Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4069

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
23-004520-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mega Montage. Veroordeling wegens gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie. Overweging ten aanzien van witwassen en Hawala-bankieren. Gevangenisstraf 13 maanden m.a. Beslissingen ten aanzien van het beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004520-14

datum uitspraak: 5 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 28 oktober 2014 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-710111-10 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

adres: [adres] .

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en er zijn beslissingen genomen ten aanzien van het beslag.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 15 februari 2013 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte voor het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 28 oktober 2014 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11, 12, 14 en 21 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Omvang hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde. Het hoger beroep is zowel namens de verdachte als door het openbaar ministerie onbeperkt ingesteld.

De verdachte is in hoger beroep door het hof Amsterdam veroordeeld voor het onder feit 1 primair en feit 3 ten laste gelegde. Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is cassatie ingesteld. De beroepen waren niet gericht tegen de door het hof gegeven vrijspraak van feit 2. De Hoge Raad heeft de bestreden uitspraak vernietigd, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en heeft de zaak teruggewezen naar het hof Amsterdam.

Gelet op het vorenstaande is na terugwijzing door de Hoge Raad feit 2 niet meer aan de orde in het hoger beroep.

Het hof is van oordeel dat – gelet op het door de verdachte en de officier van justitie ingestelde hoger beroep – de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten in volle omvang aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Met betrekking tot feit 1 geldt echter nog het volgende.

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde de verdachte vrijgesproken van witwassen van de bij een aantal transacties overgedragen/ontvangen geldbedragen en een aantal aangetroffen geldbedragen.

Nu namens de verdachte onbeperkt hoger beroep (en cassatie) is ingesteld, is het hoger beroep thans mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven deelvrijspraken van feit 1. Het hof zal, mede gelet op het standpunt van het openbaar ministerie, de verdachte wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven deelbeslissingen tot vrijspraak.

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens de mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, evenmin gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep opgenomen deelbeslissingen tot vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof zal ook het openbaar ministerie wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven deelbeslissingen tot vrijspraak.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep tevens uitdrukkelijk medegedeeld dat het hoger beroep zich niet richt tegen de onder feit 1 door het hof op 15 februari 2013 gegeven (deel)vrijspraken. Gelet op het vorenstaande zal het hof het openbaar ministerie en de verdachte wegens gebrek aan belang tevens niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van die transacties/bedragen.

Vorenstaande maakt dat in het onderhavige hoger beroep de volgende ten laste gelegde transacties/aangetroffen geldbedragen niet meer aan de orde zijn:

Transacties

  • -

    13 september 2010 - onbekend geldbedrag;

  • -

    21 oktober 2010 - onbekend geldbedrag;

  • -

    5/6 november 2010 - € 50.000,00;

  • -

    28/29 november 2010 - € 130.000,00;

Aangetroffen geldbedragen

  • -

    wasserette [M.H.] - € 50.000,00;

  • -

    fouillering [verdachte] - € 4.557,25.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en hetgeen hiervoor is overwogen is aan de verdachte voor zover thans nog inhoudelijk aan de orde – kort en zakelijk weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 november 2010 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen, subsidiair medeplegen van schuldwitwassen (feit 1) en aan deelname aan een criminele organisatie (feit 3).

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

1 Algemene overweging vooraf en bespreking van een voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft betoogd dat de tapgesprekken waarin in de Memoni-taal is gesproken van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat deze gesprekken zijn vertaald door officiële tolken in de Memoni-taal. De raadsvrouw heeft in dit verband het voorwaardelijk verzoek gedaan de tapgesprekken niet te gebruiken indien door het hof een gevangenisstraf wordt opgelegd voor een langere duur dan zes maanden. In dat geval dienen de tapgesprekken opnieuw te worden vertaald.

De voorwaarde van het verzoek is ingetreden omdat de tapgesprekken tot het bewijs worden gebezigd en – zoals hierna blijkt – in het dictum zal worden bepaald dat een gevangenisstraf van een langere duur dan zes maanden wordt opgelegd.

Het hof acht het evenwel niet noodzakelijk de tapgesprekken opnieuw te vertalen. De raadsvrouw heeft enkel gesuggereerd dat de vertalingen in het dossier onjuist zijn, maar heeft geen passages aangewezen waarin van een onjuiste vertaling sprake is. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van onjuiste vertalingen. Het enkele feit dat ter zitting in hoger beroep door een (andere) tolk – op verzoek van de raadsvrouw – de vertaling van een enkel begrip is opgehelderd, biedt onvoldoende aanleiding om de tapgesprekken opnieuw te laten vertalen.

Ten overvloede wijst het hof erop dat, ook indien het een lagere straf zou opleggen, het ambtshalve de vraag moet stellen en beantwoorden of de tapgesprekken als wettig bewijs kunnen worden gebezigd.

2 Feit 1 primair

Aan de verdachte is onder feit 1 primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.

2.1.

Verweer

De raadsvrouw heeft vrijspraak voor feit 1 bepleit omdat de verdachte is vrijgesproken voor feit 3 (het hof begrijpt feit 2). Nu er geen bewezenverklaring is gevolgd voor overtreding van de Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt) kan – zo begrijpt het hof de raadsvrouw – ook onder feit 1 dat feit niet worden bewezen.

Het verweer wordt verworpen omdat het feitelijke grondslag mist. De raadsvrouw miskent dat het onder 1 tenlastegelegde niet noodzakelijk ziet op overtreding van de Wgt maar op witwassen van geldbedragen afkomstig uit ‘enig misdrijf’.

2.2.

Toetsingskader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezen verklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder b Wetboek van strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel, dan wel artikel 420 ter Wetboek van strafrecht vereist dat het vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Bij geen van de in de onderhavige zaak ten laste gelegde transacties is er bewijs dat de door [verdachte] en zijn medeverdachten overgedragen geldbedragen direct van misdrijf afkomstig zijn. Het hof zal om die reden het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Bij toetsing door de zittingsrechter dienen daarbij de volgende stappen te worden doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Voor een bewezenverklaring van witwassen zal uit de resultaten van een dergelijk onderzoek moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

2.3.

