Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4172

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
200.208.318/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding op diverse gronden. Procesrecht. 1. De gedaagden in de eerste aanleg verklaarden zich bij conclusie van antwoord bereid documenten over te leggen, mits de eiseressen zou worden verboden mededeling aan derden te doen over de inhoud, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dit impliceert een verzoek tot opleggen van een verbod op de voet van art. 29 Rv en het daaraan verbinden van een dwangsom op de voet van art. 611a Rv. Een vordering in reconventie was daarvoor niet nodig. 2. Ten onrechte heeft de eerste rechter de eiseressen veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Strikte maatstaf, terughoudende beoordeling. Misbruik van procesrecht of onrechtmatig aanvangen van de procedure? De onderhavige vorderingen waren niet evident kansloos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.208.318/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/566979 / HA ZA 14-612

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 november 2018

inzake

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[appellant 1] CORPORATION,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Verenigde Staten van Amerika,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[appellant 2] DEVELOPMENT CORPORATION,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Verenigde Staten van Amerika,

3. [appellant 3],

wonend te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika,

appellanten,

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[geïntimeerde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Italië,

2. [geïntimeerde 2] INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. G.J. Meijer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten zullen hierna gezamenlijk [appellanten] worden genoemd en ieder afzonderlijk [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] . Geïntimeerden zullen hierna gezamenlijk [geïntimeerden] worden genoemd en ieder afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] B.V.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 17 augustus 2016, hersteld bij exploit van 25 november 2016, in hoger beroep gekomen van het vonnis in het incident van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2015 (hierna; het tussenvonnis) en van het vonnis van 18 mei 2016 (hierna: het eindvonnis), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers in de hoofdzaak en in het incident en [geïntimeerden] als gedaagden in de hoofdzaak en verweersters in het incident.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord tevens houdende een akte tot rectificatie, met producties.

Partijen hebben de zaak op 23 februari 2018 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Loonstein voornoemd en mr. H.J. Oosterhagen, advocaat te Amsterdam en [geïntimeerden] door mr. Meijer voornoemd en mrs. V. Verberne en P. Ernste, advocaten te Amsterdam, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd aan het hof. Ter gelegenheid van het pleidooi hebben [geïntimeerden] nog een productie in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de door hen ingestelde vorderingen alsnog geheel of gedeeltelijk zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, met veroordeling van [appellanten] in de volledige kosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.6, de feiten vastgesteld. De vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en neemt het hof eveneens als vaststaand aan. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

( i) [appellant 3] is geofysicus en petroleumingenieur en tevens bestuurder van [appellant 1] , een onderneming die zich bezighoudt met de mondiale exploitatie van energie.

(ii) [geïntimeerde 1] richt zich, samen met haar dochterondernemingen, waaronder [geïntimeerde 2] B.V., eveneens op de mondiale exploitatie van energie. [geïntimeerde 2] B.V. is opgericht in 1994.

(iii) In de periode tussen 14 en 16 augustus 1990 hebben [appellant 1] en [B] een ‘Letter Agreement’ gesloten over de ontwikkeling, productie en exploitatie van bepaalde olie- en gasvelden in het gebied aangeduid als ‘the Near Caspian Basin’ in Kazachstan. Partijen hebben in de ‘Letter Agreement’ onder meer afgesproken dat zij elkaar een eerste optie geven tot deelname in mogelijkheden van de andere partij tot aardolieonderzoek, ontwikkeling, productie, verwerking en transport in ‘the Near Caspian Basin’. Wanneer een van partijen nalaat om deel te nemen, staat het de andere partij vrij om de gelegenheid tot deelname aan een derde partij te geven.

(iv) Op 12 september 1991 hebben [B] en [geïntimeerde 1] een overeenkomst gesloten, door partijen aangeduid als ‘Memorandum of Understanding’. Deze overeenkomst had tot doel het gezamenlijk ontwikkelen en exploiteren van het Karachaganak gebied.

( v) In 2006 hebben [appellanten] een procedure aanhangig gemaakt tegen [geïntimeerde 1] bij de federale rechtbank van eerste aanleg voor het zuidelijke district van New York. Op 23 augustus 2011 heeft deze rechtbank de vorderingen van [appellanten] , die waren gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking door [geïntimeerde 1] , afgewezen. Deze uitspraak is in hoger beroep op 20 november 2012 bekrachtigd.

