Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4195

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
200.236.317/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORAMS:2018:7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klaagster verwijt de notaris dat deze 1) niet heeft onderzocht of de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap heeft plaatsgevonden, 2) zonder nader onderzoek een verklaring van erfrecht heeft opgemaakt en 3) zonder toestemming van klaagster heeft meegewerkt aan de verkoop en overdracht van de voormalige echtelijke woning.

De kamer heeft de klacht op het 1e en 3e onderdeel ongegrond verklaard en klaagster in het 2e klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0212
Jurisprudentie Erfrecht 2018/427
Jurisprudentie Erfrecht 2021/427
JERF Actueel 2018/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.236.317/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/13/636609/ NT 17-69

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 13 november 2018

inzake

[klaagster] ,

wonend te [plaats] ,

appellante,

tegen

mr. [naam] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: klaagster) heeft op 23 maart 2018 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 6 maart 2018 (ECLI:NL:TNORAMS:2018:7). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) op het eerste en derde klachtonderdeel ongegrond verklaard en klaagster in het tweede klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Het hof heeft van klaagster op 11 juni 2018 aanvullende stukken ontvangen.

1.3.

De notaris heeft op 13 juli 2018 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 september 2018. De notaris is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klaagster is, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Het hof heeft tweemaal een verzoek van klaagster tot aanhouding van de mondelinge behandeling afgewezen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten die in het geding zijn gebleken, zijn die feiten de volgende.

3.2.1.

Bij vonnis van 1 april 1986 heeft de rechtbank [plaats] de echtscheiding tussen klaagster en de heer [erflater] (hierna: erflater) uitgesproken. Het vonnis vermeldt, voor zover van belang:

“Beveelt partijen met elkaar over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen, indien en voorzover althans tussen hen enigerlei goederengemeenschap mocht bestaan.”

3.2.2.

De notaris heeft op 14 oktober 2014 voor erflater een testament verleden.

3.2.3.

Erflater is op 20 mei 2017 overleden.

3.2.4.

Klaagster heeft de notaris op 18 juli 2017 een brief gezonden. Deze brief houdt in, voor zover van belang:

“Van de rechtbank [plaats] vernam ik, dat u zich als betrokken notaris hebt ingeschreven.

Hierbij doe ik u de brieven toekomen. Ik heb aangifte gedaan - alle gegevens naar het parket gestuurd en Slachtofferhulp.

Van alles wat zich in het huis bevond heeft de heer [erflater] een lijst(en) opgemaakt (handgeschreven), die in mijn bezit is (zijn) alsook bewijzen, dat ik de woning betaald heb.”

3.2.5.

Een uittreksel uit het Kadaster van 22 juli 2017 (toestandsdatum 20-7-2017) vermeldt het volgende:

“Kadastraal object (…)

Locatie: [adres]

[plaats] (…)

Gerechtigde

EIGENDOM

De heer [erflater] (…)

Overleden op: 20-05-2017(…)

Aantekening recht

BURGERLIJKE STAAT GEHUWD

Betrokken persoon:

Mevrouw [klaagster] (...)”

3.2.6.

[makelaar] (hierna: de makelaar), die als makelaar is ingeschakeld om de voormalige echtelijke woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning) te verkopen, heeft op 31 juli 2017 aan klaagster een e-mail gezonden. Deze e-mail houdt in, voor zover van belang:

Naar aanleiding van uw bezoek vrijdag jl deel ik mede dat wij een opnieuw naar de rechtsgeldigheid van de verkoop van bovengenoemde woning hebben gekeken.

In het kadaster staat uw ex man als enig eigenaar genoteerd, daarnaast hebben wij een verklaring van executele van notaris [notaris] te [plaats] . Volgens het laatste testament van 14 oktober 2014 verleden voor voornoemd notaris heeft uw ex man 2 executeurs benoemd. Deze zijn bevoegd om over alle goederen te beschikken en ten gelde te maken, alsmede uit te keren zonder in overleg te treden of toestemming aan eventuele erfgenamen te vragen.

Mitsdien kan ik niet anders concluderen dat wij namens hen de woning kunnen verkopen. Zij zijn m.i. volledig beschikkingsbevoegd.

Indien u meent enige rechten te hebben op de boedel dan adviseer ik u op korte termijn een advocaat of rechtsbijstandverzekeraar te consulteren.”

3.2.7.

Op 4 en 7 augustus 2017 heeft klaagster aan de makelaar en de notaris brieven gezonden. Deze houden - samengevat - in dat tussen haar en erflater nooit een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft plaatsgevonden en dat zij daarom niet vrij zijn de woning te verkopen.

3.2.8.

Daarop heeft de makelaar bij e-mail van 7 augustus 2017 aan klaagster geantwoord, voor zover van belang:

“Heden heb ik uw aangetekende schrijven ontvangen, daar staat geen nieuwe informatie / bewijs in. Zowel naar onze mening als de notaris heeft u geen rechten op de verkoop van de woning. (...) Ter uwe informatie de woning is geheel leeg en er staat niets meer in.”

