Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4166

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
200.192.008/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest hof Amsterdam 30 mei 2017 ECLI:NL:GHAMS:2017:2057. Na getuigenverhoor acht het hof bewijs niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-1020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.192.008/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 4400803 CV EXPL 15-22609

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 november 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. H.S. de Lint te Amsterdam,

tegen

BONARIUS MIDDEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Soest,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna aangeduid als [appellant] en Bonarius.

In deze zaak heeft het hof een tussenarrest uitgesproken op 30 mei 2017. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar het tussenarrest.

Op 3 november 2017 zijn getuigen gehoord. Hiervan is een proces-verbaal gemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Partijen hebben vervolgens ieder een memorie na enquête genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat [A] [B] op 3 november 2009 heeft gebeld en heeft gevraagd om plaatsing van een extra steiger aan de achterzijde van het pand.

2.2.

[appellant] heeft vervolgens zichzelf als (partij)getuige voorgebracht alsmede [A] als getuige. In contra-enquête heeft Bonarius [B] als getuige voorgebracht.

2.3.

[appellant] heeft als getuige bevestigd hetgeen hij reeds bij gelegenheid van het pleidooi had meegedeeld, erop neerkomend dat [A] op 3 november 2009 vanaf het dak met zijn mobiele telefoon aan [B] heeft gevraagd om plaatsing van een steiger aan de achterzijde van het pand en dat [B] dat verzoek vervolgens afwees. [appellant] heeft voorts verklaard dat [B] de aangewezen persoon was om een dergelijk verzoek aan te doen. (“Alles ging toen via [B] ”).

2.4.

[A] heeft als getuige verklaard te blijven bij de door hem eerder gegeven schriftelijke verklaring van 5 april 2017 (in het tussenarrest weergegeven onder 3.10). Ook [A] heeft verklaard dat een verzoek als dit via [B] moest worden gedaan (“Ons was te verstaan gegeven dat alles via [B] moest”).

2.5.

[B] heeft als getuige verklaard dat hij die dag, 3 november 2009, niet is gebeld en dat hij daar echt heel zeker van is. Hij heeft ook verklaard dat als hij wel zou zijn gebeld, hij het verzoek zou hebben toegestaan. Hij heeft dat laatste toegelicht door te verklaren dat niemand er iets aan heeft als zoiets wordt geweigerd bij een risicovolle situatie en “als een vakman zoiets zegt dan weiger je dat niet”. Hij heeft verder toegelicht dat het een werk betrof voor Stadsherstel op regiebasis, dat met Stadsherstel de afspraak gold dat steigerwerk gewoon aanvullend op regiebasis werd afgerekend en dat enige vertraging niet ongebruikelijk is bij dit soort werk. Naar aanleiding van de verklaring van [appellant] en [A] dat hij gezegd zou hebben dat alles via hem ( [B] ) moest, heeft [B] verklaard dat het zijn taak was om het bedrijf in beter vaarwater te brengen en dat hij niet heeft gezegd dat alles via hem moest (“Dat ging over de administratie en de bedrijfsstructuur, maar natuurlijk niet over dakdekkerswerk”). Als hij gebeld zou zijn, zou hij naar [C] , de chef-monteur, hebben verwezen. Hij ( [B] ) was destijds vestigingsmanager. De aangewezen persoon om te vragen om een extra steiger was de chef-monteur of de bedrijfsleider of de werkvoorbereider, aldus de verklaring van [B] .

2.6.

De verklaringen van [appellant] en [A] enerzijds en de verklaring van [B] anderzijds staan lijnrecht tegenover elkaar. Na weging van de afgelegde verklaringen is de conclusie van het hof dat het de juistheid van de lezing van [appellant] en [A] niet boven redelijke twijfel verheven acht. Nu het bewijsrisico ter zake van die lezing op [appellant] rust, moet de slotsom zijn dat [appellant] niet is geslaagd in het bewijs waartoe hij was toegelaten. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.

2.7.

Het hof kan, indien wordt uitgegaan van de hiervoor kort beschreven lezing van [appellant] , niet goed begrijpen waarom het tot het pleidooi in hoger beroep heeft geduurd dat van de zijde van [appellant] concreet uit de doeken is gedaan wat de gang van zaken is geweest omtrent het contact tussen [A] en [B] op 3 november 2009 vanaf het dak. In het licht van de sinds de aansprakelijkstelling van Bonarius tussen partijen gevoerde discussie over de toedracht en de zorgplicht van de werkgever lag het voor de hand dat daarin het volgens [appellant] afgewezen verzoek van [A] aan [B] om een extra steiger concreet naar voren was gebracht. Het hof heeft uit de processtukken en de daarbij overgelegde correspondentie tussen partijen niet kunnen afleiden dat dat is gebeurd. Het hof kan zich ook niet goed voorstellen dat het belang van dat contact tussen [A] en [B] [appellant] zou zijn ontgaan. Het hof memoreert dat van de zijde van Bonarius bij conclusie na enquête erop is gewezen dat pas in april 2017 het gestelde telefoongesprek met [B] aan de orde is gesteld en dat dit gegeven gegronde reden voor twijfel oplevert. Ook de getuige [B] heeft hierover een opmerking gemaakt tijdens zijn verklaring (“Ze zijn pas na zeven jaar met dit verhaal gekomen en als laatste redmiddel om nog iets van deze zaak te maken”). [appellant] is op een en ander met geen woord ingegaan in zijn memorie na enquête, hoewel hij daartoe de gelegenheid had.

2.8.

Het onder 2.7 overwogene noopt het hof tot grote behoedzaamheid bij de waardering van de overtuigende kracht van de verklaringen van [appellant] en [A] . Daarbij komt nog dat [appellant] partij is in deze zaak, zodat aan zijn getuigenverklaring beperkte bewijskracht toekomt.

2.9.

Bij de waardering is ook van belang dat tijdens het afleggen van de getuigenverklaring door [B] merkbaar was dat deze getuige aangedaan was door de stelling van [appellant] dat hem ( [B] ) telefonisch was gevraagd om een extra steiger en dat hij dat verzoek had afgewezen. Deze naar de indruk van het hof oprechte gemoedstoestand draagt bij aan de twijfel over de juistheid van de verklaringen van [appellant] en [A] .

2.10.

Het oordeel van het hof bij tussenarrest onder 3.10 en 3.11 alsmede het oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in het bewijs waartoe hij was toegelaten leiden ertoe dat de grieven I t/m IV geen succes hebben. Bij grief V mist [appellant] belang nu uit zijn eigen toelichting op deze grief volgt dat de bestreden overweging niet relevant is voor de beoordeling van het geschil. Grief VI heeft geen zelfstandige betekenis en kan daarom verder onbesproken blijven.

2.11.

Aangezien geen van de grieven doel treft, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst van het hoger beroep dient [appellant] in de kosten van het hoger beroep te worden veroordeeld.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van Bonarius tot aan deze uitspraak op € 718,- wegens verschotten en € 3.222,-salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, A.M.A. Verscheure en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.