Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:412

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
200.224.112/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:7021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBNHO:2017:7021. Kort geding. Gemeenteraadslid heeft een toegangsverbod voor niet openbare delen van het stadhuis van Purmerend gekregen. Hij vordert onmiddellijke opheffing daarvan. De eerste rechter heeft die voorziening geweigerd. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.224.112/01 SKG

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/261275/KG ZA 17-519

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 februari 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.J.L. van Beijsterveldt te Zaandam,

tegen

GEMEENTE PURMEREND,

zetelend te Purmerend ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W.M. Hagelaars te Nijmegen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de gemeente genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 20 september 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en de gemeente als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie overeenkomstig de appeldagvaarding, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

-akte uitlating productie.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog zijn vordering zal toewijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

[appellant] is lid van de eenmansfractie Lijst [appellant] in de gemeenteraad van Purmerend .

2.2.

Op 5 juni 2015 heeft [appellant] als volgt aan raadsgriffier [A] (hierna: [A] ) geschreven:

"[…]

Elk gesprek kost mij minimaal € 2. Voor dat geld loopt het betrokken raadslid liever even naar iemand toe. Dat wordt door de organisatie als vervelend ervaren. Je hebt mij verzocht dit minder dan wel niet meer te doen? Ik heb toegezegd dat minder te doen.

[…]"

2.3.

In november 2015 heeft burgemeester [B] (hierna: de burgemeester) [appellant] uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van klachten van ambtenaren over de wijze van bejegening door [appellant] . In reactie op deze uitnodiging heeft [appellant] op 12 november 2015 als volgt geschreven:

"[…]

Ik laat mij niet aanspreken op klachten van medewerkers.

[…]"

2.4.

Onder voorzitterschap van de burgemeester heeft op 13 november 2015 een bijeenkomst van het raadspresidium plaatsgevonden. Van deze bijeenkomst is een besluitenlijst opgesteld, waarin het volgende staat:

"[…]

4. Personele zaken raad en griffie

- de heer [B] geeft een toelichting op kwesties die spelen rond het raadslid [appellant] . Het gaat hierbij om diverse klachten van medewerkers uit de organisatie over de wijze waarop de medewerkers bejegend zijn en worden door de heer [appellant] . Die klachten komen vanuit diverse onderdelen in de organisatie. De heer [B] zegt dat de heer [appellant] naar aanleiding hiervan door hem zal worden uitgenodigd voor een gesprek met hem en mevrouw [A] . Hem zal worden medegedeeld dat hij bij herhaling van voorvallen behoudens de leeskamer, de griffie en de publieke ruimten, niet meer wordt toegelaten tot bepaalde delen van het gebouw. […] Het presidium stemt in met de voorgestelde acties. Mocht de heer [appellant] niet ingaan op de uitnodiging voor een gesprek, dan wordt de aangekondigde brief verstuurd zonder een gesprek vooraf.

[…]"

2.5.

De burgemeester heeft op 18 november 2015 als volgt aan [appellant] geschreven:

"[…]

Het onderstaande, betreffende klachten van medewerkers van de ambtelijke organisatie, had ik in een gesprek met u willen bespreken. Omdat u hebt aangegeven mijn uitnodiging daartoe niet te accepteren, leg ik het schriftelijk aan u voor.

Bij herhaling heb ik klachten (mondeling en schriftelijk) van medewerkers van de ambtelijke organisatie gekregen over uw bejegening van hen. Zij voelen zich door u onheus en weinig respectvol bejegend, waarbij u zich geregeld bedient van imponerend woordgebruik. U vertoont in die situaties regelmatig extreem en onvoorspelbaar gedrag, waardoor de voorvallen onbegrijpelijke proporties aannemen en als buitengewoon onaangenaam worden ervaren. Dat geldt evenzeer voor het onuitgenodigd binnengaan van werkkamers wat als onprettig en een inbreuk op het werk wordt beleefd. Voor het college is deze bejegening van ambtenaren niet acceptabel. […]

Deze brief kunt u als een waarschuwingsbrief beschouwen, die ik mede namens het college en gehoord het presidium stuur. Mocht zich een herhaling van dergelijke voorvallen voordoen dan zal dat gevolgen hebben in de vorm van beperking van de toegang tot bepaalde delen van het gebouw.

