Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4112

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
200.209.212/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:4863
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:321, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Omgang; verstoorde verhouding tussen ouders; kind klem tussen ouders en contact met vader in dit stadium in strijd met zwaarwegende belangen kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.209.212/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/599570 / FA RK 15-9151

Beschikking van de meervoudige familiekamer van 6 november 2018 inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.L. Hamburger te Amstelveen.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de moeder] ,

- [de stiefvader] ,

verder respectievelijk te noemen de moeder en de stiefvader,

verweerders in principaal hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam;

- de minderjarige [dochter] (hierna: [de minderjarige] );

- de bijzondere curator mevrouw drs. S. Kanselaar.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in hoger beroep naar hetgeen is overwogen in zijn tussenbeschikking van 21 november 2017. Bij die beschikking is – voor zover thans van belang – mevrouw drs. S. Kanselaar benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige] .

1.2

Bij het hof zijn nadien ingekomen:

- de rapportage van de bijzondere curator, ingekomen op 13 maart 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 18 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum.

1.3

De mondelinge behandeling is op 28 juni 2018 voortgezet. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder en de stiefvader, bijgestaan door mr. E.S. Lassche;

- de bijzondere curator;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw H. Ouyanik.

1.4

In navolging van hetgeen ter zitting is besproken en beslist, zijn bij het hof nog de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 8 juli 2018, met een bijlage;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder en de stiefvader van 19 juli 2018, met een bijlage;

- een brief van de bijzondere curator van 10 augustus 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 augustus 2018.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Bij de tussenbeschikking heeft het hof zich op grond van het bepaalde in artikel 1:377g Burgerlijk Wetboek (BW) ambtshalve bevoegd geacht de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader in volle omvang te beoordelen, dus niet alleen wat betreft het verzoek van de vader in principaal hoger beroep met betrekking tot de vakantieregeling, maar ook wat betreft de reguliere twee wekelijkse omgangsregeling omtrent welke regeling [de minderjarige] in een gesprek met de voorzitter heeft laten blijken een beslissing op prijs te stellen (rechtsoverweging 5.6). Het hof heeft mevrouw Kanselaar tot bijzondere curator over [de minderjarige] benoemd teneinde de belangen van [de minderjarige] te behartigen, haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen en onderzoek te verrichten naar de wensen van [de minderjarige] met betrekking tot de omgang met de vader en naar de vraag of en zo ja, welke omgangsregeling in het belang is van [de minderjarige] (r.o. 5.13). Daartoe is in de tussenbeschikking het volgende overwogen (r.o. 5.11):

Vaststaat dat er sinds maart 2017 geen omgang meer tussen [de minderjarige] en de vader heeft plaatsgevonden, anders dan (over en weer) per WhatsApp of telefonisch. [de minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de voorzitter en de griffier te kennen gegeven deze laatste vormen van contact te willen voortzetten en voorts zelf de opbouw en de frequentie van een verdergaande omgang te willen bepalen. Desgevraagd heeft zij tevens medegedeeld de verantwoordelijkheid die hierdoor op haar zou komen te rusten, niet te groot te vinden en aan te kunnen. Naar het oordeel van het hof behoeft dit punt in hoger beroep nadere aandacht. [de minderjarige] is, hoewel inmiddels dertien jaar, nog jong en heeft veel meegemaakt. De omgang tussen haar en de vader is gedurende haar hele leven tot nu toe veelvuldig onderwerp van geschil geweest tussen de ouders. In het verleden heeft bovendien gedurende een jaar geen omgang plaatsgevonden, waarover [de minderjarige] zich in die periode – naar zij tijdens het gesprek heeft medegedeeld – schuldig heeft gevoeld. Voorts heeft doorgaans te gelden dat omgang moeilijker is op te starten naarmate deze langer achterwege is gebleven.

2.2

Het hof heeft bij de tussenbeschikking voorts ambtshalve bepaald dat, totdat in hoger beroep een eindbeschikking is gegeven, geen omgang tussen [de minderjarige] en de vader zal plaatsvinden, met uitzondering van de situatie dat [de minderjarige] dat wil en met uitzondering van contact (over en weer) per WhatsApp of telefonisch.

