Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4068

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
23-002653-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mega Montage. Veroordeling wegens deelname aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen en medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, terwijl dit feit opzettelijk wordt begaan. Overweging met betrekking tot Hawala-bankieren en witwassen. Overweging t.a.v. artikel 3, eerste lid, Wet inzake de geldtransactiekantoren en artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht. Gevangenisstraf van 15 maanden m.a.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002653-15

datum uitspraak: 5 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-710046-10 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

adres: [adres] Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11, 12, 14 en 21 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Omvang hoger beroep [verdachte]

De rechtbank heeft de verdachte in het vonnis waarvan beroep vrijgesproken ten aanzien van een aantal van de onder feit 2 ten laste gelegde aangetroffen geldbedragen en van de bij een aantal transacties overgedragen/ontvangen geldbedragen.

Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven deelbeslissingen tot vrijspraak. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk medegedeeld dat wat hem betreft transacties/aangetroffen geldbedragen waarvan de verdachte is vrijgesproken niet meer aan de orde zijn.

Het hof zal, mede gelet op het standpunt van het openbaar ministerie, de verdachte wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven deelbeslissingen tot vrijspraak.

Het gaat om de hierna te noemen (deel)vrijspraken van de onder feit 2 ten laste gelegde transacties/bedragen:

Transacties

  • -

    18 januari 2010 - onbekend geldbedrag;

  • -

    12 september 2010 - € 35.000,00;

Aangetroffen geldbedragen

- wasserette [M.H.] - € 50.000,00.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding deels nietig is ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde gedachtestreepje 8, inhoudende ‘de opbrengsten en/of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener en/of geldtransactiekantoor handelen met betrekking tot geldbedragen’.

Ingevolge artikel 261 eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient, voor zover van belang, de dagvaarding een opgave te bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd.

Het gaat hier om een concrete gedraging die voldoende feitelijk en specifiek moet worden omschreven.

Het hof is van oordeel dat, ook als naar de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gekeken wordt, niet duidelijk is wat met het onderdeel ‘de opbrengsten en/of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener en/of geldtransactiekantoor handelen met betrekking tot geldbedragen’ wordt bedoeld, zodat de verdachte zich niet naar behoren tegen dit onderdeel van de tenlastelegging kan verweren. Dit leidt ertoe dat de tenlastelegging in zoverre nietig zal worden verklaard.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is – kort en zakelijk weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 november 2010 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie (feit 1), aan medeplegen van gewoontewitwassen, subsidiair medeplegen van schuldwitwassen (feit 2) en aan medeplegen van overtreding van art. 2:3, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (feit 3).

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

1 Feit 1

Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen en op hetgeen de bewijsmiddelen inhouden, behoorde [verdachte] tot een gestructureerd samenwerkingsverband van een organisatie die het oogmerk had van witwassen van geldbedragen en gedragingen ontplooide die strekten tot en rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr bedoelde oogmerk. Met die vaststelling is het wettig en overtuigend bewijs voor hetgeen onder feit 1 is tenlastegelegd gegeven.

2 Feit 2 primair

Aan de verdachte is onder feit 2 primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen.

2.1.

Toetsingskader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezen verklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder b Wetboek van strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel, dan wel artikel 420 ter Wetboek van strafrecht vereist dat het vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Bij geen van de in de onderhavige zaak ten laste gelegde transacties is er bewijs dat de door [verdachte] en zijn medeverdachten overgedragen geldbedragen direct van misdrijf afkomstig zijn. Het hof zal om die reden het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Bij toetsing door de zittingsrechter dienen daarbij de volgende stappen te worden doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Voor een bewezenverklaring van witwassen zal uit de resultaten van een dergelijk onderzoek moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

2.2.

Toepassing toetsingskader op de onderhavige zaak

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak sprake van het verrichten van geldtransacties buiten het formele geldcircuit. Het op deze manier overdragen van (grote) geldbedragen in grensoverschrijdend verband wordt ook wel aangeduid met de term ondergronds of Hawala-bankieren.