(vi) Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank [geïntimeerden] veroordeeld om binnen 14 dagen na de datum van het tussenvonnis aan [appellanten] afschrift van de in de brief van [A] van 6 januari 2015 genoemde 18 documenten te verstrekken (hierna: de documenten). Daarbij is bepaald dat [geïntimeerden] commercieel gevoelige passages in de te verstrekken afschriften van die documenten onleesbaar mag maken op voorwaarde dat zij de volledige documenten zonder doorhalingen voor de raadsman van [appellanten] ten kantore van haar raadslieden ter inzage zal leggen en dat [appellanten] voorafgaand aan het verstrekken van afschrift van, en inzage in de documenten de daarmee gemoeide kosten ad € 6.000 aan [geïntimeerden] dient te vergoeden. Voorts is het [appellanten] op de voet van artikel 29 Rv verboden om aan derden mededelingen te doen omtrent de (inhoud van) de documenten en gegevens die daaruit kunnen worden afgeleid en is bepaald dat [appellanten] de door haar ontvangen afschriften van de documenten en alle kopieën daarvan dienen te vernietigen binnen vijf dagen nadat in de hoofdzaak een onherroepelijke einduitspraak is gewezen. Tenslotte zijn [appellanten] veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan [geïntimeerden] van € 10 miljoen voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van voornoemde ge- en verboden, tot een maximum van € 100 miljoen.

2.2

[appellanten] vorderen in onderhavige procedure - kort samengevat - een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] B.V. toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun contractuele verplichtingen jegens [appellanten] , dan wel dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] B.V. onrechtmatig hebben gehandeld jegens, dan wel zichzelf ongerechtvaardigd hebben verrijkt ten laste van [appellant 1] en/of [appellant 2] en/of [appellant 3] , en [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] B.V. te veroordelen om aan [appellant 1] en/of [appellant 2] en/of [appellant 3] de geleden of te lijden schade te vergoeden, op te maken bij staat.

De rechtbank heeft zich bij het niet bestreden tussenvonnis van 8 oktober 2014 op goede gronden, die het hof tot de zijnen maakt, bevoegd verklaard van de vorderingen kennis te nemen.

De rechtbank heeft in het eindvonnis de vordering tot verklaring voor recht dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun contractuele verplichtingen jegens [appellanten] afgewezen, omdat [appellanten] niet feitelijk en concreet hebben gesteld dat [geïntimeerden] een overeenkomst met [appellanten] hebben gesloten, laat staan wat de inhoud daarvan is. De rechtbank heeft de vordering tot verklaring voor recht dat [geïntimeerden] jegens [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld dan wel ongerechtvaardigd zijn verrijkt afgewezen, omdat zij hun stellingen op geen enkele wijze feitelijk en concreet hebben onderbouwd.

De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten van [geïntimeerden] toegewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellanten] naar aanleiding van de door [geïntimeerden] gevoerde verweren in het geheel niet duidelijk hebben gemaakt waarop zij hun vorderingen baseren, en zij in zoverre ook niet hebben voldaan aan de op hen ingevolge het bepaalde in artikel 21 Rv rustende verplichting om alle voor de beslissing van de zaak van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Na de uitgebreide verhoren in de Amerikaanse procedure konden en moesten [appellanten] vooraf eenvoudig begrijpen dat de in dit geding ingestelde vorderingen zonder nadere toelichting (die zij niet hebben gegeven) evident kansloos waren. Dat geldt ook indien zij (dan wel hun Amerikaanse advocaten en court reporters) niet langer beschikken over bepaalde documenten: ook dan zal de uitkomst van die verhoren hun niet kunnen zijn ontgaan. Dit betekent dat [geïntimeerden] geheel onnodig op kosten zijn gejaagd. [appellanten] hebben dan ook misbruik van procesrecht gemaakt en onrechtmatig gehandeld door de inleidende dagvaarding uit te brengen en door vervolgens de vorderingen te handhaven, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft de gevorderde werkelijke proceskosten van € 332.188,46 toegewezen.

3 De beoordeling

3.1

[appellanten] komen met vier grieven op tegen de beslissingen in het tussenvonnis en het eindvonnis.

3.2.