2.3

De bijzondere curator vermeldt in haar rapport dat [de minderjarige] op dit moment een duidelijke behoefte heeft: zij wil geen face to face contact met haar vader (p.10). Het rapport bevat daartoe onder meer het volgende:

[de minderjarige] geeft aan bang te zijn voor haar vader. Ze wil graag zelf de regie houden en vindt dat ze dat bij haar vader niet heeft. Telefonisch contact is volgens [de minderjarige] de enige veilige manier van contact hebben met haar vader (p. 8). (…) In het contact met haar vader is er sprake van chronische onzekerheid. [de minderjarige] geeft aan bang te zijn voor een (onverwachte) confrontatie met haar vader, wat erop duidt dat zij onvoldoende gevoel van grip en controle heeft, en dit bedreigt haar gevoel van competentie (…) De verbondenheid met haar vader staat zeer onder druk (p. 9). (…) [de minderjarige] heeft behoefte aan emotionele veiligheid in afhankelijkheidsrelaties (lees: relaties met personen met wie zij verbonden is of zich verbonden voelt; met haar ouders en stiefouders). [de minderjarige] heeft het nodig om met name door haar vader, maar ook van andere belangrijke zorgfiguren, respect, wederkerigheid en zelfbeschikking te ervaren en erop te kunnen vertrouwen dat dit oprecht en duurzaam is. [de minderjarige] heeft er behoefte aan dat haar vader echt begrijpt dat hij [de minderjarige] heeft beschadigd en dat hij gelooft en accepteert dat [de minderjarige's] weerstand tegen contactherstel niet door de opvattingen van haar moeder wordt bepaald. Het is haar eigen keuze.

[de minderjarige] wil dat haar ouders ophouden ruzie te maken over haar. [de minderjarige] wil dat beide ouders (vanuit een verschillend perspectief) geen druk op haar uitoefenen. [de minderjarige] heeft er behoefte aan dat haar vader en moeder gewoon met elkaar overleggen en dat de keuzes die voor haar belangrijk zijn, door hen samen worden genomen.

Ondergetekende ziet voor de ontwikkeling van [de minderjarige] geen belemmeringen om aan haar behoeften tegemoet te komen en acht van belang dat deze worden gehonoreerd (p.10). (…).

2.4.

Met betrekking tot het werken aan contactherstel merkt de bijzondere curator het volgende op.

Het feit dat [de minderjarige] haar gevoelens niet de vrije loop kan laten, uit angst dat deze worden bekritiseerd, veroorzaakt gereserveerdheid die haar emotionele ontwikkeling belemmert (p. 10). [de minderjarige] maakt melding van ervaringen met haar vader die opgevat kunnen worden als emotioneel onveilig doordat het een schrikeffect veroorzaakt. Gevolg hiervan is dat negatieve emoties van vader versterkt worden geuit en die zijn altijd bedreigend voor kinderen. (…) Haar manier om weg te lopen van het gedrag is: ‘Ik stel mijzelf niet meer bloot aan het risico dat mijn grenzen worden overschreden’. Daarmee zorgt zij goed voor zichzelf. Dit is echter een gevolg van de strijd tussen de ouders.

Kijkend naar het ontwikkelingsperspectief; samenwerken, zich inleven in anderen, eigen waarden en normen ontwikkelen maar ook beseffen dat anderen andere normen en waarden kunnen hebben, kan gesteld worden dat het voorbeeld dat deze ouders geven aan [de minderjarige] door geen gezamenlijk ouderschap uit te voeren, niet gezamenlijk in gesprek c.q. overleg te gaan over [de minderjarige] , niet bijdraagt aan deze ontwikkeling.