3.2.9.

Op 14 augustus 2017 heeft klaagster wederom een brief aan de notaris gezonden. Deze brief houdt in, voor zover van belang:

“Helaas heb ik nog geen antwoord gekregen op mijn brieven (aangetekend) aan u van 4 en 7 augustus 2017. Hierbij nog een afschrift van mijn schrijven aan de familie [naam] . Hier is sprake van diefstal/ontvreemding/verduistering. (...) Er heeft nooit een verdeling plaats gevonden. Helaas hebt u geen onderzoek gedaan, de notaris en de makelaar worden door hen ( [naam] ) belazerd, zoals ook de rechter bedrogen en belogen is (…)”

3.2.10.

Bij brief van 16 augustus 2017 heeft klaagster de notaris verzocht de door hem opgemaakte verklaring van erfrecht in te trekken.

3.2.11.

De notaris heeft op 24 augustus 2017 aan de KNB, die door klaagster is geconsulteerd, een brief gezonden. Deze brief houdt in, voor zover van belang:

“Naar aanleiding van uw verzoek van vrijdag 18 augustus jl. zend ik u op uw verzoek een korte uiteenzetting van de kwestie.

De heer [erflater] voornoemd is op 20 mei 2017 overleden. Op 26 juni 2017 heb ik aan de door de heer [erflater] bij testament benoemde executeurs een verklaring van executele afgegeven om de nalatenschap van de heer [erflater] af te wikkelen.

Uit onderzoek bij de gemeente (Basisregistratie Personen) is gebleken dat de heer [erflater] ten tijde van zijn overlijden ongehuwd was en niet was geregistreerd als partner en dat hij gehuwd is geweest met mevrouw [klaagster] (klaagster), welk huwelijk werd ontbonden door echtscheiding. Gezien de echtscheiding en het feit dat mevrouw [klaagster] niet in het testament van de heer [erflater] is opgenomen was er voor mij geen noodzaak om contact met haar op te nemen.

Nadat mevrouw [klaagster] contact met mij heeft opgenomen heb ik met haar afgesproken dat de door haar aan mij geleverde correspondentie (gericht aan de erfgenamen/familie van de heer [erflater] ) ter hand werd gesteld aan de executeurs van de nalatenschap van de heer [erflater] , hetgeen ook is gebeurd.

Ingeval mevrouw [klaagster] van mening is dat zij iets te vorderen heeft uit de nalatenschap van de heer [erflater] dient zij zich te wenden tot de executeurs en zo nodig maatregelen te nemen om haar belangen te waarborgen.”

3.2.12.

Klaagster heeft aan de KNB op 14 september 2017 een brief gezonden. Deze brief houdt in, voor zover van belang:

“Het wil er bij mij niet in, dat een notaris een testament opmaakt van/over gestolen goederen, dus over mij toebehorende goederen en het huis, bijna geheel betaald door mij.”

3.2.13.

De notaris heeft op 21 september 2017 wederom aan de KNB een brief gezonden. Deze brief houdt in, voor zover van belang:

“In de brief van mevrouw [klaagster] van 14 september jl. uit zij haar verbazing over het opmaken van een testament over “gestolen goederen”.

Bij het opmaken van een testament worden gebruikelijk geen bewijsstukken gevraagd waaruit blijkt dat de in het testament genoemde goederen eigendom zijn van de testateur. Dat is op dat moment ook niet relevant. Eerst bij het overlijden van de testateur dient te worden vastgesteld welke van de in het testament genoemde goederen (nog) in diens eigendom aanwezig zijn. Goederen die niet (meer) aanwezig zijn kunnen niet worden nagelaten omdat deze goederen niet tot de nalatenschap behoren.”

3.2.14.

De notaris heeft gecorrespondeerd met de rechtsbijstandverzekeraar van klaagster. Hij heeft op 6 oktober 2017 van deze vernomen dat het dossier van klaagster gesloten was.

3.2.15.

Op 19 oktober 2017 heeft de notaris klaagster op zijn kantoor gesproken.

3.2.16.

De overdracht van de woning heeft op 20 oktober 2017 plaatsgevonden.

4 Standpunt van klaagster

Het verwijt dat klaagster de notaris maakt bestaat uit de navolgende onderdelen.

1. De notaris heeft niet onderzocht of de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap van klaagster en haar ex-echtgenoot [erflater] na de echtscheiding in 1986 heeft plaatsgevonden. Volgens klaagster heeft deze nooit plaatsgevonden. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren de woning en de daarin aanwezige inboedel, aldus klaagster.

2. De notaris heeft zonder nader onderzoek een verklaring van erfrecht opgemaakt en deze aan de familie van erflater afgegeven.