Grief 1 strekt ten betoge dat in het dictumonderdeel 3.3 en 3.6 van het tussenvonnis ten onrechte is bepaald dat [appellanten] voorafgaand aan het verstrekken van afschriften van dan wel inzage in de documenten kosten moeten vergoeden, terwijl bovendien ten onrechte aan de op [appellanten] opgelegde verplichting tot geheimhouding een dwangsom is verbonden, althans dat de dwangsom onredelijk hoog is. De grief komt ook op tegen rov. 3.1 tot en met 3.6 van het eindvonnis. [appellanten] erkennen dat het mogelijk is om aan de verplichting tot geheimhouding op de voet van artikel 29 Rv een dwangsom te koppelen, maar dat had dan wel in reconventie moeten worden gevorderd, hetgeen niet is gebeurd. Verder voeren zij aan dat als de rechter voornemens is om (ambtshalve) een dwangsom op te leggen, de andere partij dienaangaande eerst gehoord moet worden. [appellanten] menen dat bij het wijzen van het tussenvonnis het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De grief faalt. Daartoe overweegt het hof als volgt.

3.3.

[geïntimeerden] hebben zich in hun incidentele conclusie van antwoord - subsidiair - bereid verklaard een afschrift van de gevraagde documenten te overleggen, zij het onder de voorwaarden (i) dat het [appellanten] op de voet van artikel 29 Rv verboden is om aan derden mededelingen te doen omtrent de inhoud van de documenten, en (ii) dat dit verbod geldt op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het stellen van deze voorwaarden impliceerde allereerst een verzoek aan de rechtbank om op de voet van artikel 29 Rv aan [appellanten] een verbod op te leggen om aan deden mededelingen te doen omtrent de inhoud van de documenten. Dit verzoek kon eenvoudigweg worden gedaan, zonder dat daarvoor een vordering in reconventie was vereist . De aan dat verzoek voorts verbonden voorwaarde dat aan het verbod een dwangsom wordt verbonden ziet op een dwangsom op de voet van artikel 611a Rv. In artikel 611a Rv is weliswaar bepaald dat de rechter alleen “op vordering” van een van partijen een dwangsom kan opleggen, maar daarmee is slechts tot uitdrukking gebracht dat de dwangsom moet worden ‘gevraagd’ aldus dat de betrokken partij kenbaar maakt dat zij het opleggen van een dwangsom wenst. Daaraan is door [geïntimeerden] met het stellen van de voorwaarden voldaan. Een reconventionele vordering was dus niet vereist.

3.4

Nu [appellanten] hun bezwaar tegen de te betalen kostenvergoeding van € 6.000 niet nader hebben toegelicht, gaat het hof daaraan voorbij.

3.5

De gestelde schending van het beginsel van hoor en wederhoor in eerste aanleg kan op zichzelf niet tot vernietiging van de vonnissen leiden, nu [appellanten] in hoger beroep alle gelegenheid heeft gehad zich over (de hoogte van) de gevorderde dwangsom uit te laten.

3.6

Volgens [geïntimeerden] is een dwangsom van € 10 miljoen per gehele of gedeeltelijke overtreding op haar plaats (zie ‘conclusie van antwoord in het incident deels strekkende tot afwijzing wegens gebrek aan belang en deels houdende referte onder voorwaarden’ onder 9), omdat het van wezenlijk belang is dat een dergelijke dwangsom [appellanten] een noodzakelijke prikkel geeft om geen mededelingen te doen omtrent de documenten, hetgeen van uitermate groot belang is voor [geïntimeerden] en haar contractspartijen. Daarbij komt dat [appellanten] zich niet in Nederland bevinden waardoor het enige tijd zal duren voordat [geïntimeerden] een schending van het (geheimhoudings)verbod in kort geding (met dwangsomveroordeling) kunnen beëindigen. Verder valt de hoogte van de dwangsom in het niet bij het bedrag van US$ 60 miljard waarvoor [appellanten] [geïntimeerden] aansprakelijk hebben gesteld. Ten slotte zullen [appellanten] uiteraard geen dwangsommen verbeuren indien zij zich aan het door de rechtbank gestelde verbod houden, aldus nog steeds [geïntimeerden]

In hoger beroep hebben [appellanten] tegen de hoogte van de dwangsom uitsluitend aangevoerd dat zij, mede gelet op de verhouding tussen partijen, het risico van een executiegeschil niet willen nemen, hoewel zij zeker niet voornemens zijn om de geheimhouding te schenden.