Op grond van mijn bevindingen kan ik niet uitsluiten dat [de minderjarige] deze ruimte bij haar moeder ook niet altijd ervaart. Kijken we naar een weegschaal met goede en minder goede ervaringen, dan zijn de goede ervaringen waarschijnlijk doorslaggevend voor haar gevoel van veiligheid en zekerheid in de relatie met haar moeder.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis (voor zover die zichtbaar wordt uit de verhalen van moeder, vader, derden en rapportages) concludeert ondergetekende dat in de ontwikkelingslijn al veel langer stagnaties optreden. Het is dan ook van groot belang dat het kind in haar ontwikkeling niet nog langer belast wordt met een instabiele ouder-kindrelatie.

Wil de vader een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van zijn dochter, dan zal de vader allereerst moeten investeren in besef van wat een veilige hechtingsrelatie inhoudt. Daarvoor is hulpverlening passend.

Ondergetekende schat in dat [de minderjarige] ondanks haar zelfwaardering en zelfzekerheid emotioneel en sociaal nog erg kwetsbaar is. De herhaalde negatieve en agressieve ervaringen die [de minderjarige] heeft met vader, en ook de onzekerheid die de rechtszaken telkens met zich meebrengen, hebben ontegenzeggelijk bij [de minderjarige] psychische kwetsuren veroorzaakt. Hoewel voor haar identiteits- en persoonlijkheidsontwikkeling een goede band met beide biologische ouders heel belangrijk is, is een biologische band alleen geen garantie voor goed ouderschap.

[de minderjarige] heeft het nodig dat haar vader verantwoordelijkheid neemt voor zijn rol in de breuk en dat hij investeert in wat heet sensitief en responsief ouderschap. Vader moet oog en aandacht hebben voor de gevoelens en behoeften van [de minderjarige] en voor haar eigenheid, dat hij [de minderjarige] waardeert en stimuleert, dat hij voorkomende negatieve gevoelens bij [de minderjarige] zoals onzekerheid, angst, frustratie, boosheid en machteloosheid, helpt dragen en oplossen. Ook de moeder en anderen uit [de minderjarige] haar omgeving doen er goed aan het initiatief voor relatieherstel geheel bij [de minderjarige] te laten.

Ondergetekende ziet op dit moment bij [de minderjarige] geen ruimte voor het werken aan contactherstel met haar vader. Zij kan nog niet (opnieuw) investeren in herstel van de band met haar vader. Belangrijk voor haar is nu een stressvrije ruimte voor haar huidige ontwikkelingstaken (p.11).

2.5

De conclusie van het rapport van de bijzondere curator luidt als volgt (p. 12/13).

[de minderjarige] is een 13 jarig meisje dat goed functioneert op de Havo. Aangenomen mag worden dat ze minimaal een gemiddelde intelligentie heeft. [de minderjarige] is in staat oorzaak-gevolg te overzien, ze kan haar grenzen stellen in schoolse situaties en is in staat in verschillende contexten keuzes te maken. Ze kan dan ook wilsbekwaam geacht worden. Dit heeft in het contact met haar vader tot gevolg dat haar behoefte van het niet hebben van face-to-face contacten gehonoreerd kan worden.

[de minderjarige] overziet de gevolgen van de (huidige) vorm van contact met haar vader. De impact van de rechtszaken, het aanwezig zijn van een strijdkader, heeft een zichtbare uitwerking op [de minderjarige] . Het verhoogt onzeker gedrag op school alsook het signaal dat ze zich niet langer meer wil blootstellen aan de onveilige situatie. Het feit dat [de minderjarige] heeft gekozen zich niet meer bloot te stellen aan dit gedrag, duidt erop dat hun relatie onveilig is en daar zal vader aan moeten werken.

[de minderjarige] zorgt hiermee goed voor zichzelf en geeft daarmee (deels onbewust) de voorkeur aan haar eigen ontwikkeling.

Wil [de minderjarige] open kunnen staan voor (mogelijk) herstelcontact met haar vader dan is het aan te bevelen dat vader met behulp van professionele ondersteuning sensitief en responsief ouderschap ontwikkelt. Dit zal inhouden dat het niet hebben van face-to-face contacten met [de minderjarige] voor dit moment gecontinueerd wordt. Het is aan de professional om samen met vader te onderzoeken hoe deze vorm van ondersteuning zo goed mogelijk vorm gegeven kan worden zodat vader gemotiveerd blijft, zich gesteund voelt in het feit dat hij werkt aan een doel namelijk het optimaliseren van de ouder-kindrelatie.