Toepassing toetsingskader op de onderhavige zaak

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak sprake van het verrichten van geldtransacties buiten het formele geldcircuit. Het op deze manier overdragen van (grote) geldbedragen in grensoverschrijdend verband wordt ook wel aangeduid met de term ondergronds of Hawala-bankieren.

Hawala-bankieren is een informele vorm van het verrichten van geldtransacties die berust op het principe van verrekening, binnen een vaak grensoverschrijdende kring van vertrouwenspersonen, die allen hun eigen rol vervullen. Kort gezegd komt het systeem erop neer dat tegen verrekening van de overeengekomen wisselkoers, zonder gebruik te maken van een betaalrekening, door een ‘bankier’ en met behulp van een of meer tussenpersonen een geldbedrag betaalbaar wordt gesteld, dat op een eerder moment elders is ingebracht. De hierdoor ontstane schuld bij de uitkerende bankier wordt voldaan door (latere) onderlinge verrekening tussen de bankiers. Het systeem minimaliseert de noodzaak van de fysieke verplaatsing van geld, maar uiteindelijk wordt bij de daadwerkelijke uitbetaling wel vaak gebruik gemaakt van geldkoeriers.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat een aantal van de door [verdachte] in het kader van Hawala-bankieren verrichte geldtransacties heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die onmiskenbaar voldoen aan zogenoemde typologieën van witwassen. Een aantal personen heeft zeer grote geldbedragen, tienduizenden euro's, in contanten en (deels) kleine coupures bij leden van de criminele organisatie opgehaald. Voor zover de betreffende geldbedragen werden onderschept, werden deze door geldkoeriers vervoerd in een plastic tas of, zoals uit het dossier blijkt, na het vervoer geplaatst in een poef. Door [verdachte] en andere personen werd over de telefoon in versluierde en gecodeerde taal over geldbedragen gesproken en werd gebruik gemaakt van zogenoemde tokens. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan de gesprekken, onder wie [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

Uit het dossier blijkt dat in het pand waar een groot geldbedrag is aangetroffen ook verdovende middelen zijn gevonden, terwijl in een ander pand een geladen wapen en verdovende middelen zijn aangetroffen nadat een groot geldbedrag vanuit die woning aan een ander ( [H. 1] ) was gegeven. Een van de afnemers ( [K.] ) verkeerde blijkens de bewijsmiddelen in het drugscircuit. Over de (al dan niet legale) herkomst van de gelden is niets bekend. Van een bedrijfseconomische noodzaak voor de transacties is niet gebleken.

Deze omstandigheden tezamen vormen een sterke aanwijzing voor een mogelijke criminele herkomst van geldbedragen.

Uit het dossier en de bestaande literatuur over Hawala-bankieren valt echter ook op te maken dat deze omstandigheden deels kunnen worden verklaard vanuit de werkwijze van Hawala-bankieren op zichzelf. Gelet op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren kan daarom niet reeds vanuit het zich voordoen van deze witwastypologieën worden vastgesteld dat het gaat om transacties met criminele gelden. Hawala-bankieren is als zodanig namelijk niet (primair) gericht op criminele gelden en transacties via het systeem van Hawala-bankieren leveren op zich geen witwassen op.

Het hof zal per ten laste gelegde en nog aan het oordeel van het hof onderworpen transactie aan de hand van voornoemd toetsingskader beoordelen of kan worden vastgesteld of de transactie daadwerkelijk een geldtransactie betrof en, indien dat het geval is, om welk bedrag en welke valuta het ging. Vervolgens dient te worden vastgesteld of het geldbedrag van misdrijf afkomstig was, of [verdachte] als pleger of medepleger bij de transactie betrokken is geweest en of hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld een criminele herkomst had.

Ook ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen zal het hof per bedrag aan de hand van het toetsingskader beoordelen of het geld van misdrijf afkomstig was, of [verdachte] als pleger of medepleger van het voorhanden hebben van het geld aangemerkt kan worden en of hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld een criminele herkomst had.

Het hof zal eerst de transacties waarvoor een vrijspraak zal volgen bespreken, dan een door de politie onderschepte transactie, vervolgens het onder [verdachte] inbeslaggenomen geldbedrag en tot slot de niet onderschepte transacties.

2.4.

Deelvrijspraken

De verdachte zal worden vrijgesproken van de tenlastegelegde transacties van 20 oktober 2010

(€ 50.000,00), 7 november 2010 (€ 50.000,00), 8 en/of 9 november 2010 (€ 55.000,00), 20 november 2010 (€ 108.000,00), 22 november 2010 (€ 47.500,00), 26 november 2010 (€ 41.380,00) en van 28 november 2010 (€ 28.000,00).

2.4.1.

Transactie op 20 oktober 2010 van € 50.000,00

Uit de inhoud van dossier en gebezigde bewijsmiddelen maakt het hof op dat op 20 oktober 2010 [verdachte] en [L.] contact met elkaar hebben gehad over (het hof begrijpt) een tweetal geldtransporten, waarbij [verdachte] op 20 oktober 2010 “50” en op 21 oktober 2010 een geldbedrag van onbekende hoogte heeft ontvangen. In het gesprek tussen [verdachte] en een onbekende op 20 oktober 2010 om 19:09 uur geeft [verdachte] aan dat de leverancier van het geld “50” heeft gegeven. Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat hier € 50.000,00 wordt bedoeld.

