Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4085

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
200.242.347/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing en vervangende toestemming, psychische gezondheid minderjarige in ernstig gevaar.

Artikelen: 1:265b lid 1 BW en 1:265h lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.242.347/ 01

zaaknummers rechtbank: C/13/641842 / JE RK 18-51 en C/13640970 / JE RK 17-1315

beschikking van de meervoudige kamer van 6 november 2018 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P. Figge te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als informant is aangemerkt:

- [de vader] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de in een proces-verbaal neergelegde mondelinge uitspraken van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam, beide van 12 april 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 10 juli 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 12 april 2018.

2.2

De GI heeft op 14 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Op 28 september 2018 is per mail een verslag van de huidige leefgezinsouders (hierna mede te noemen: [X] en [Y] ) en de aan [minderjarige] gekoppelde gedragswetenschapper van Intermetzo, binnengekomen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 1 oktober 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, in aanwezigheid van een stagiaire;

- de GI vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [A] ;

- de vader.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - geboren:

- [minderjarige] , [in] 2010.

De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] .

3.2

[minderjarige] staat sinds 21 januari 2016 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 21 januari 2019.

3.3

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 7 januari 2016 gedurende dag en nacht uit huis geplaatst. De machtiging is bij de bestreden uitspraak laatstelijk verlengd tot 21 januari 2019.

3.4

[minderjarige] heeft sinds 8 januari 2016 bij de vader en vanaf 8 maart 2016 bij verschillende pleeggezinnen van de Bascule verbleven. Vanaf 8 mei 2018 heeft zij in een leefgezinshuis van Intermetzo verbleven. Sinds juli 2018 verblijft zij bij [X] en [Y] die sindsdien eveneens als leefgezinshuis aan Intermetzo verbonden zijn.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden uitspraak met zaaknummer C/13/641842 / JE RK 18-51 is op verzoek van de GI de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin dan wel voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpverlener met ingang van 21 april 2018 tot 21 januari 2019 verlengd.

Bij de bestreden uitspraak met zaaknummer C/13/640970 / JE RK 17-1315 is op verzoek van de GI vervangende toestemming verleend voor de medische behandeling van [minderjarige] , inhoudende: het verrichten van diagnostiek en behandeling van [minderjarige] met het oog op de voorgenomen doorplaatsing van [minderjarige] naar een leefgezinshuis van Intermetzo Jeugdzorg.

4.2

De moeder verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraken en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de inleidende verzoeken van de GI worden afgewezen.

4.3

De GI verzoekt het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden uitspraken te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder komt op tegen de vervangende toestemming [minderjarige] in een leefgezinshuis te plaatsen. Zij stelt dat het gezin [achternaam] een goed pleeggezin voor [minderjarige] zou zijn. [minderjarige] heeft sinds 2016 in zeven of acht verschillende pleeggezinnen gewoond en heeft nu behoefte aan een stabiel, perspectief biedend pleeggezin. Het gezin [achternaam] kan die stabiliteit bieden en is ook overigens geschikt. Dit moet geprobeerd worden nu de GI heeft aangegeven dat [minderjarige] , na de plaatsing bij Intermetzo, waarschijnlijk niet meer thuis zal worden geplaatst. Het toezicht op de plaatsing bij het gezin [achternaam] wordt gewaarborgd door de ondertoezichtstelling. Juist doordat gezin [achternaam] in de buurt van de moeder woont, kan worden toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder heeft haar opvoedvaardigheden inmiddels op vele punten verder ontwikkeld.

De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en het geven van vervangende toestemming voor medische behandeling is in strijd met artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK. Nu er een netwerkpleeggezin beschikbaar is, leveren de machtiging en de vervangende toestemming een schending van het recht op familie- en gezinsleven op. Voorts is hiermee sprake van een schending van de rechten van [minderjarige] om op te mogen groeien in een gezinssituatie, aldus de moeder.