[de minderjarige] zal bij het ervaren van ander gedrag van haar vader mogelijk open staan voor contact met haar vader.

Wil verdere stagnatie van de ontwikkeling voorkomen worden dan doen beide ouders er goed aan om de rechtszaken te stoppen en is het aan te bevelen hulpverlening in te zetten startend bij de ouders (individueel) gevolgd door gezamenlijke therapie. Hierbij valt te denken aan hechtingsgerichte systeemtherapie of AFFT (Attachment Family Focused Therapy).

2.6

De moeder en de stiefvader kunnen zich blijkens hun stellingen vinden in het rapport en advies van de bijzondere curator.

De vader kan zich daar niet in vinden. Hij handhaaft zijn verzoek in hoger beroep met betrekking tot de omgangsregeling zoals neergelegd in zijn appelschrift. Daarnaast verzoekt hij het hof op grond van artikel 810a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) om een contra expertise door een door hemzelf in te schakelen deskundige. Tevens verzoekt hij het hof partijen te verplichten de therapie ‘Kinderen uit de knel’ van het Lorentzhuis te volgen dan wel een beschermingsonderzoek te laten verrichten teneinde dit te bewerkstelligen. Hij voert daartoe het volgende aan.

De bijzondere curator schetst in haar rapport ten onrechte een beeld van het gedrag van de vader, waarbij het probleem dat [de minderjarige] met de vader zou hebben, volledig debet is aan de wijze waarop de vader invulling dan wel geen invulling heeft gegeven aan de dertien jaar lange omgang met [de minderjarige] . Dat beeld, inhoudende dat [de minderjarige] agressieve en herhaalde negatieve ervaringen heeft gehad bij haar vader en dat zij grote angst jegens hem koestert of heeft gekoesterd, is niet in overeenstemming met hetgeen [de minderjarige] zelf heeft aangegeven bij de rechters en de hulpverlenende instanties, en is ook overigens uit geen enkel onderzoek naar voren gekomen. De bijzondere curator laat geheel achterwege dat de omgang die de vader vanaf 2004 met [de minderjarige] heeft gehad, door de vader bevochten heeft moeten worden en door de moeder sindsdien stelselmatig is gefrustreerd. Door toedoen van de moeder is de omgang inmiddels al geruime tijd geheel gestagneerd. De vader wil graag investeren in de hechtingsrelatie met zijn dochter, maar krijgt daartoe van de moeder geen kans. In tegenspraak daarmee concludeert de bijzondere curator tevens dat er volgens haar op dit moment bij [de minderjarige] geen ruimte is om te werken aan contactherstel met de vader, terwijl zij dat blijkbaar wel erg nodig heeft en terwijl de therapeute drs. Idelenburg die [de minderjarige] drie jaar heeft behandeld, die ruimte in februari 2017 wel zag. Ten onrechte heeft de bijzondere curator deze deskundige niet als informant gehoord, maar wel de eerder door de rechtbank benoemde bijzondere curator die door de moeder om therapie voor [de minderjarige] is verzocht en dus niet meer objectief kan zijn, en die bovendien mogelijk haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Evenmin heeft de bijzondere curator de informatie die de vader haar over de moeder en haar verleden heeft verstrekt, in haar rapport en advies verwerkt. Dit terwijl de gedragingen die [de minderjarige] bij de bijzondere curator heeft laten zien, te herleiden zijn tot moeders verleden (de ervaringen uit haar kindertijd en haar gedragingen en gevoelens met betrekking tot de vader). Bovendien heeft de bijzondere curator haar gesprekken met [de minderjarige] bij [de minderjarige] thuis in de nabijheid van de moeder gevoerd. Het kan niet anders dan dat de moeder aan het woord is geweest bij de bijzondere curator dan wel dat het gedrag van de moeder bij [de minderjarige] is geïnstitutionaliseerd. De moeder heeft [de minderjarige] door de jaren heen zodanig beïnvloed dat zij geen juiste omgangskeuzes kan maken en de omgang met de vader niet op zijn merites kan beoordelen. Doordat de moeder [de minderjarige] op alle mogelijke manieren van de vader heeft vervreemd en haar van contact met hem heeft afgehouden, kan [de minderjarige] zich geen goed beeld van de vader vormen op basis van haar eigen ervaringen en wordt zij bedreigd in haar sociaal emotionele ontwikkeling. Indien de bijzondere curator van mening is dat contactherstel op dit moment niet in het belang is van [de minderjarige] , maar dat in dit kader hulpverlening aan de zijde van de vader passend is, dient ook de moeder hierbij te worden betrokken en dient zij zich daarvoor open te stellen, wil de hulpverlening kans van slagen hebben. Nu de moeder niet openstaat voor het traject ‘Kinderen uit de knel’ van het Lorentzhuis, dient in het belang van [de minderjarige] een beschermingsonderzoek te worden verricht teneinde die medewerking te bewerkstelligen. Als nu niet wordt ingegrepen, zal herstel van de omgang steeds moeilijker worden en zal [de minderjarige] ook van haar halfbroertje en stiefmoeder vervreemden alsmede van de familie van de vader in Israël, met wie zij een goede band heeft, aldus de vader.