Het hof merkt evenwel op dat op 27 oktober 2010 € 74.000,00 is onderschept, terwijl in het daaraan voorafgaande sms bericht 7400 werd genoemd. Gelet daarop kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat op 20 oktober 2010 daadwerkelijk € 50.000,00 is overhandigd, nu niet uitgesloten is dat hier ook sprake kan zijn geweest van een lager bedrag, bijvoorbeeld € 500,00 of € 5000,00. Nu de tenlastelegging enkel spreekt van "ongeveer € 50.000" en niet subsidiair de mogelijkheid "een geldbedrag " is opgenomen, dient [verdachte] van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

2.4.2.

Transactie op 7 november 2010 van € 50.000,00

Het hof maakt uit het dossier op dat op 7 november 2010 door een onbekende een geldbedrag is ontvangen, waarbij [verdachte] een bemiddelende rol lijkt te hebben gespeeld. Het zou gaan om "5000". Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat het zou gaan om € 50.000,00. Nu evenwel niet steeds met voldoende mate van zekerheid duidelijk is dat de kleinere bedragen die in de verschillende gesprekken worden genoemd steeds 1/10 van het daadwerkelijk overgedragen bedrag is, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat op 7 november 2010 daadwerkelijk

€ 50.000,00 is overgedragen. Nu in de tenlastelegging niet de subsidiaire mogelijkheid van " enig geldbedrag" is opgenomen, dient [verdachte] van deze geldtransacties te worden vrijgesproken.

2.4.3.

Transactie op 8 en/of 9 november 2010 van € 55.000,00

Het hof maakt uit de inhoud van het dossier op dat op 9 november 2010 een geldtransactie heeft plaatsgevonden, waarbij [verdachte] een geldbedrag heeft ontvangen dat wordt aangeduid met "55". Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat het hier om € 55.000,00 gaat. Nu verdere aanwijzingen ontbreken is het hof van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat het hier om € 55.000,00 gaat, anders dan bijvoorbeeld het wel op 27 oktober 2010 onderschepte geldtransport van € 74.000,00 dat voorafgegaan werd door een sms bericht met: 7400 (en niet 74). Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat met 55, bijvoorbeeld € 550,00 of € 5.500,00 is bedoeld. Nu in de tenlastelegging niet ook de mogelijkheid van bewezenverklaring van "enig geldbedrag" is opgenomen, dient [verdachte] van deze geldtransactie te worden vrijgesproken.

2.4.4.

Transactie op 20 november van € 108.000,00

De rechtbank heeft overwogen dat niet bewezen kan worden dat op 20 november 2010 een bedrag van € 108.000,00 is getransigeerd en [verdachte] in zoverre vrijgesproken, maar dat wel bewezen kan worden verklaard dat op 20 november 2010 ‘een geldbedrag’ is getransigeerd. Naar het oordeel van het hof biedt de tenlastelegging voor een dergelijke bewezenverklaring geen ruimte. Tenlastegelegd is immers dat [verdachte] ‘een geldbedrag van (ongeveer) 108.000,- euro op 20 november 2010’ heeft verworven, voorhanden gehad of overgedragen. Nu in de tenlastelegging niet de subsidiaire mogelijkheid van "enig geldbedrag" is opgenomen, dient [verdachte] van deze geldtransactie te worden vrijgesproken.

2.4.5.

Transactie op 22 november 2010 van € 47.500,00

[verdachte] zal worden vrijgesproken van de tenlastegelegde transactie van 22 november 2010. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om het getal ’47½’ dat in het telefoongesprek is genoemd, vast te stellen op het tenlastegelegde geldbedrag van € 47.500,00. Het feit dat [verdachte] die dag in zijn auto aan een man met een Pakistaans uiterlijk een kennelijk gevulde tas geeft, waarna de man uitstapt en daarmee wegloopt, maakt dit niet anders.

2.4.6.

Transactie op 26 november 2010 van € 41.380,00

Het hof stelt vast dat uit het verhandelde ter terechtzitting en ook overigens op basis van de inhoud van het dossier niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is vast te stellen dat in de gesprekken wordt gesproken over een voltooide geldtransactie. Immers de NN zegt dat [verdachte] over 15 minuten het mag ophalen in de groentewinkel. Of [verdachte] toen naar de groentewinkel is gegaan en iets heeft opgehaald, kan niet uit het dossier worden afgeleid zodat niet is vast te stellen dat [verdachte] toen een geldbedrag voorhanden heeft gehad. [verdachte] dient daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

2.4.7.

Transactie op 28 november 2010 van € 28.000,00

Het hof stelt vast dat uit het verhandelde ter terechtzitting en ook overigens op basis van de inhoud van het dossier niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is vast te stellen wat er feitelijk is voorgevallen. Zo is niet duidelijk of er een (geld)transactie is geweest en zo ja voor welk bedrag en wie betrokken was/waren zodat [verdachte] van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

2.5.

Bewezenverklaarde feiten

2.5.1.

Onderschepte transactie op 27 oktober 2010 van € 74.000,00

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [verdachte] van de hier ten laste gelegd transactie dient te worden vrijgesproken en daartoe het volgende aangevoerd. Nergens in het dossier komt naar voren dat [verdachte] op enige wijze is betrokken geweest bij het afdragen van de betreffende tas en/of een geldbedrag aan [H. 1] . Ook staat niet vast dat (zo begrijpt het hof) de door [verdachte] aan [A.] afgeleverde tas dezelfde is, dan wel dezelfde inhoud had, als de tas die uiteindelijk bij [H. 1] terecht is gekomen. Daarbij komt dat [verdachte] nooit geld bracht naar de wasserij, enkel eten.