3.7

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] groot belang hebben bij geheimhouding van (delen van) de documenten. [appellanten] hebben onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat in geval van geheimhouding er een reëel risico op een executiegeschil zou zijn. Daarnaast is zonder nader toelichting, die ontbreekt, voor het hof niet duidelijk waarom het belang dat [appellanten] zeggen te hechten aan kennisneming van de documenten niet opweegt tegen het risico van een executiegeschil. Bovendien zijn [appellanten] niet ingegaan op de omstandigheden die [geïntimeerden] hebben aangevoerd ter onderbouwing van de hoogte van de dwangsom. De conclusie is dat de gestelde bezwaren van [appellanten] tegen de hoogte van de dwangsom ontoereikend zijn voor een ander oordeel dan de rechtbank op dit punt heeft gegeven.

3.8

[appellanten] hebben geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank in het eindvonnis onder 5.4 dat niet vaststaat dat [geïntimeerden] een overeenkomst met [appellanten] hebben gesloten en wat de inhoud van de overeenkomst is, waardoor de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting in hoger beroep niet meer aan de orde is. Grief 2 die alleen de vraag aan de orde stelt welk recht van toepassing is op de vordering tot schadevergoeding wegens schending van een contractuele verplichting behoeft derhalve geen behandeling.

3.9

Grief 3 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] hun stellingen dat [geïntimeerden] hebben uitgelokt dat [B] wansprestatie zou plegen onder de tussen [B] en [appellant 1] gesloten ‘Letter Agreement’ door vertrouwelijke geologische informatie over olie- en gasvelen in Kazachstan, afkomstig van [appellanten] te verstrekken aan [geïntimeerden] tegenover de uitvoerig gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] , op geen enkele wijze feitelijk en concreet hebben onderbouwd.

3.10

Op grond van artikel 149 lid 1 jo artikel 24 Rv rust op de partij die een vordering instelt de verplichting om die feiten te stellen die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. [appellanten] moeten dus voldoende feiten stellen ter onderbouwing van de wettelijke vereisten van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellanten] in eerste aanleg hun stellingen onvoldoende hebben toegelicht. In hoger beroep hebben [appellanten] afgezien van een nadere onderbouwing. Zij merken alleen op: “Anders dan de rechtbank heeft overwogen, hebben [appellanten] in prima hun stellingen voldoende feitelijk en concreet onderbouwd”. In de toelichting op de grief gaan [appellanten] uitsluitend in op hetgeen de getuigen zouden (hebben) kunnen verklaren. Nu [appellant 3] niet hebben voldaan aan de op hen rustende stelplicht, wordt niet toegekomen aan het door hen gedane bewijsaanbod; hun bewijsaanbod moet worden gepasseerd. Bij het voorgaande neemt het hof in aanmerking dat in de zogenoemde Amerikaanse procedure bij het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 20 november 2012 is geoordeeld dat vaststaat dat [geïntimeerde 1] in juli 1991 geen enkele informatie heeft ontvangen van [B] en dat [appellant 3] geen communicatie of relatie heeft (gehad) met [geïntimeerde 1] Zowel in de Amerikaanse procedure als in de onderhavige procedure zijn de vorderingen van [appellanten] opgehangen aan de door hen beweerde schending van de Letter Agreement door [B] en het profiteren van [geïntimeerden] daarvan. Uit het voorgaande volgt dat de grief faalt.

3.11

Met grief 4 komen [appellanten] op tegen de beslissing van de rechtbank in het eindvonnis om de vordering tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten toe te wijzen. Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellanten] in het geheel niet duidelijk hebben gemaakt waarop zij hun vorderingen baseren en dat zij in zoverre niet hebben voldaan aan de op hen ingevolge het bepaalde in artikel 21 Rv rustende verplichting om alle voor de beslissing van de zaak van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, konden noch moesten [appellanten] (voor aanvang van de procedure bij de rechtbank) – zo stellen zij - begrijpen dat hun vorderingen kansloos waren. Ten onrechte is geoordeeld, dat zij misbruik van procesrecht hebben gemaakt en onrechtmatig hebben gehandeld door de inleidende dagvaarding uit te brengen en de vorderingen te handhaven. Zij verwijzen in dat verband naar de omstandigheid dat de rechtbank bij tussenvonnis de incidentele vorderingen op de voet van artikel 843a en/of 843b jo 209 Rv heeft toegewezen, waarbij de rechtbank het primaire verweer van [geïntimeerden] dat [appellanten] geen belang hadden bij hun vordering tot overlegging van stukken heeft gepasseerd. Die toewijzing impliceert dat [appellanten] voldoende belang hadden bij die incidentele voreringen. Voorts voeren [appellanten] aan dat hun vorderingen zeker niet kansloos waren zoals ook blijkt uit het feit dat [appellant 1] op grond van de feiten en omstandigheden die aan de ingestelde vorderingen ten grondslag zijn gelegd op 17 maart 2014 een beslagverlof heeft verkregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