2.7

De vader heeft zijn verzoek op grond van artikel 810a lid 1 Rv. ter zitting aldus nader gespecificeerd dat hij verzoekt een verklaring van zijn psycholoog in het geding te mogen brengen. Het hof heeft dat verzoek ter zitting toegewezen. Daarop heeft de vader een brief van dr. M. Cohen, GZ-psycholoog/psychotherapeut, gedateerd 15 juni 2018, overgelegd. Anders dan door de moeder en de stiefvader in hun schriftelijke reactie daarop is bepleit, ziet het hof onvoldoende aanleiding deze brief buiten beschouwing te laten, omdat deze niet zou zijn aan te merken als een deskundigenrapport in de zin van artikel 810a lid 1 Rv. Het hof zal de brief hierna, voor zover nodig, bij zijn inhoudelijk oordeel betrekken, evenals de schriftelijke reactie daarop van de moeder en stiefvader alsmede die van de bijzondere curator. Anders dan door de vader in zijn laatste reactie is betoogd, is er geen reden om de reactie van de bijzondere curator op voorhand buiten beschouwing te laten.

2.8

Voor zover de vader bedoelt te stellen dat het rapport van de bijzondere curator niet op deugdelijke wijze tot stand is gekomen doordat het onderzoek gebreken vertoont dan wel doordat de bijzondere curator zich partijdig heeft opgesteld en zich niet aan de opdracht van het hof heeft gehouden, verwerpt het hof dat standpunt. De bijzondere curator heeft ter zitting haar (wijze van) onderzoek alsmede de keuzes die zij daarbij heeft gemaakt en de uitkomst daarvan afdoende nader toegelicht en onderbouwd. Tevens heeft de bijzondere curator duidelijk gemaakt waarom zij drs. Idelenburg niet als informant heeft kunnen raadplegen. Het rapport bevat voorts in voldoende mate antwoord op de vragen van het hof. Van een partijdige opstelling van de bijzondere curator is het hof geenszins gebleken. Ook overigens is, anders dan door de vader betoogd, niet gebleken van feiten of omstandigheden die het hof reden geven de rapportage van de bijzondere curator bij zijn beoordeling van de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te laten. Dat geldt ook voor de wensen van [de minderjarige] zoals die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en in het rapport zijn verwoord. De bijzondere curator acht haar wilsbekwaam en het hof ziet geen reden aan de authenticiteit van haar wensen te twijfelen. Dat sprake is van zodanige beïnvloeding van [de minderjarige] door de moeder dat hierover anders moet worden geoordeeld, is niet komen vast te staan.