Oordeel van het hof

Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden blijkt dat [verdachte] een belangrijke rol heeft gespeeld bij het uiteindelijk door [H. 1] voorhanden krijgen van het betreffende geldbedrag. [A.] belt met [verdachte] en zegt hem dat hij met “dat” moest komen waarbij [A.] op de vraag van [verdachte] of het grote of kleine mango's moesten zijn, aangaf "kleine meneer en zo" Gelet op de samenstelling van het later aangetroffen geldbedrag gaat het hof ervan uit dat met “kleine” (“kleine meneer en zo”) kleine coupures worden bedoeld. Dat het in dit gesprek daadwerkelijk om mango's zou gaan, zoals [verdachte] eerder bij het hof heeft verklaard, acht het hof gelet op de gehele gang van zaken onaannemelijk. Naar aanleiding van het antwoord van [A.] heeft [verdachte] ervoor gezorgd dat het geldbedrag bestond uit kleine coupures (te weten biljetten van 50, 20 en 10 euro). Vervolgens heeft hij het geldbedrag naar de wasserette gebracht waar hij het heeft overgedragen aan [A.] . De genoemde feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

[verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard met het transport niets te maken te hebben. Hij heeft niets met een tasje gedaan, maar heeft wel een aantal malen in een tasje eten gebracht naar de wasserette. Hij heeft enkel geld vanuit de wasserette ergens naartoe gebracht, nooit naar de wasserette zelf. Bij die stand van zaken heeft hij geen verklaring als hiervoor bedoeld voor de herkomst van het geld gegeven, en kan het niet anders zijn dan dat het betreffende geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was en dat hij, gelet op het versluierd taalgebruik in het eerder genoemde gesprek met [A.] , dat ook wist. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan het gesprek, waaronder [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

Het verweer dat niet vaststaat dat de door [verdachte] aan [A.] geleverde tas dezelfde was, danwel dezelfde inhoud had als de tas die uiteindelijk bij [H. 1] terecht gekomen is wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de op 27 september

2011 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van verbalisant S003.

2.5.2.

Aangetroffen geldbedragen

Aantreffen € 9.900,00, € 5.000,00, € 35.000,00, €45.000,00 op 1 december 2010 in de woning van [verdachte]

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd. De aangetroffen geldbedragen zijn deels afkomstig van [A.] en [H. 2] en voor het overige betreft het spaargeld. Reeds de omstandigheid dat [verdachte] de politie zelf heeft geleid naar het geld in zijn woning, duidt op een eerlijke, legale herkomst. Het geldbedrag van € 20.000,00 is van [H. 2] . Hij heeft het voor hem bewaard. Hij kon en hoefde niet te vermoeden dat dit crimineel geld was. Het aangetroffen geldbedrag van € 45.000,00 betreft “Hawalageld” dat hij van [A.] danwel [H. 2] heeft ontvangen. Dit geld behoort niemand toe. Het overige geld dat is aangetroffen – zo’n € 30.000,00 – is spaargeld dat afkomstig is uit de fooien die hij kreeg in de periode dat hij werkzaam was als eerste medewerker van café-restaurant “de [HH] ”. Nu geen sprake is van een criminele herkomst dient [verdachte] te worden vrijgesproken.

Oordeel van het hof

Het hof verwerpt de verweren en overweegt het navolgende.

Het hof stelt vast dat er geen onderbouwing is voor de stelling van [verdachte] dat de € 20.000,00 en de € 45.000,00 niet van hem zelf waren maar dat hij die bedragen slechts in bewaring had voor [H. 2] respectievelijk dat dit bedrag afkomstig was van Hawala-bankieren en dat hij dit geldbedrag van [H. 2] of [A.] gekregen had om te bewaren. Bij gebreke aan enige onderbouwing voor deze eerst in hoger beroep na terugwijzing betrokken stelling en hetgeen op dit punt naar voren is gebracht ook overigens niet aannemelijk is geworden gaat het hof er van uit dat deze bedragen ook aan [verdachte] toebehoorden.

De door de raadsvrouw gevoerde verweren met betrekking tot de vraag of aan [verdachte] de

€ 20.000,00 en € 45.000,00 toebehoorden en dat hij daarom dit geld voorhanden had worden gelet op het voorgaande verworpen.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 en 2.3 is overwogen met betrekking tot het toetsingskader, overweegt het hof dat het aantreffen van € 94.900,00 in de woning van [verdachte] in combinatie met hetgeen de politie tijdens observaties op 27 oktober 2010 en de opgenomen en uitgeluisterde gesprekken is gebleken, een redelijk vermoeden van witwassen oplevert.

In zulk een geval mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

[verdachte] heeft ten overstaan van de politie wisselende en onduidelijke verklaringen afgelegd over de aangetroffen geldbedragen in zijn woning. Bij gelegenheid van de behandeling van zijn hoger beroep – na terugwijzing door de Hoge Raad – op 12 juni 2018 heeft hij verklaard dat ongeveer € 30.000,00 spaargeld betreft. Hij heeft dit geld gespaard uit de fooien die hij kreeg toen hij ober bij café-restaurant de “ [HH] ” was. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een arbeidsovereenkomst overgelegd uit 1999 waaruit afgeleid kan worden dat [verdachte] toen

fl 2953,52 per maand verdiende bij een 38-urige werkweek.

Het hof overweegt dat, hoewel niet getwijfeld wordt aan de stelling dat [verdachte] voor een langere periode als ober in de bediening van café-restaurant de “ [HH] ” heeft gewerkt, daarmee niet onderbouwd is dat hij grote bedragen aan fooi ontving. Dat [verdachte] in die periode – mede gelet op zijn salaris – in die jaren € 30.000,00 heeft gespaard acht het hof hoogst onwaarschijnlijk. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte pas nu – ruim 7 jaren na het aantreffen van de gelden – met deze verklaring komt.

Ten aanzien van de overige aangetroffen gelden heeft de verdachte verklaard dat deze niet van hem zijn en dat hij deze slechts in bewaring had. Die verklaring volgt het hof niet zoals hiervoor overwogen.

Bij gebreke aan een aanvaardbare verklaring voor de herkomst van de € 94.900,00 kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat dit geldbedrag een legale herkomst heeft en dat slechts een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. De enkele stelling dat [verdachte] de politie zelf heeft geleid naar de geldbedragen in zijn woning, maakt een en ander niet anders.

2.6.

Niet-onderschepte transacties

2.6.1.

