Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4119

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
23-004379-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal gevolgd van (bedreiging met) geweld. Hof houdt rekening met een rapportage, opgemaakt in een andere strafzaak, maar naar oordeel v/h hof eveneens in de voorliggende strafzaak van toepassing is. Verminderd toerekeningsvatbaar,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004379-17

datum uitspraak: 6 november 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 december 2017 in de strafzaak onder de parketnummer 13-702704-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

postadres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 16 oktober 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen verf en/of een blokkwast en/of een gloeilamp, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] (filiaal [adres 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], beiden medewerkers van de [bedrijf 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het bedreigen van die [slachtoffer 1] door hem de woorden toe te voegen "als je me aanraakt, maak ik je af" en/of

- het (met kracht) meermalen althans eenmaal in/tegen/op het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- het meermalen, althans eenmaal slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van en/of naar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf welke in kracht van gewijsde was gegaan.

2:
hij op of omstreeks 08 november 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere levensmiddelen (te weten een Twix), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 16 oktober 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verf en een blokkwast en een lamp toebehorende aan [bedrijf 1] (filiaal [adres 2]), welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beiden medewerkers van de [bedrijf 1], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het bedreigen van die [slachtoffer 1] door hem de woorden toe te voegen "als je me aanraakt, maak ik je af", en

- het met kracht meermalen tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2] slaan, en

- het meermalen slaande bewegingen maken in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2];

2:
hij op 08 november 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Twix, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 2].

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 91 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Winkeldiefstal is een maatschappelijk probleem dat de detailhandel aanzienlijke economische schade toebrengt. De verdachte heeft bovendien bij de winkeldiefstal bij de [bedrijf 1] – nadat hij was betrapt – geweld gebruikt door slaande bewegingen naar de winkelmedewerkers te maken en heeft jegens hen bedreigingen geuit. Daarbij heeft hij één van de winkelmedewerkers daadwerkelijk geraakt en hem letsel toegebracht. Blijkens de vordering benadeelde partij heeft deze winkelmedewerker hier pijn en letsel door bekomen en was het voor hem een angstige ervaring. Voorts heeft de bedreiging met geweld en het gepleegde geweld plaatsgevonden buiten de [bedrijf 1], een voor het publiek toegankelijke plaats, zodat het voor omstanders waarneembaar was. Het is algemeen bekend dat dergelijke feiten niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers veroorzaken, maar ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 oktober 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor uiteenlopende strafbare feiten.

Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat voorts rekening gehouden met de Pro Justitia rapportage betreffende de verdachte van 30 oktober 2017 van de deskundige [naam 1], arts in opleiding tot psychiater, onder supervisie van [naam 2], psychiater, die weliswaar is opgesteld in een andere strafzaak, maar welke rapportage naar het oordeel van het hof eveneens kan worden gebruikt in deze zaak.

Uit deze rapportage blijkt dat de verdachte verslaafd is aan (onder andere) cocaïne en is gediagnosticeerd met schizofrenie van het paranoïde type. De verdachte heeft een ziektebesef, maar het ontbreekt hem aan zelfinzicht. De verdachte is eerder (gedwongen) opgenomen geweest voor de behandeling van zijn verslaving, maar de effecten waren kortdurend en zeer beperkt. De verdachte laat zich, gezien de ernst en duur van de stoornis en het cocaïnegebruik, leiden door de afhankelijkheid van het middel. In het rapport wordt geconcludeerd het ten laste gelegde waar de rapportage op ziet aan de verdachte verminderd toe te rekenen. Het hof is – met de advocaat-generaal en de raadsvrouw – van oordeel dat aan de verdachte, die nog steeds in dezelfde positie verkeert als ten tijde van voornoemde rapportage, de onderhavige ten laste gelegde feiten eveneens in verminderde mate moeten worden toegerekend.

De raadsvrouw heeft het hof in het kader van de bij strafoplegging te maken afweging voorts gewezen op de navolgende persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is zwaar verslaafd en heeft zeer ernstige psychische problemen. Zijn moeder, die zijn mentor is, en zijn tante zijn momenteel de procedure tot onder curatelestelling gestart.
De verdachte heeft altijd een eigen woonruimte gehad maar is onlangs zijn woonruimte kwijtgeraakt en leeft nu op straat. Voor de verdachte is dit een besefmoment geweest en hij zoekt nu voor de eerste maal in zijn leven zelf de hulpverlening op. Waar in het verleden het beeld is ontstaan dat de verdachte niet gemotiveerd genoeg was om aan zichzelf te werken, staat hij nu wel open voor hulpverlening. Om deze hulpverlening op te kunnen starten verzoekt de raadsvrouw – met inachtneming van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en met het oog op de openstaande zaken die binnenkort bij de rechtbank behandeld gaan worden – te volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof reden een groot deel van deze straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 571,00 te vermeerderen met wettelijke rente. De gehele vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Zijdens de verdachte is de vordering niet betwist en ligt dit de vordering voor toewijzing gereed. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 91 (eenennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 571,00 (vijfhonderdeenenzeventig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 2], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 571,00 (vijfhonderdeenenzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 oktober 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2018.

Mr. J.H.C. van Ginhoven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.