Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4156

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
200.226.754/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:1611.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.226.754/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/607494 / HA ZA 16-468

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 november 2018

inzake

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.F. Hopman te Amsterdam,

tegen

1 FOOT LOCKER EUROPE B.V.,

2. FOOT LOCKER NETHERLANDS B.V.,

beide gevestigd te Vianen,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. F.D. Stibbe te Amsterdam.

Partijen worden hierna ING, Foot Locker Europe en Foot Locker Netherlands genoemd. Foot Locker Europe en Foot Locker Netherlands worden hierna gezamenlijk Foot Locker c.s. genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

ING is bij dagvaarding van 20 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2017, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Foot Locker c.s. als eiseressen en ING als gedaagde. Foot Locker c.s. hebben bij exploot van 26 oktober 2017 een vroegere roldatum doen aanzeggen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 7 september 2018 doen bepleiten, ING door mr. Hopman voornoemd en mr. D.M.H. de Leeuw, advocaat te Amsterdam en Foot Locker c.s. door mr. Stibbe voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog een of meer producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

ING heeft in het principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van Foot Locker c.s. zal afwijzen, met

– uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Foot Locker c.s. hebben in het principaal en incidenteel appel geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van de vorderingen van Foot Locker, met beslissing over de proceskosten.

ING heeft in het incidenteel appel geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van Foot Locker c.s., met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Aan beide zijden is in hoger beroep bewijs van de stellingen aangeboden.

2 Beoordeling

2.1.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft ING aangeboden screenshots van “alerts” over te leggen aan het hof en aan Foot Locker c.s.

2.2.

Het hof begrijpt uit dit aanbod van ING dat er screenshots bestaan of gemaakt kunnen worden van de vier alerts als bedoeld onder 2.16 van de memorie van grieven, en dat uit die screenshots kan blijken welke informatie deze alerts gaven. Daarnaast houdt het hof rekening met de mogelijkheid dat ook de drie interne meldingen als bedoeld onder 2.14 van de memorie van grieven elektronisch zijn gedaan, zodat ook daarvan screenshots of afdrukken bestaan of gemaakt kunnen worden waaruit kan blijken wat de inhoud van die meldingen was. Het hof zal ING in de gelegenheid stellen al deze screenshots en/of afdrukken bij akte in het geding te brengen.

Indien gewenst, kan ING bedoelde stukken van een (korte) toelichting voorzien.

2.3.

Foot Locker c.s. zullen hierop bij antwoordakte mogen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

stelt ING in de gelegenheid de hiervoor in rov. 2.2 bedoelde akte in te dienen op de rol van 4 december 2018;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, G.C.C. Lewin en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.