[…]"

2.6.

Op 7 december 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de burgemeester en [appellant] , in aanwezigheid van [A] . Van dat gesprek is een beknopt verslag gemaakt, waarin het volgende staat:

"[…]

[B] geeft aan dat de medewerkers in de ambtelijke organisatie moeite hebben met [appellant] . Zij voelen zich geïntimideerd door zijn houding en gedrag.

Afgesproken wordt dat [appellant] voortaan zijn informatie uit de organisatie door tussenkomst van de griffie krijgt.

[…]"

2.7.

Op 29 december 2016 heeft een werknemer van de gemeente als volgt aan [A] geschreven:

"[…]

Woensdag 28 december 2016 heeft meneer [appellant] wederom een niet prettig gesprek gevoerd met een collega. [onleesbaar gemaakt] heeft een feitelijk verslag gemaakt. Het ging echter juist ook om de toon en de manier van praten door de heer [appellant] 

En hij legde dus allerlei zaken bij haar neer waar zij echt niets mee kan.

En dit speelde zich af op het Gemeenteplein waar klanten kon "meegenieten" van het gesprek.

[…]"

2.8.

[appellant] heeft op 9 januari 2017 een open brief aan de burgemeester op zijn website gepubliceerd, waarin het volgende staat:

"[…]

In 2014 heeft u zich al eens 'laten sturen' door een aantal anonieme en onbetrouwbare ambtenaren als 'instrument' in te zetten om met ongefundeerde en onbewezen kritiek (leugens) mij bepaalde sancties op te leggen. En verleden week probeert u dit weer. Daarbij maakt u tevens gebruik van uw griffier die blijkbaar op 'KGB-wijze' mijn doen en laten op het stadhuis nagaat en zich daar door individuele 'ambtenaren' over laat informeren en rapporteren. […]

Uw reactie hierop is enerzijds dat u de problemen in uw organisatie onder het tapijt schoffelt met de woorden 'enige turbulentie' en anderzijds een persoonlijke hetze tegen mij voert om mij daadwerkelijk als persoon te beschadigen, door uw ambtenaren 'schofterige' praatjes over mij te laten verspreiden.

Zo vertellen uw ambtenaren in de contacten met individuele burgers dat 'zij zich niet voor het karretje van de LVD moeten laten spannen?' En dat 'de toekomstige verhoudingen met de gemeente daarmee wel eens onder druk zouden komen te staan'? De naam van de betrokken ambtenaar is mij bekend maar met uw persoonlijke bescherming van dergelijk gedrag legitimeert u blijkbaar deze 'corrupte' cultuur.

[…]"

2.9.

De burgemeester heeft op 24 april 2017 als volgt aan [appellant] geschreven:

"[…]

Op woensdag 29 maart hebt u zich bij mijn secretaresse gemeld met het verzoek om vanuit het college een signaal in de organisatie af te geven m.b.t. de integriteit van ambtenaren. De griffier heeft daarop met u gesproken om verduidelijking over uw verzoek te krijgen.

Nu mij duidelijk is wat uw verzoek inhoudt, kan ik u zeggen dat het vanzelfsprekend is dat ambtenaren zich niet tegenover derden over raadsleden uitlaten; de gedragscode ziet daar ook op toe. Net zomin als raadsleden zich in het openbaar over ambtenaren horen uit te laten.

[…]"

2.10.

In de reactie van [appellant] van 25 april 2017 staat het volgende:

"[…]

Komende week zal ik dan toch persoonlijk (als persoon en als politiek ambtsdrager) aangifte moeten doen van de betrokken ambtenaar. En zal ik mij in het openbaar moeten uitlaten over deze ambtenaar met als reden dat de burgemeester blijkbaar niet in staat is zijn eigen personeel in dit soort gevallen te disciplineren. Ook al 'ziet' de gedragscode daarop toe.

[…]"

2.11.