Overweging vooraf

Het hof gaat bij de hierna te bespreken transacties telkens uit van een bedrag in euro's, omdat bij het transport waarbij een geldbedrag is onderschept en waarbij vooraf ook een code is gebruikt met een getal zonder valuta-aanduiding, en ook bij de in de woning van [verdachte] aangetroffen geldbedragen, steeds sprake was van een bedrag in euro's.

2.6.2.

Transactie op 26 juni 2010 van € 80.605,00

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] van dit feit wordt vrijgesproken en daartoe het volgende aangevoerd. Het openbaar ministerie heeft met betrekking tot twee hier relevante tapgesprekken het woord “bedrag” toegevoegd in de omschrijving van een gesprek en ter duiding van een bepaalde zin in het andere gesprek, terwijl het woord bedrag niet door [verdachte] is gebruikt en daarbij dus een onjuiste interpretatie van deze gesprekken wordt gegeven.

Oordeel van het hof

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 26 juli 2010 meermalen telefonisch contact plaatsvindt tussen [F.] en [verdachte] . Daarbij wordt een token door [F.] naar [verdachte] ge-sms’t. Vlak daarop sms’t [F.] aan [verdachte] een getal, te weten 80605. Als [F.] vervolgens aan [verdachte] vraagt of hij allebei heeft ontvangen, antwoordt [verdachte] bevestigend. [verdachte] vraagt daarbij of hij ook ”5 van Shedo” zal geven, waarop [F.] zegt: je mag het compleet maken. Hij geeft even later aan dat het 80 605 is. Wanneer [F.] ongeveer drie kwartier later gebeld wordt door [verdachte] en vraagt of het is gedaan, antwoordt [verdachte] : ja.

Uit het voorgaande maakt het hof op dat ook in dit geval sprake is geweest van een geldtransactie, waarbij [verdachte] onder gebruikmaking van het door [F.] gestuurde token een bedrag van

€ 80.605,00 heeft afgegeven.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het feit dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [F.] bij meer geldtransacties betrokken zijn geweest, zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] aangevoerd niet te weten waar het gesprek over gaat waarin het getal 80 605 voorkomt. [H. 2] heeft hem een of twee keer gevraagd geld te leveren aan Griekse mensen, maar hij weet niet meer of het [F.] was die hem vroeg geld te brengen. Aldus heeft [verdachte] geen verklaring gegeven die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat het door hem en [F.] aan een derde geleverd geldbedrag van € 80.605,00 van misdrijf afkomstig was en dat [verdachte] dit ook wist, gelet op het versluierd taalgebruik in de gesprekken tussen hem en [F.] met betrekking tot dit transport. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan het gesprek, onder wie [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

2.6.3.

Transactie op 1 juli 2010 van € 36.740,00

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] van dit feit wordt vrijgesproken. Ze heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat [verdachte] bij het hier bedoelde geldtransport betrokken is. Het enige bewijs betreft een sms-bericht met: "36740" en een token dat per sms is toegestuurd. Het betreft hier een telefoon die door iedereen gebruikt kon worden.

Oordeel van het hof

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op 1 juli 2010 [F.] en [verdachte] met elkaar telefonisch contact hebben, waarbij [F.] aan [verdachte] om 14:30 uur een sms bericht met een token stuurt, dat aanvangt met: [telefoonnummer] . Om 14:32 uur stuurt [F.] een sms bericht met: 36.740. [verdachte] heeft ruim vijf kwartier later contact met telefoonnummer [telefoonnummer] dat gebruikt wordt door een NNGriek die later [K.] blijkt te zijn. [verdachte] vraagt of het oké is, en: “over 20 min op kantoor”? [K.] geeft aan dat dat geen probleem is en dat hij op [verdachte] wacht. [K.] is er al. Om 16:37 uur wordt [K.] gebeld door een gebruiker van een Engels mobiel nummer, eindigend op 0793-44. In dit gesprek geeft [K.] aan dat hij de accountant heeft gezien, en hij noemt: 36 7 4 0 (zesendertig zeven vier nul). De gebruiker 0793-44 geeft aan dat [K.] het voor hem 35,36 5 moet maken, en dus van 36 740, 240 moet afnemen en (zo begrijp het hof) dan 36 500 moet overhouden. [K.] vraagt of hij het moet bewaren, waarop gebruiker 0793-44 zegt: je ziet hem, morgen. Laatstgenoemde geeft nog aan dat de accountant een heel goede registeraccountant is. Later in het gesprek geeft gebruiker 0793-44 aan dat als [K.] een paar duizend kan krijgen, elke week of zo door dit te doen, hij de huur kan bekostigen en de onkosten. [K.] zegt vervolgens dat hij “hiervan" leeft.

Uit het “proces-verbaal bevindingen [verdachte] / [K.] ” volgt dat [K.] op 28 juni 2011 contact heeft met twee mannen, van wie een later [T.] blijkt te zijn. Gezien wordt dat [T.] omstreeks 13:35 uur even contact heeft met [K.] en dan weggaat. Vervolgens gaat [K.] omstreeks 14:55 uur naar zijn woning op de [adres] in Amsterdam. Omstreeks 15:11 uur gaat [T.] deze woning binnen zonder tas. Hij komt 2 minuten later met een donkere weekendtas het portiek weer uit. In deze tas worden 2 kilogram hasj en ruim 3 kilogram cocaïne aangetroffen. [K.] wordt op 28 juni 2011 aangehouden. Tijdens de daaropvolgende doorzoeking worden in zijn woning diverse zakjes met wit poeder, wikkels met wit poeder en bruin gekleurde substantie, een zak met hennep, een seal apparaat en sealzakken aangetroffen, alsmede een geldbedrag van € 17.990,00 en een wapen (teaser).