3. De notaris heeft zonder de toestemming van klaagster meegewerkt aan de verkoop en overdracht van de woning. Klaagster stelt dat zij de woning ook hoofdzakelijk heeft betaald.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Hij heeft daarbij onder meer verwezen naar de inhoud van zijn eerdere brieven aan de KNB, die hiervoor onder de feiten zijn opgenomen. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Klachtonderdeel 1

6.1.

Klaagster heeft haar stelling onderbouwd door te verwijzen naar het echtscheidingsvonnis van 1 april 1986 waarin de scheiding en deling is bevolen. Volgens klaagster heeft deze nooit plaatsgevonden, zodat de notaris niet zonder nader onderzoek mocht meewerken aan de verkoop van de woning. Ook verwijst klaagster naar het kadaster waarin zij (nog) als gehuwd is geregistreerd.

6.2.

Ter zitting bij de kamer heeft de notaris, door klaagster onweersproken, verklaard dat klaagster en erflater gehuwd waren onder huwelijksvoorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, behoudens een gemeenschap van inboedel op grond van artikel 1:164a BW (oud).

6.3.

De kamer heeft in de bestreden beslissing ten aanzien van klachtonderdeel 1, samengevat, overwogen dat de notaris voorafgaand aan het passeren van de akte van levering van de woning de gebruikelijke notariële verplichtingen - kadastrale recherche en titelonderzoek - heeft verricht. In de aankomsttitel waren de huwelijkse voorwaarden en de naam van erflater als enig eigenaar van de woning omschreven. Verder heeft de kamer overwogen dat de notaris heeft geverifieerd bij de gemeente, afdeling Basisregistratie Personen, of erflater gehuwd was ten tijde van zijn overlijden dan wel of hij als partner was geregistreerd, hetgeen niet het geval bleek. Gelet op een en ander, kan volgens de kamer niet worden gezegd dat de notaris ten aanzien van de woning onvoldoende onderzoek heeft uitgevoerd naar de scheiding en deling van enige huwelijksgoederengemeenschap, nu deze woning daartoe nimmer heeft behoord. Ten aanzien van de inboedelgoederen kon de notaris, mede gelet op het tijdsverloop sinds de echtscheiding volgens de kamer afgaan op de mededeling dat de woning leeg was, zodat er wat dat betreft ook niets meer te onderzoeken viel, aldus nog steeds de kamer. Klachtonderdeel 1 is daarom door de kamer ongegrond verklaard.

6.4.

Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander oordeel rechtvaardigen. Een en ander betekent dat klachtonderdeel 1 ongegrond is.

Klachtonderdeel 2

6.5.

Ten aanzien van dit klachtonderdeel heeft de kamer in de bestreden beslissing, samengevat, overwogen dat klaagster geen direct of indirect belang heeft bij dit klachtonderdeel, nu niet klaagster maar de erfgenamen van erflater de notaris opdracht hebben gegeven tot het opmaken van de verklaring van executele. De kamer heeft klaagster in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk geacht.

6.6.

Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer, de gronden waarop dit oordeel berust en neemt dit oordeel over. Klaagster is niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel, zoals ook de kamer heeft geoordeeld.

Klachtonderdeel 3

6.7.

Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat uit de stukken is gebleken dat de woning uitsluitend op naam van erflater stond en dat klaagster haar stellingen met betrekking tot eventuele rechten op de woning niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Met de kamer is het hof van oordeel dat de notaris wat dit klachtonderdeel betreft geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken en het hof komt eveneens tot ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel.

Het hof neemt daarbij, met de kamer, in aanmerking dat is gebleken dat de notaris heeft onderzocht wie rechthebbende was op de woning en dat hij met klaagster op zijn kantoor een gesprek heeft gevoerd, waarbij hij een en ander aan klaagster uiteen heeft gezet. Volgens de notaris heeft hij klaagster daarbij aangeraden om zich tot een advocaat te wenden teneinde eventuele rechtsmaatregelen te treffen en/of beslag op de woning of de verkoopopbrengst te doen leggen, waartoe klaagster niet is overgegaan. Ook is aannemelijk geworden dat de notaris de brieven van klaagster heeft doorgezonden aan de executeurs en dat hij haar standpunten aan hen heeft voorgelegd, en dat de executeurs daarop niet wilden ingaan. Bovendien is aannemelijk geworden dat de notaris op verzoek van de toenmalige rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster enige tijd heeft gewacht met de verkoopprocedure van de woning totdat hij heeft vernomen dat het dossier van klaagster was gesloten. Gezien de geschetste gang van zaken is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten.

6.8.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beslissing van de kamer waarbij de klacht op onderdelen 1 en 3 ongegrond is verklaard en waarbij klaagster in klachtonderdeel 2 niet-ontvankelijk is verklaard, zal worden bevestigd.

6.9.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.10.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, J.W.M. Tromp en B.J.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018 door de rolraadsheer.