Namens burgemeester en wethouders is op 2 mei 2017 een e-mailbericht aan [appellant] gestuurd met de volgende inhoud:

"[…]

Zoals ik u in aanwezigheid van de Raadsgriffier heb medegedeeld, heeft het college besloten om u, gelet op de hardnekkigheid waarmee u ten onrechte medewerkers van de gemeente Purmerend in een kwaad daglicht probeert te stellen, de toegang tot het niet-openbare gedeelte van het stadhuis te ontzeggen. Wij hebben dit besluit mede genomen op grond van uw bejegening van medewerkers in de achter ons liggende periode. Hierover zijn meerdere gesprekken met u gevoerd. Wij willen confrontaties tussen u en onze medewerkers voorkomen en bevorderen dat zij in alle vrijheid en rust hun werk kunnen doen.

Uiteraard kunt u van de vergaderruimtes in het vergadercentrum op de begane grond gebruik blijven maken, op de momenten dat dit voor uw functioneren als raadslid noodzakelijk is. Ook uw fractiekamer blijft beschikbaar onder de reeds bekende condities.

Als u medewerkers van de griffie wilt bezoeken, kunt u zich tot de gastheren van de gemeente wenden of rechtstreeks contact opnemen met de griffie.

[…]"

2.12.

Op 3 mei 2017 heeft is op internetplatform The Post Online een artikel verschenen met de kop "Purmerends raadslid schoffeert alsmaar ambtenaren, toegang tot het stadhuis is hem ontzegd."

2.13.

Op 8 mei 2017 heeft [appellant] als volgt aan een gemeenteambtenaar gemaild:

"[…]

Naar aanleiding van een gesprek dat u heeft gehad met de Stichting i.o. Twaanlab op 18 november 2016 heeft u zichzelf de vrijheid gegeven uitspraken te doen over de Lijst [appellant] . Ik ben van mening dat u als ambtenaar in dienst van de gemeente Purmerend zich hierbij niet heeft gehouden aan de door u opgedragen gedragscode. […] Hoewel wordt toegegeven dat uw uitlatingen naar derden over raadsleden onacceptabel zijn, verzuimt uw werkgever hierin verdere disciplinaire stappen te zetten. […] Binnenkort zal ik dan ook persoonlijk aangifte doen bij het politiekantoor te Purmerend van voornoemde feiten. Ik wil opmerken dat dit mij uitermate spijt. Maar dat dit voornamelijk wordt gevoed door het feit dat uw werkgever zijn verantwoordelijkheid niet wenst te nemen ter bescherming van zijn personeel.

[…]"

2.14.

Bij brief van 9 mei 2017, verzonden 11 mei 2017, hebben burgemeester en wethouders het in het e-mailbericht van 2 mei 2017 aangekondigde besluit aan [appellant] bevestigd.

2.15.

[appellant] heeft op 9 mei 2017 als volgt aan burgemeester en wethouders geschreven:

"[…]

De Lijst [appellant] maakt ernstig bezwaar tegen de motivatie van het college dat gebaseerd is op onjuiste en onrechtmatige aannames. De Lijst [appellant] en de heer [appellant] zijn van mening dat dit 'besluit' voornamelijk is bedoeld om persoonlijk imagoschade toe te brengen. Waarbij u college niet schuwt van het feit om middelen als politieke karaktermoord in te zetten.

De Lijst [appellant] draagt u op om uw onrechtmatige en ongefundeerde sancties met onmiddellijke ingang te stoppen. Voor zover dit niet gebeurt zal de Lijst [appellant] een dwangsom claimen vanaf 1 juni aanstaande van € 1.500 per dag dat uw sancties niet zijn opgeheven.

[…]"

2.16.

De advocaat van [appellant] heeft de gemeente bij brief van 30 juni 2017 gesommeerd het toegangsverbod per direct op te heffen. De gemeente heeft hierop geen reactie gegeven.

2.17.

[appellant] heeft op 4 juli 2017 tevergeefs getracht of zijn toegangspas werkte voor het niet openbare gedeelte van het stadhuis.

3. Beoordeling

3.1

[appellant] vordert - samengevat - onmiddellijke opheffing van het toegangsverbod voor bepaalde delen van het stadhuis, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.500,00 per dag of dagdeel, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, dat de gemeente daarmee in gebreke blijft. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vijf grieven op.