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat op 1 juli 2010 [verdachte] aan [K.] (die zich kennelijk in het drugscircuit begeeft) een (voor een onbekend gebleven gebruiker van een Engels telefoonnummer bestemd) geldbedrag van € 36.740,00 heeft gegeven, na van [F.] de benodigde informatie als het token en de hoogte van het betreffende bedrag te hebben ontvangen.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het feit dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [F.] bij meer geldtransacties betrokken zijn geweest, zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] aangegeven zich het betreffende gesprek met de Griekse man niet te kunnen herinneren. Het kan zijn dat hij dit gevoerd heeft. Door geheugenverlies herinnert hij zich sommige dingen niet, zoals sms-berichten. Hij weet niet of hij, toen hij geld bracht op verzoek van [H. 2] , daarover contact had met [F.] . Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat het door [verdachte] en [F.] aan een derde geleverd geldbedrag van € 36.740,00 van misdrijf afkomstig was en dat [verdachte] dit ook wist, gelet op het versluierd taalgebruik in de gesprekken tussen [verdachte] en [F.] met betrekking tot dit transport, het feit dat enkel het sturen van een token en een getal voor [verdachte] voldoende was om in actie te komen, en gelet op de betrokkenheid van beiden bij het kort daarvoor, en door het hof bewezen geachte geldtransport op 25 juni 2010.

2.6.4.

Transactie op 21 oktober 2010 van een geldbedrag van onbekende hoogte

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [verdachte] van dit feit dient te worden vrijgesproken, nu (zo begrijpt het hof de raadsvrouw) onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Ze heeft daartoe aangevoerd dat het enkele feit dat met de telefoon van [verdachte] tokens werden ontvangen en verzonden voor een bewezenverklaring van witwassen van het hier bedoelde bedrag onvoldoende is. [verdachte] was enkel bezig met (legaal) Hawala-bankieren.

Oordeel van het hof

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, met name uit het telefoongesprek van 21 oktober 2010, 11:33 uur, tussen [verdachte] en een onbekende vrouw volgt dat [verdachte] die datum een geldbedrag, waarvan de hoogte onbekend is gebleven, heeft ontvangen. Het hof gaat er vanuit dat het hier om een geldbedrag is gegaan, gelet op de samenhang met de levering van “50” op 20 oktober 2010 en het feit dat vast is komen te staan dat [verdachte] bij meerdere geldtransacties betrokken is geweest die op soortgelijke wijze zijn uitgevoerd.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] aangevoerd hij zich niet kan herinneren dat iemand hem op 20 en/of 21 oktober 2010 geld heeft gegeven. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat het door [verdachte] van een derde ontvangen geldbedrag van misdrijf afkomstig was en dat hij dit ook wist, gelet op het feit dat de gesprekken waaraan [verdachte] heeft deelgenomen zich kenmerken door versluierd taalgebruik en gelet op de betrokkenheid van [verdachte] bij eerdere geldtransporten die op soortgelijke wijze zijn uitgevoerd. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan het gesprek, onder wie [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

2.6.5.

Transactie op 22 november 2010 van € 10.000,00

Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is ten aanzien van dit verwijt geen verweer gevoerd anders dan de algemene opmerkingen die zij ten aanzien van Hawala bankieren en witwassen heeft gemaakt.

Oordeel van het hof

Het hof stelt de navolgende feiten en omstandigheden vast.

[verdachte] , die ook Topai wordt genoemd, heeft op 22 november 2010 om 16:19 uur een gesprek met [L.] , die in Pakistan verblijft. [verdachte] vraagt:

“mag ik vandaag 10.000 geven? Vandaag is 10.000, er kan een probleem ontstaan, Kan je 10.000 afnemen?”

(…)

[L.] antwoord: “ja ja, je mag hem geven”

[verdachte] : “zal ik geven”

[L.] : “het is geen probleem, geef maar het aan hem, geef maar hem door dat het zoveel is”.

[verdachte] : “is goed is ok”

Op 23 november 2010 om 11:13 uur belt [verdachte] wederom naar [L.] en vraagt: “ja heeft hij het ontvangen? “

[L.] antwoordt dat hij (het hof begrijpt een derde) heeft gezegd dat het niet is ontvangen.

[verdachte] zegt dan: “hij (het hof begrijpt een derde) zei dat het is gedaan, hij had me gebeld”.

[L.] antwoordt: “Had hij vannacht gedaan?”

[verdachte] antwoord: “ja vannacht had hij gegeven”

Op de vraag hoeveel hij heeft gegeven antwoordt [verdachte] : “1000”.

In een gesprek op 23 november 2010 om 11:45 uur wordt bevestigd door [L.] dat het is gedaan. [L.] zegt: “hij heeft 1000 gegeven”.

Het hof leidt uit de voorgaande gesprekken af dat er een transactie heeft plaatsgevonden. Het hof gaat er gelet op de inhoud van de gesprekken van uit dat het om €10.000,00 gaat, nu er in het gesprek van 22 november 2010 om 16:19 uur over 10.000 is gesproken.

Voor de vraag of dit geld van misdrijf afkomstig is, overweegt het hof het navolgende.

Gelet op de omstandigheid dat er versluierd wordt gesproken en het feit dat vast is komen te staan dat [verdachte] bij meerdere geldtransacties betrokken is geweest die op soortgelijke wijze zijn uitgevoerd is er sprake van een redelijk vermoeden van witwassen. In zulk een geval mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard zich niet te kunnen herinneren dat hij deze gesprekken heeft gevoerd.

Het hof concludeert dat bij gebreke van een aanvaardbare verklaring voor de herkomst van de

€ 10.000,00 met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Gelet op de omstandigheid dat het [verdachte] was die deze gesprekken voerde en in het bijzonder uit de versluierde taal die gebezigd werd, is het hof van oordeel dat [verdachte] ook wetenschap had van de niet legale herkomst. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan het gesprek, waaronder [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

2.6.6.