5.2

De GI stelt zich vooreerst op het standpunt dat het beroepschrift van de moeder niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen nu er geen concrete grieven in worden aangevoerd. Dit leidt er volgens de GI toe dat het beroepschrift onvolledig is, niet aan de formele vereisten voldoet en het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Indien het hof de moeder toch ontvankelijk acht, voert de GI het volgende verweer.

Het gezin waartoe [minderjarige] behoort, is sinds 31 december 2007 bekend bij de GI. Tot 2015 was de GI in het vrijwillig kader betrokken. Op 7 januari 2016 is [minderjarige] tegelijk met twee broers onder toezicht gesteld en met spoed uithuisgeplaatst. Sindsdien is de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengd. [minderjarige] heeft in de pleeggezinnen zorgelijke kindsignalen laten zien. In juni 2016 heeft de Vliegende Brigade, als onderdeel van de Bascule en Spirit problemen in de ouder-kind relatie, verwaarlozing, sibling rivalry en PTSS en/of hechtingsproblemen gesignaleerd. Hierop wordt [minderjarige] in een therapeutisch pleeggezin (Multidimensionale Therapeutische Pleegzorg, hierna: MTP) van de Bascule geplaatst. [minderjarige] heeft vervolgens in verschillende therapeutische pleeggezinnen van de Bascule gezeten waarna de Bascule behandeling door Intermetzo heeft geadviseerd omdat zij telkens forse gedragsproblemen toonde. De problematiek van [minderjarige] heeft bij het eerste leefgezinshuis van Intermetzo ertoe geleid dat behandeling vroegtijdig is stopgezet. Hierna is zij geplaatst bij het pleeggezin van [X] en [Y] , dat zij al kende omdat zij bij hen vakanties en weekenden doorbracht. [X] en [Y] hebben in juli 2018 de opleiding tot leefgezinshuis bij Intermetzo gevolgd. Nu bieden zij een perspectief biedend leefgezinshuis voor [minderjarige] . [minderjarige] woont dan ook vanaf juli 2018 bij hen.

In navolging van de adviezen van de Bascule, is de GI van mening dat plaatsing van [minderjarige] binnen de huidige therapeutische gezinssituatie in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De betrokken gedragswetenschapper kan de ontwikkeling van [minderjarige] goed monitoren, deze ondersteuning is van groot belang voor [minderjarige] . De plaatsing bij [X] en [Y] komt het meest tegemoet aan hetgeen [minderjarige] nodig heeft om zich veilig te kunnen ontwikkelen. Plaatsing bij het door de moeder voorgestelde gezin dan wel bij de moeder zelf biedt [minderjarige] niet hetgeen thans voor haar noodzakelijk is.

De vervangende toestemming is noodzakelijk voor de plaatsing bij Intermetzo zodat de benodigde diagnostiek en behandeling kan worden verricht. Om de plaatsing en behandeling binnen Intermetzo in stand te houden is het noodzakelijk dat de bestreden uitspraken worden bekrachtigd.

5.3

De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat het leefgezinshuis [minderjarige] een plek biedt waar zij zich veilig kan hechten en professionele begeleiding krijgt. De gedragswetenschapper van Intermetzo gebruikt de stabiliteit van het leefgezinshuis als onderdeel van de behandeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft de behandeling van Intermetzo nodig en de moeder zou haar daarbij kunnen helpen door haar te vertellen dat haar perspectief in het leefgezinshuis is. De raad adviseert dan ook de bestreden uitspraken te bekrachtigen.

5.4

Het hof overweegt als volgt.

Ontvankelijkheid

5.5

Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de GI slaagt niet nu uit het beroepschrift voldoende duidelijk blijkt dat en waarom de moeder zich verzet tegen de uithuisplaatsing en daarmee tevens tegen de vervangende toestemming voor medische behandeling. De moeder kan dan ook worden ontvangen in haar hoger beroep.