3.2

Terecht heeft de voorzieningenrechter tot uitgangspunt genomen dat de gevorderde voorlopige voorziening slechts toewijsbaar is indien de verwachting gewettigd is dat in een tussen partijen nog te voeren bodemprocedure soortgelijke vorderingen zullen worden toegewezen.

3.3

De eerste grief klaagt erover dat de voorzieningenrechter acht heeft geslagen op geanonimiseerde stukken en anonieme verklaringen die door de gemeente zijn ingebracht. De grief faalt. In dit kort geding gaat het niet om de beoordeling van getuigenbewijs maar om de vraag of de gemeente op basis van de door haar ingebrachte stukken en verklaringen haar verweer voldoende heeft onderbouwd en aannemelijk heeft gemaakt. Overigens vormen in dat verband de anonieme verklaringen maar een klein onderdeel van hetgeen de gemeente ter toelichting heeft betoogd en liggen deze verklaringen in lijn met andere (niet geanonimiseerde) gegevens die zij heeft overgelegd. Bovendien valt te rechtvaardigen dat de ambtenaren van wie de bewuste (anonieme) verklaringen afkomstig zijn verschoond willen blijven van acties van [appellant] naar aanleiding van die verklaringen, zoals de gemeente heeft betoogd. Ook het hof weegt daarom die verklaringen mee.

3.4

Met grief II stelt [appellant] dat de voorzieningenrechter de door de gemeente in het geding gebrachte verklaringen onjuist heeft gewaardeerd en de feiten onvolledig heeft vastgesteld, omdat er helemaal niet veelvuldig over hem is geklaagd. Deze grief faalt, omdat hij zijn weerlegging vindt in hetgeen hierboven bij de feiten al is vermeld en voorts in de verklaring (prod.17) van [A] , voormalig raadsgriffier, waar zij (onder meer) schrijft: “Ik denk dat ik van de zomer 2015 tot mei 2017 zeker tientallen keren ben aangesproken door verschillende ambtenaren van allerlei geledingen op het gedrag van [appellant] .”

3.5

Om diezelfde reden faalt ook grief III, inhoudend dat een onjuist beeld is ontstaan dat [appellant] gemeenteambtenaren over allerlei zaken aanspreekt. In dat verband merkt de gemeente terecht op dat in de inleidende dagvaarding [appellant] juist zelf naar voren brengt dat hij ambtenaren aanspreekt en om opheldering vraagt. Anders dan [appellant] meent, blijkt uit onder meer de stukken waaraan onder 3.4 al werd gerefereerd dat de ambtenaren dit als storend ervaren en zich daardoor niet altijd veilig voelen.

3.6

Grief IV houdt in dat dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het lijden van imagoschade en het afschrikken van kiezers niet aan de proportionaliteit van het besluit afdoet en dat [appellant] slechts geringe nadelige gevolgen daarvan voor zijn werkzaamheden als raadslid ondervindt. Ook hier volgt het hof de voorzieningenrechter. Het is aan het gedrag van [appellant] zelf te wijten dat de gemeente het besluit tot toegangsbeperking heeft moeten nemen. Daarbij is dit besluit weloverwogen en gemotiveerd en na herhaalde waarschuwingen genomen. De gemeente heeft het besluit niet zelf in de openbaarheid gebracht en de publiciteit die is veroorzaakt kan haar niet worden tegengeworpen. Tevens zijn de beperkingen voor [appellant] die uit het besluit voortvloeien van ondergeschikte aard. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat het door het toegangsverbod voor hem bezwaarlijk is al het werk te doen dat in het kader van zijn functie nodig is. Het gewicht van de beperkingen weegt daarbij niet op tegen de belangen van de gemeente die gediend zijn met het door ambtenaren ongestoord en veilig kunnen werken. Voor een beperking in tijd van voornoemd verbod ziet het hof geen aanleiding.

3.7

Grief V, die ziet op de proceskostenveroordeling, deelt het lot van de voorgaande grieven en faalt dus eveneens.

3.8

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 716,- aan verschotten en € 894,- voor salaris;

verklaart deze (kosten)veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, L.A.J. Dun en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2018.