3.12

[geïntimeerden] brengen daartegen in dat wel sprake is van een evident kansloze vordering. Het feit dat de voorzieningenrechter verlof tot het leggen van conservatoir beslag heeft verleend, is bij de beoordeling of sprake is van misbruik van procesrecht niet van belang. Door de voorzieningenrechter heeft slechts een prima facie beoordeling van de deugdelijkheid van de door [appellanten] gepretendeerde vordering plaatsgevonden. Slechts [appellanten] zijn in dit verband gehoord. Nu geen verweer is gevoerd van de zijde van [geïntimeerden] heeft er door de voorzieningenrechter slechts een zeer marginale toetsing plaatsgevonden van de deugdelijkheid van de door [appellanten] gepretendeerde vordering, waardoor bij de beoordeling of misbruik van procesrecht is gemaakt door [appellanten] geen waarde kan en mag worden gehecht aan het door de voorzieningenrechter verleende verlof.

3.13

Dienaangaande geldt het volgende. Een vordering tot veroordeling in de werkelijke proceskosten komt voor toewijzing in aanmerking indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen. De strikte maatstaf voor onrechtmatig procederen is (mede) ingegeven door de in art. 241 Rv voorziene exclusiviteit van de forfaitaire proceskostenregeling. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Kortom, er moet sprake zijn van een evident kansloze vordering. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM (zie Hoge Raad, 29 juni 2009; ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

3.14

De vraag is dus of de vorderingen van [appellanten] evident kansloos waren. [appellanten] hebben in eerste aanleg inzage in bepaalde documenten gevorderd ter nadere onderbouwing van de ingestelde vorderingen. De rechtbank heeft bij tussenvonnis deze vordering toegewezen. Dit vonnis, waarbij [geïntimeerden] zich hebben neergelegd en dat in appel derhalve vaststaat, impliceert dat [appellanten] geacht moeten worden belang te hebben gehad bij de verzochte documenten ter nadere onderbouwing van hun vorderingen. Daaruit volgt dat niet geoordeeld kan worden dat de ingestelde vorderingen op voorhand evident kansloos waren. Mogelijk zou achteraf, indien de documenten geen enkel aanknopingspunt voor de vorderingen zouden blijken te hebben geboden, alsnog geoordeeld kunnen worden dat de vorderingen al te lichtvaardig zijn ingesteld, maar de moeilijkheid is nu dat [appellanten] van inzage hebben afgezien wegens de aan geheimhouding verbonden zware dwangsom van (maximaal) € 100 miljoen. Bij deze stand van zaken – waarbij de inhoud van de verzochte documenten het hof niet bekend is – kan het hof ook niet tot de constatering komen dat de vorderingen achteraf beschouwd evident kansloos waren. Hieruit volgt dat er geen grond is voor een veroordeling van [appellanten] in de werkelijke proceskosten en dat grief 4 terecht is voorgedragen.

3.15

Uit het voorgaande volgt aldus dat de grieven 1en 3 falen, dat grief 2 geen behandeling behoeft en dat grief 4 slaagt. Het tussenvonnis zal worden bekrachtigd en het eindvonnis zal, uitsluitend voor zover het betreft de proceskostenveroordeling, worden vernietigd. [appellanten] zullen worden veroordeeld in de forfaitaire proceskosten van de eerste aanleg. Nu partijen in hoger beroep over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussenvonnis;

vernietigt het eindvonnis, uitsluitend voor zover het betreft de proceskostenveroordeling in 6.3 van het dictum, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 3.829 aan verschotten en € 12.844 voor salaris;

bekrachtigt het eindvonnis voor al het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep, des dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, M.P. van Achterberg en A.E. Oderkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.