Transactie op 23 november 2010 van € 124.450,00

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat van het door de rechtbank als bewijs gebezigde sms-bericht onduidelijk is wie er sms’t naar wie. De in verband met deze transactie opgenomen tapgesprekken zijn in de Memoni-taal gevoerd. Uit het dossier is niet af te leiden dat een officiële (het hof begrijpt beëdigde) tolk in de Memoni-taal de gesprekken heeft vertaald, zodat die gesprekken niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Dit dient te leiden tot vrijspraak.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt met betrekking tot het bewijsuitsluitingsverweer dat de raadsvrouw enkel gesuggereerd heeft dat de vertalingen in het dossier onjuist zijn, maar geen passages heeft aangewezen waarin van een onjuiste vertaling sprake is. Ook is niet aannemelijk geworden dat sprake is van onjuiste vertalingen. Gelet hierop is er geen aanleiding om de tapgesprekken van het bewijs uit te sluiten.

Het hof stelt de navolgende feiten en omstandigheden vast:

Op 23 november 2010 om 14:51 uur wordt met de telefoon in gebruik bij [verdachte] (TA075) een sms gestuurd naar een Pakistaans nummer eindigend op 0444 met daarin vermeld: “05358447691. Token.X47613564092”.

15 Minuten later belt [verdachte] naar de persoon die gebruik maakt van het Pakistaanse nummer eindigend op 0444. In dat gesprek op 23 november 2010 om 15:07 uur vraagt [verdachte] : “heb je boodschap ontvangen”. De NN (0444) antwoordt: “ik heb wel de boodschap ontvangen. Ik ga het checken en doorgeven.”

Op 23 november 2010 om 15:08 uur belt [verdachte] naar de persoon in Pakistan die gebruik maakt van het nummer eindigend op 0444 en zegt: “ik heb een vijfentwintig doorgekregen”.

De NN (0444) vraagt: “een vijfentwintig”. [verdachte] antwoordt: “ja”

Om 15:29 uur wordt [verdachte] gebeld door NN 0444 waarin deze tegen [verdachte] zegt: “uw pakket is OK in Multan”. [verdachte] antwoordt: “ja het is goed. Kan je morgen het vrijgeven/geven?” Om 15:39 uur belt [verdachte] weer naar NN 0444 en zegt dat 3 cent uit zijn zak wordt ingehouden danwel dat hij 3 cent uit zijn zak gaat betalen en dat hij moet proberen het morgen te laten.

Om 19:03 uur wordt op de telefoon die eerder door [verdachte] werd gebruikt (TA075) een sms ontvangen van een Pakistaans nummer eindigend op 1893 inhoudende: 124450-550short”. Twintig minuten later (om 19:22) belt [verdachte] naar NN0444 en wordt er gesproken over de 550 die tekort is. [verdachte] zegt dat ze hebben geteld en dat er 27 bankbiljetten verdwenen zijn.

Het hof leidt uit de omstandigheid dat met de telefoon die in gebruik is bij [verdachte] op 23 november 2010 een tokennummer is ge-sms’t naar een Pakistaans nummer eindigend op 0444 af dat het [verdachte] is geweest die dit sms-bericht heeft verzonden nu 15 minuten later een telefoongesprek wordt gevoerd tussen de gebruiker van het nummer eindigend op 0444 en [verdachte] die middels stemherkenning is geïdentificeerd. In het gesprek wordt door [verdachte] gevraagd of de ander de boodschap heeft ontvangen. Het hof begrijpt dat dit ziet op het eerder per sms-bericht doorgegeven tokennummer. De navolgende gesprekken duiden op de overdracht van een geldbedrag.

In de gesprekken wordt gesproken over “125”. Het hof gaat er van uit dat hier 125000 wordt bedoeld nu in het sms-bericht van 19:03 uur aan [verdachte] gemeld wordt: “124450 – 550 short”.

Dat met 550 short wordt bedoeld dat er een tekort van 550 is, leidt het hof af uit de inhoud van het gesprek dat om 19:22 uur wordt gevoerd tussen [verdachte] en NN 0444.

Verder stelt het hof vast dat 124450 + 550 = 125.000.

Het hof gaat uit van een overdracht van ongeveer € 125.000,00.

Voor de vraag of dit geld van misdrijf afkomstig is, overweegt het hof het navolgende.

Gelet op de omstandigheid dat er versluierd wordt gesproken en het feit dat vast is komen te staan dat [verdachte] bij meerdere geldtransacties betrokken is geweest die op soortgelijke wijze zijn uitgevoerd is er sprake van een redelijk vermoeden van witwassen. In zulk een geval mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

[verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet weet wat 550 short betekent. De telefoon was niet van hem persoonlijk. Hij weet ook niet wat er bedoeld wordt als hem wordt voorgehouden dat hij heeft gezegd dat er 27 bankbiljetten missen.

Het hof concludeert dat deze verklaring niet beschouwd kan worden als een verklaring die beschouwd moet worden als een verklaring die voldoende tegenwicht biedt aan de verdenking zodat

bij gebreke aan een aanvaardbare verklaring voor de herkomst van de € 125.000,00 met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat dit geldbedrag een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Gelet op de omstandigheid dat het [verdachte] was die deze gesprekken voerde en in het bijzonder uit de versluierde taal die gebezigd werd, is het hof van oordeel dat [verdachte] ook wetenschap had van de niet legale herkomst. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan het gesprek, waaronder [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

3 Feit 3

Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de zin van artikel. 140 Sr sprake is indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de bewijsmiddelen inhouden bestond er een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere hiërarchie en heeft [verdachte] daartoe behoord. [verdachte] was een onmisbare schakel. Dit blijkt uit de inhoud van de voor het bewijs gebezigde gesprekken en de omstandigheid dat bij hem thuis een aanzienlijk geldbedrag is aangetroffen. Voorts heeft hij een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot het oogmerk van de organisatie, te weten witwassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair

hij in de periode van 1 juni 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, (al dan niet vanuit de wasserette [M.H.] , [adres] te Amsterdam) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) geldbedragen, te weten:

- een geldbedrag van 80.605,- euro op 26 juni 2010;

- een geldbedrag van 36.740,- euro op 1 juli 2010;

- een geldbedrag van onbekende hoogte op 21 oktober 2010;

- een geldbedrag van 74.000,- euro op 27 oktober 2010;

- een geldbedrag van 10.000,- euro op 22 november 2010;

- een geldbedrag van 124.450,- euro op 23 november 2010;

- geldbedragen van 9.900,- euro en 5.000,- euro en 35.000,- euro en 45.000,- euro (woning [verdachte] )

voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 3

hij in de periode van 1 juni 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam (vanuit de wasserette [M.H.] , [adres] te Amsterdam) heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en [A.] en [A.] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- ( gewoonte)witwassen van geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig.