Hawala-bankieren is een informele vorm van het verrichten van geldtransacties die berust op het principe van verrekening, binnen een vaak grensoverschrijdende kring van vertrouwenspersonen, die allen hun eigen rol vervullen. Kort gezegd komt het systeem erop neer dat tegen verrekening van de overeengekomen wisselkoers, zonder gebruik te maken van een betaalrekening, door een ‘bankier’ en met behulp van een of meer tussenpersonen een geldbedrag betaalbaar wordt gesteld, dat op een eerder moment elders is ingebracht. De hierdoor ontstane schuld bij de uitkerende bankier wordt voldaan door (latere) onderlinge verrekening tussen de bankiers. Het systeem minimaliseert de noodzaak van de fysieke verplaatsing van geld, maar uiteindelijk wordt bij de daadwerkelijke uitbetaling wel vaak gebruik gemaakt van geldkoeriers.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat een aantal van de door [verdachte] in het kader van Hawala-bankieren verrichte geldtransacties heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die onmiskenbaar voldoen aan zogenoemde typologieën van witwassen. Uit het dossier blijkt dat een aantal personen zeer grote geldbedragen, tienduizenden euro's, in contanten en (deels) kleine coupures heeft ontvangen via een of meer leden van de criminele organisatie. Voor zover de betreffende geldbedragen werden onderschept, werden deze door geldkoeriers vervoerd in een plastic tas of na het vervoer geplaatst in een poef. Door [verdachte] en andere personen werd over de telefoon in versluierde en gecodeerde taal over geldbedragen gesproken en werd gebruik gemaakt van zogenoemde tokens. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan de gesprekken, onder wie [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

In het pand waar een groot geldbedrag is aangetroffen zijn ook verdovende middelen gevonden, terwijl in een ander pand een geladen wapen en verdovende middelen zijn aangetroffen nadat een groot geldbedrag vanuit die woning aan een ander (Hill) was gegeven. Een van de afnemers ( [K.] ) verkeerde blijkens de bewijsmiddelen in het drugscircuit. Over de (al dan niet legale) herkomst van de gelden is niets bekend. Van een bedrijfseconomische noodzaak voor de transacties is niet gebleken.

Deze omstandigheden tezamen vormen een sterke aanwijzing voor een mogelijke criminele herkomst van geldbedragen.

Uit het dossier en de bestaande literatuur over Hawala-bankieren valt echter ook op te maken dat deze omstandigheden deels kunnen worden verklaard vanuit de werkwijze van Hawala-bankieren op zichzelf. Gelet op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren kan daarom niet reeds vanuit het zich voordoen van deze witwastypologieën worden vastgesteld dat het gaat om transacties met criminele gelden. Hawala-bankieren is als zodanig namelijk niet (primair) gericht op criminele gelden en transacties via het systeem van Hawala-bankieren leveren op zich geen witwassen op.

Het hof zal per ten laste gelegde en nog aan het oordeel van het hof onderworpen transactie aan de hand van voornoemd toetsingskader beoordelen of kan worden vastgesteld of de transactie daadwerkelijk een geldtransactie betrof en, indien dat het geval is, om welk bedrag en welke valuta het ging. Vervolgens dient te worden vastgesteld of het geldbedrag van misdrijf afkomstig was, of [verdachte] als pleger of medepleger bij de transactie betrokken is geweest en of hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld een criminele herkomst had.

Het hof zal eerst de door de politie onderschepte transactie en vervolgens de niet onderschepte transacties bespreken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle – thans nog aan de orde zijnde – onder feit 2 ten laste gelegde transacties en aangetroffen geldbedragen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

2.3.

Onderschepte transactie

2.3.1.

Transactie op 27 oktober 2010 van € 74.000,00

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van deze transactie wordt vrijgesproken en daartoe het volgende aangevoerd. De rol van de verdachte is beperkt tot het aannemen van informatie van [L.] en – in het ergste geval – het doorgeven daarvan aan [A. 1] . Van een daadwerkelijke bijdrage aan de voltooiing van het strafbare feit, in dit geval de overdracht van het geld, is geen sprake. Ook [A. 1] en [H.] hebben zelf contact gehad met [L.] . Het enkel verstrekken van informatie of inlichtingen is een typische medeplichtigheid handeling en onvoldoende voor medeplegen.