2.9

De bijzondere curator heeft ter zitting, mede op vragen van het hof, de raadslieden en de raad, haar rapport nader toegelicht. In de kern komt het, zo begrijpt het hof, hierop neer. In [de minderjarige's] leven is tot op heden nooit sprake geweest van gezamenlijk ouderschap van haar beide ouders. De vader en de moeder zijn tot nu toe niet in staat gebleken met elkaar te communiceren en te overleggen over [de minderjarige] . Er zijn veel rechtszaken tussen hen gevoerd. Dit alles heeft bij [de minderjarige] spanningen en een gevoel van grote onveiligheid veroorzaakt. Met name daardoor ontbreekt nu de basis voor face to face contact met haar vader. [de minderjarige] kiest nu voor zichzelf en haar eigen ontwikkeling, daar waar zij zich het meest veilig voelt, namelijk bij de moeder en stiefvader thuis. Het loyaliteitsconflict is zij allang voorbij. Voor gezamenlijk ouderschap en daarmee een basis voor face to face contact tussen [de minderjarige] en de vader, is nodig dat beide ouders zich daarvoor inzetten, eerst door middel van individuele begeleiding en vervolgens door middel van gezamenlijke therapie.

De bijzondere curator heeft ter zitting, mede op een vraag van de raad, haar vertrouwen uitgesproken dat de ouders, ondanks alles wat er tussen hen is gebeurd, in het belang van [de minderjarige] in staat zullen zijn vorm te geven aan gezamenlijk ouderschap en zich daartoe in het vrijwillig kader te laten begeleiden.

2.10

De raad heeft het hof ter zitting medegedeeld zich in het advies van de bijzondere curator te kunnen vinden. De ouders dienen eerst ieder individueel te worden begeleid, zonder dat zij daaraan over en weer voorwaarden verbinden die betrekking hebben op de ander, en vervolgens gezamenlijk. Zolang de ouders dit achterwege laten, is er voor [de minderjarige] geen ruimte voor gezond en onbelast contact met beide ouders. De strijd tussen de ouders en de daaruit voortvloeiende rechtszaken moeten stoppen. Afgewacht moet worden of de ouders hieraan invulling zullen geven en welke trajecten zij zullen volgen. Mocht er niets of te weinig gebeuren, dan zal de raad overwegen een beschermingsonderzoek te starten. Daar is in dit stadium nog geen aanleiding voor, aldus de raad.