Uithuisplaatsing

5.6

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.7

[minderjarige] is 7 januari 2016 uithuisgeplaatst nadat al lange tijd zorgen bestonden rondom de veiligheid, stabiliteit en zorg bij de moeder thuis in samenhang met de persoonlijke problematiek van de moeder en haar (ex)partners. Uit een diagnostisch onderzoek van de Bascule is gebleken dat bij [minderjarige] sprake is van een posttraumatische stressstoornis, een reactieve hechtingsstoornis en sibling rivaliteit. [minderjarige] is in december 2016 aangemeld voor een MTP programma van de Bascule omdat er zorgen bestonden over haar psychosociale ontwikkeling en haar gedragsproblemen.

5.8

De moeder kan de opvoedomgeving die [minderjarige] nodig heeft niet bieden. Temeer nu er geen zicht is op de huidige situatie van de moeder. Reeds sinds 2007 is de GI betrokken bij de moeder en heeft zij terugvallen in haar problematiek laten zien. Derhalve kan worden gesproken van een structureel probleem. Daarnaast zorgt zij thans voor twee kinderen, wat de nodige belasting met zich meebrengt. Een en ander vormt een kwetsbaar geheel. De problematiek van [minderjarige] is te zwaar om (net als twee van haar broers) bij de moeder te kunnen wonen.

5.9

Uit de overgelegde rapporten en uit hetgeen de GI heeft aangevoerd is voldoende gebleken dat het voor [minderjarige] noodzakelijk is dat diagnostiek wordt verricht en dagelijkse behandeling wordt gegeven in een therapeutische gezinssetting waarin rust, stabiliteit en een toekomstperspectief kunnen worden geboden. [minderjarige] doet door de verstoring in haar (hechtings)ontwikkeling, de verdere bij haar vastgestelde problematiek en de daaruit voortvloeiende kwetsbaarheden een extra beroep op haar opvoedomgeving en opvoeders. Dat betekent dat een plaatsing bij het door de moeder voorgestelde pleeggezin – nog los van het feit dat het hof geen beslissing kan nemen over de wijze waarop de uithuisplaatsing wordt ten uitvoer gelegd – dan wel bij de moeder zelf, aan [minderjarige] niet de opvoedomgeving en de behandelings- en ontwikkelingsmogelijkheden kan bieden die thans voor haar noodzakelijk is. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de problematiek van [minderjarige] zo complex is dat eerdere pleeggezinnen waar zij in het verleden heeft verbleven haar niet konden bieden wat zij nodig heeft.

Inmiddels is het leefgezinshuis van Intermetzo een perspectief biedend gezin gebleken. [minderjarige] bevindt zich daar in een zeer specialistische opvoedomgeving. Hier zal zij de behandelingen kunnen genieten die zij nodig heeft. Het hof is derhalve van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor haar opvoeding en verzorging noodzakelijk was ten tijde van de bestreden uitspraak en ook thans nog aanwezig is. Het hof zal de bestreden uitspraak inzake de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigen.

Vervangende toestemming

5.10

Ingevolge het eerste lid van artikel 1:265h BW kan de kinderrechter vervangende toestemming verlenen, indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert.

5.11

Uit het voorgaande, de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat observatie en behandeling van [minderjarige] nodig was en is. Daarvoor is vervangende toestemming van de rechter noodzakelijk, nu de moeder geen toestemming geeft om [minderjarige] bij Intermetzo te plaatsen. Er zal nader geobserveerd en gediagnosticeerd moeten worden welke verdere behandeling [minderjarige] nodig heeft binnen het leefgezinshuis. De psychische gezondheid van [minderjarige] is in ernstig gevaar. Nadere diagnostiek is vereist zodat de gedragswetenschapper met het leefgezinshuis kan werken aan de ernstige problematiek die [minderjarige] de afgelopen jaren heeft laten zien. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is tevens gebleken dat Intermetzo daartoe het meest geëigend is. Het hof is dan ook van oordeel dat aan de gronden voor het verlenen van vervangende toestemming is voldaan.

5.12

In het voorgaande ligt besloten dat de machtiging tot uithuisplaatsing en vervangende toestemming voor medische behandeling geen schending van artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK opleveren.

5.13

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de uitspraken waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. M.T. Hoogland en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 6 november 2018 in het openbaar uitgesproken door de raadsheer mr. A.N. van de Beek.