Hetgeen onder 1 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die in een bijlage aan dit arrest zijn gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, in georganiseerde vorm, schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van uit misdrijf voortgekomen geldbedragen. Hij heeft hierbij gebruik gemaakt van het systeem van

Hawala-bankieren. De verdachte heeft meegewerkt aan het (grensoverschrijdend) laten verplaatsen, verrekenen en uitbetalen van grote contante geldbedragen, buiten het formele geldcircuit. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende tussenpersonen en geldkoeriers.

Witwassen tast de integriteit van het formele, aan regels gebonden financieel-economische verkeer aan en vormt een bedreiging voor het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit daarvan behoort te kunnen stellen.

Gelet op de vele en internationale contacten die de leden van de organisatie erop nahielden, was sprake van een internationaal netwerk. De verdachte heeft een substantiële rol gehad binnen de criminele organisatie. Hij heeft nauw samengewerkt met diverse medeverdachten en met hen veelvuldig telefonisch overleg gepleegd. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het verwezenlijken van de misdrijven die de organisatie beoogde en vormde daarmee een belangrijke schakel. Hij heeft er aldus toe bijgedragen dat de organisatie als geheel kon blijven voortbestaan en misdrijven kon blijven plegen.

Het hof acht dit ernstige feiten en is van oordeel dat gelet op de bewezen verklaarde periode, de hoogte van de witgewassen geldbedragen, de rol van de verdachte en de mate van organisatie, in dit geval alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Een straf gelijk aan het voorarrest, zoals door de raadsvrouw bepleit, doet geen recht aan de ernst van de thans bewezenverklaarde feiten.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juni 2018 is de verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, gelet op al het vorenstaande, in beginsel een gevangenisstraf van 15 maanden een passende straf.

Overschrijding redelijke termijn

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.

De verdachte is op 30 november 2010 in verzekering gesteld. Het proces is in eerste aanleg, in het daarop volgende hoger beroep en in cassatie binnen een redelijke termijn afgerond. De Hoge Raad heeft op 28 oktober 2014 zijn arrest gewezen. Het proces in hoger beroep na terugwijzing door de Hoge Raad wordt afgerond met een arrest op 5 juli 2018. Hier is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar en 8 maanden. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding deels gerechtvaardigd was, gelet op de bijzondere omstandigheid in deze zaak, te weten de omstandigheid dat een aantal van de door de verdediging verzochte en door het hof toegewezen getuigen onvindbaar bleken. Een deel van de overschrijding van de redelijke termijn valt echter wel te wijten aan periodes van inactiviteit aan de zijde van het hof. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof de straf zal matigen met 2 maanden.

Voor een voorwaardelijk strafdeel, zoals door de advocaat-generaal geëist, ziet het hof geen aanleiding mede gelet op het tijdverloop sinds het plegen van de bewezenverklaarde feiten, en het feit dat, afgezien van deze zaak, uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juni 2018 niet blijkt van andere veroordelingen door de strafrechter.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden De door de raadsvrouw en de verdachte ter terechtzitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders.

Beslissingen ten aanzien van het beslag

Verbeurdverklaring

Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 1 genoemde personenauto, de onder 2 genoemde reken(geldtel)machine en de onder 6 tot en met 12 genoemde geldbedragen, dienen te worden verbeurd verklaard nu deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en gebleken is dat het onder 1 bewezenverklaarde met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid.

Overige beslissingen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen

Het hof zal gelasten dat de op de beslaglijst onder 3 tot en met 5 (enveloppen en een geldbedrag) genoemde voorwerpen worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde transacties/aangetroffen geldbedragen, te weten:

Transacties

  • -

    13 september 2010 - onbekend geldbedrag;

  • -

    21 oktober 2010 - onbekend geldbedrag;

  • -

    5/6 november 2010 - € 50.000,00;

  • -

    28/29 november 2010 - € 130.000,00;

Aangetroffen geldbedragen

  • -

    wasserette [M.H.] - € 50.000,00;

  • -

    fouillering [verdachte] - € 4.557,25.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Personenauto [kenteken]

Opel Astra G CC Y1 2002 Kl: blauw

(3961482)

2. 1.00 STK Rekenmachine

(3968522) Geldtelmachine

6. Geld Euro

(3963353) 9400,-

7. Geld Euro

(3963360) 5000,-

8. Geld Euro

(3963363) 500,-

9. Geld Euro

(3963365) 44800,-

10. Geld Euro

(3963369) 200,-

11. Geld Euro

(3963371) 33500,-

12. Geld Euro

(3963380) 1500,-

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3. 1.00 STK Enveloppe

MULTINETTE

(3963478)

4. 1.00 STK Enveloppe

(3963480) met 3 briefjes

5. Geld Euro

(3963901) 4557,25

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.L. Leenaers, in tegenwoordigheid van

mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

5 juli 2018.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004520-14

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 5 juli 2018.

Tegenwoordig zijn:

mr. E. Mijnsberge, voorzitter,

mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.L. Leenaers, raadsheren,

mr. F. van den Brink, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. W.H.J. Freijsen, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.