2.11

Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt bij de onderhavige beoordeling is het recht van de vader op omgang met [de minderjarige] . Dat recht wordt, wat de vader betreft, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a BW. Duidelijk is dat de vader tevens een zwaarwegend belang heeft bij regelmatige omgang met zijn dochter. Dat belang wordt door de moeder en de stiefvader ook niet betwist en blijkt temeer uit de brief van dr. Cohen die de vader na de zitting heeft overgelegd. Gedurende het grootste deel van [de minderjarige's] leven heeft omgang met de vader op regelmatige basis plaatsgevonden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a BW kan de rechter de ouder die niet met het gezag is belast, het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in het derde lid van dat wetsartikel limitatief opgesomde gronden, die in de kern erop neerkomen dat zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. Dat een ouder zich tegen omgang van het kind met de andere ouder verzet, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Daarvan kan echter wel sprake zijn indien het kind klem komt te zitten of verloren kan raken tussen de beide ouders als de omgang zou worden afgedwongen, met als gevolg dat de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind, of anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Op grond van de rapportage van de bijzondere curator, haar toelichting daarop ter zitting en hetgeen voor het overige in deze procedure naar voren is gekomen, is voldoende aannemelijk geworden dat [de minderjarige] klem zit tussen de ouders en dat er bij haar als gevolg daarvan geen ruimte bestaat voor herstel van de omgang met de vader die ruim anderhalf jaar geleden is gestopt. Er bestaat nu alleen WhatsApp-contact tussen hen. Het hof is daarom van oordeel dat herstel van het contact tussen de vader en [de minderjarige] , anders dan door middel van (over en weer) WhatsApp-contact of telefonisch, in dit stadium in strijd moet worden geacht met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Het rapport van de bijzondere curator en de toelichting daarop ter zitting maakt voldoende duidelijk dat voor hervatting van de omgang pas aanleiding kan bestaan als het contact tussen de ouders is verbeterd, zodanig dat zij invulling kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap en [de minderjarige] aldus de noodzakelijke ruimte kunnen bieden voor face to face contact met de vader. Daarvan is thans nog geen sprake; de verhouding tussen de ouders is nog steeds ernstig verstoord. Het hof heeft de indruk dat de ouders daarvan beiden veel last hebben, maar zowel de moeder als de vader is ervan overtuigd dat de oorzaak van het verstoorde contact tussen hen bij de ander ligt. Zeker is dat de ouders nog een lange weg hebben te gaan alvorens zij gezamenlijk een basis kunnen vormen waarop ruimte kan ontstaan voor [de minderjarige] om weer face tot face contact te hebben met de vader. Het is aan de ouders om dat in het belang van [de minderjarige] te bewerkstelligen, met inachtneming van de aanbevelingen daartoe van de bijzondere curator die het hof onderschrijft. Dat betekent dat nodig is dat beide ouders zich daarvoor inzetten, eerst door middel van individuele begeleiding en pas daarna door middel van gezamenlijke therapie. Hierop stuit het verzoek van de vader af om de ouders thans verplicht te verwijzen naar het Lorentzhuis, c.q. het programma Kinderen uit de Knel. Positief is dat de vader, naar ter zitting is gebleken, sinds september 2017 in therapie is en dat, getuige de brief van dr. Cohen, het contact met [de minderjarige] daarin heel vaak onderwerp van bespreking is. Dat is een begin van zijn kant. Voor het overige geeft de inhoud van de brief van dr. Cohen geen aanleiding tot een ander oordeel.

2.12

In de beschikking van 21 november 2017 is de vader niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek [de minderjarige] ambtshalve onder toezicht te stellen. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen in r.o. 5.1 van de betreffende beschikking is overwogen. Het hof ziet geen aanleiding anders te oordelen ten aanzien van het thans door de vader gedane verzoek een beschermingsonderzoek te laten verrichten. De vader heeft bij een dergelijk onderzoek in deze procedure geen rechtens te respecteren belang. Zoals reeds in de beschikking van 21 november 2017 is overwogen, kan de vader in deze zaak in hoger beroep niet voor het eerst zo’n jeugdbeschermingsmaatregel verzoeken. Ook de raad zou dat niet kunnen, reeds omdat die in deze procedure geen belanghebbende is. Het staat in de gegeven omstandigheden het hof bovendien niet vrij om ambtshalve een ondertoezichtstelling uit te spreken. De resultaten van het door de vader voorgestane onderzoek kunnen hem in deze procedure dan ook niet baten. Los daarvan is het hof, in navolging van de raad en gelet op het feit dat partijen zich ter zitting bereid hebben verklaard de aanbevelingen van de bijzondere curator op te volgen, van oordeel dat in dit stadium onvoldoende grond bestaat om ambtshalve een beschermingsonderzoek te gelasten.

2.13

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking voor zover deze de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader betreft, vernietigen en beslissen als na te melden. Het verzoek van de vader in hoger beroep zoals in zijn appelschrift verwoord, zal worden afgewezen. Voor de door de vader gevraagde proceskosten-veroordelingen is, gezien de uitkomst van de onderhavige procedure in zowel principaal als incidenteel hoger beroep, geen plaats.

3 De beslissing

Het hof:

verklaart de vader niet ontvankelijk in zijn verzoek om een beschermingsonderzoek te gelasten;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover deze de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader betreft, en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat tussen [de minderjarige] en de vader geen omgang zal plaatsvinden, met uitzondering van contact (over en weer) per WhatsApp of telefonisch;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen de vader in hoger beroep meer of anders heeft verzocht met betrekking tot de omgang met [de minderjarige] .

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, A.V.T. de Bie en J.W. Brunt, bijgestaan door mr. J. Stein als griffier, en is op 6 november 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.