Oordeel van het hof

Uit de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden maakt het hof op dat [A. 1] , kort nadat [verdachte] heeft vernomen dat ‘7400’ is ontvangen, door [verdachte] gebeld is, die meedeelde dat “het van Khalid” was aangekomen en dat [A. 1] “hem”´ mocht bellen en “het hem” mocht geven. Kort daarna belde [A. 1] met [Y.] en zei tegen hem dat hij met “dat” moest komen waarbij [A. 1] op de vraag van [Y.] of het grote of kleine mango's moesten zijn, aangaf "kleine meneer en zo" Gelet op de samenstelling van het later aangetroffen geldbedrag gaat het hof ervan uit dat met “kleine” (“kleine meneer en zo”) kleine coupures worden bedoeld. In beide gesprekken is duidelijk sprake van versluierd taalgebruik van de kant van beide gesprekspartners.

Uit het vorenstaande blijkt dat [verdachte] aan de uiteindelijke overdracht van het geld aan Hill een significante en wezenlijke bijdrage geleverd heeft, die de rol van een enkel medeplichtige overstijgt en hem tot medepleger maakt. Hij heeft immers, nadat hij vanuit Pakistan ervan op de hoogte was gebracht dat het geldbedrag was ontvangen, contact opgenomen met [A. 1] en hem verzocht (naar het hof begrijpt) de uiteindelijk ontvanger van het geld te bellen en hij heeft [A. 1] toestemming gegeven deze het geld te geven. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

De verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen en ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat hij zich het betreffende gesprek met [A. 1] waarin over 7400 wordt gesproken niet voor de geest kan halen. Bij die stand van zaken heeft hij geen verklaring als zojuist beschreven voor de herkomst van het geld gegeven, en kan het niet anders zijn dan dat het betreffende geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was, en dat hij, gelet op het versluierd taalgebruik in het gesprek met [A. 1] , dat ook wist. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan de gesprekken, onder wie [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

2.4.

Niet onderschepte transacties

2.4.1.

Overweging vooraf

Het hof gaat bij de hierna te bespreken transacties telkens uit van een bedrag in euro's, omdat bij het transport waarbij een geldbedrag is onderschept, en waarbij vooraf ook een code is gebruikt met een getal zonder valuta-aanduiding, sprake was van een bedrag in euro's.

2.4.2.

Transactie op 12 mei 2010 van € 150.000,00

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De op 12 mei 2010 gevoerde telefoongesprekken, met name het gesprek van 13:25 uur, dienen van het bewijs te worden uitgesloten nu een aantal woorden wisselend en voor de verdachte in belastende zin door de tolk zijn vertaald, alsmede dat er onvoldoende steunbewijs is dat een geldtransactie heeft plaatsgevonden en dat, als al van een geldtransactie sprake is geweest, dit geld van enig misdrijf afkomstig was.

Oordeel van het hof

Op 12 mei 2010 heeft [verdachte] om 13:21 uur een sms-bericht gestuurd naar [A.S.] (hierna [A.S.] ), inhoudende: [telefoonnummer] . Dit is het telefoonnummer dat gebruikt is door de later op 24 juni 2010 wegens witwassen gearresteerde [A. 2] . Bij zijn arrestatie had deze een grote hoeveelheid geld bij zich (€ 79.910,00 in een plastic zak). Tijdens een doorzoeking van zijn woning werd nog eens € 16.925,00 aangetroffen, naast biljetten in andere valuta en administratie in de vorm van een kasboek. Uit de bij hem in beslag genomen administratie blijkt dat hij zich op zeer grote schaal heeft beziggehouden met geldhandel. In het bij hem aangetroffen kasboek bleek in de periode van 21 mei 2009 tot 17 juni 2010 een bedrag van € 32.854.103,00 te zijn opgenomen en een bedrag van € 32.874.735,00 verantwoord te zijn als storting.

