbeidsvoorwaarden, welk gesprek voorafging aan het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst. Ook daarom mocht [geïntimeerde] aannemen dat [X] bevoegd was die overeenkomst te ondertekenen. In zoverre falen de grieven en wordt het bewijsaanbod, dat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] niet aanwezig waren bij het tekenen van de arbeidsovereenkomst, gepasseerd.

3.6

[appellanten] voeren daarnaast aan dat de arbeidsovereenkomst slechts verband hield met de aanvraag van een verblijfsvergunning voor de echtgenote van [geïntimeerde] . Het hof overweegt, voor zover [appellanten] dat hebben willen betogen, dat de arbeidsovereenkomst daarmee nog niet inhoudsloos is. [geïntimeerde] verrichtte immers daadwerkelijk werkzaamheden voor [naam VOF] en ontving ook loon van [naam VOF] . [geïntimeerde] heeft bovendien in zijn inleidende dagvaarding reeds aangevoerd dat [naam VOF] hem aanvankelijk geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wilde aanbieden, dat het voor hem in verband met de verhuizing van zijn vrouw van groot belang was een dergelijke arbeidsovereenkomst te hebben en dat een derde hem in dienst wilde nemen waarna hij aan [naam VOF] heeft meegedeeld dat hij ander werk had gevonden. [naam VOF] heeft hem toen alsnog de arbeidsovereenkomst aangeboden, aldus [geïntimeerde] . [appellanten] hebben een en ander niet uitdrukkelijk weersproken. Integendeel, zij hebben in hun conclusie van antwoord onder 3 zelf gesteld dat [geïntimeerde] ´dreigde´ ergens anders te gaan werken als [X] het contract niet zou afgeven. Daarmee is voldoende vast komen te staan dat bij [naam VOF] de wil bestond de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] aan te gaan.

3.7

[appellanten] stellen bij hun grieven tenslotte dat zij een zeer beperkte rol hadden bij [naam VOF] . Zij waren werkzaam als collega’s van [geïntimeerde] en kregen van [naam VOF] een vergoeding voor door hen verrichte werkzaamheden. In feite waren zij in loondienst bij [naam VOF] , zij hadden geen inzage in of toegang tot de administratie en hadden geen zeggenschap in de onderneming. [X] was de feitelijk leidinggevende en eigenaar van [naam VOF] . De werkelijkheid strookte dan ook niet met de registratie in het handelsregister. [geïntimeerde] was welbekend met deze situatie en aan hem komt daarom niet de bescherming toe dat hij uit mocht gaan van de registratie in het handelsregister, aldus nog steeds [appellanten]

3.8

Het hof gaat niet mee in dit betoog. [appellanten] stellen dat [X] hen heeft overtuigd om zich als vennoten van [naam VOF] te laten registreren. Zij hebben dat vervolgens gedaan en zijn aldus naar buiten getreden als vennoten van [naam VOF] . Door aldus te handelen zijn zij tevens aansprakelijk geworden voor de verplichtingen die de vennootschap vanaf dat moment aan is gegaan. Dat [X] feitelijk leiding gaf aan de door de vennootschap gedreven onderneming doet daaraan niet af. [appellanten] waren daarvan immers op de hoogte en hebben daarmee kennelijk ingestemd. Dat [geïntimeerde] van een en ander wist, leidt dan ook niet tot de conclusie dat hij [appellanten] thans niet kan aanspreken. Het door [appellanten] gedane bewijsaanbod, wie welke rol binnen de organisatie heeft vervuld, is daarom niet ter zake doend en wordt gepasseerd.

3.9

[appellanten] hebben in de inleiding op hun grieven nog erop gewezen dat onder andere de zoon van [X] , [zoon X] de vrouw van [X] , [vrouw X] , en zijn broer [broer X] eveneens vennoten van [naam VOF] zijn geweest. Zij hebben daaraan echter geen duidelijke conclusies verbonden zodat het hof aan een en ander voorbij gaat. Dat er andere vennoten waren staat bovendien niet in de weg aan de aansprakelijkheid van [appellanten] , als vennoten van [naam VOF] , voor de verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst.

3.10

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 716,- aan verschotten en € 894,- voor salaris;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, D. Kingma en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2018.