Om 13:22 uur belt [verdachte] met [A.S.] en geeft hij aan dat [A.S.] het nummer moet bellen om even met “hem” te praten. Om 13:25 uur belt [A.S.] [verdachte] terug. Hij geeft aan dat hij de vriend heeft gesproken en hem zal ontmoeten. Aan [verdachte] vraagt hij of hij iets (dat in de ene vertaling met pega wordt aangeduid, in de andere met peirra/perra (Pakistaanse zoetigheid) en in weer een andere enkel met 'het") in ontvangst moet nemen of aan hem moet geven. [verdachte] zegt dat het van hem in ontvangst moet worden genomen. Het zou gaan om kussens en slopen, aldus [verdachte] in het afgeluisterde telefoongesprek. [A.S.] vraagt vervolgens of de vriend de kwitantie heeft, waarop [verdachte] bevestigend antwoordt. [verdachte] zal [A.S.] een bill geven. Hij gaat naar de winkel om het te geven. Om 13:32 uur belt [verdachte] met [A.S.] , die zegt dat hij over een half uur bij hem zal komen. [verdachte] zal een en ander gaan regelen. Om 14:08 uur belt [verdachte] weer met [A.S.] , die van hem naar de Febo moet komen. Daar zal [verdachte] het aan hem geven. Om 14:31 uur belt [A.S.] met [verdachte] en vraagt of het “4 5 1 5 4 5” is. [A.S.] geeft daarbij aan dat “hij” niet 5, het laatste cijfer heeft. Om 14:33 uur belt [verdachte] weer met [A.S.] . [verdachte] vraagt of het gegeven is en [A.S.] zegt dat het is gedaan.

In een schrift dat in beslag is genomen in de woning van [A. 2] staat de volgende aantekening:

"12-05-2010 150.000 –X 4514(5)”. Het daarnaast aangegeven balanstotaal wordt vervolgens met

150.000,00 verminderd.

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit op 12 mei 2010 [verdachte] en [A.S.] tegen inlevering van een token van [A. 2] of van een onbekende die voor [A. 2] werkte € 150.000,00 hebben gekregen. [A.S.] heeft de persoon die het geld aan hem heeft gegeven een kwitantie gegeven, die hij van [verdachte] had ontvangen.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] verklaard zich de betreffende gesprekken niet te kunnen herinneren. Wel is het zo dat hij wel eens boodschappen voor [H.] doorgaf in verband met de geldtransacties waarbij [H.] betrokken was. Aldus heeft [verdachte] geen verklaring gegeven voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij die stand van zaken houdt het hof het ervoor dat de eerder genoemde

€ 150.000,00 van misdrijf afkomstig was en dat, gelet op het versluierd taalgebruik in de voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken, [verdachte] dit ook wist. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan de gesprekken, onder wie [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de verdediging, dat er onvoldoende steunbewijs voor het plaatsvinden van enig geldtransactie is en onvoldoende bewijs is dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was, verworpen. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de gesprekken van 12 mei 2010 niet voor het bewijs te gebruiken zijn nu de vertaling van een aantal codewoorden zoals pega/peirra/perra/mangal (voor zover deze al überhaupt in het gesprek zijn gebruikt) door de tolk onjuist en ronduit belastend zijn vertaald, waardoor het lijkt of de gesprekken over geld gaan, terwijl het hier om de gebruikelijke bedrijfsuitoefening van de wasserette gaat, wordt het volgende overwogen. Ook dit verweer wordt verworpen. Voor zover woorden in de tekst zijn gebruikt waarvan de vertaling wordt betwist, zullen deze niet worden gebruikt voor het bewijs. Daar waar de woorden pega /peirra/perra zijn gebruikt, zal het hof “het” lezen, nu gelet op de context waarin de betreffende woorden zijn gebruikt het duidelijk is dat aldaar sprake is van "iets" in ontvangst nemen of geven, en derhalve geen acht slaan op de door de tolk geopperde vermoedelijke betekenis van bepaalde woorden. Dat het, zoals door de verdachte gesteld, daadwerkelijk om lakens en slopen zou gaan acht het hof, gelet op de inhoud van het betreffende gesprek en in samenhang bezien met de overige voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken, onaannemelijk. Het onderdeel waarin in de ene vertaling het woord “mangal” wordt gebruikt, en in de andere vertaling dit woord met – kort gezegd – blij maken wordt vertaald, wordt voor het bewijs buiten beschouwing gelaten.

2.4.3.

Transactie op 26 juni 2010 met betrekking tot € 80.605,00

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van dit feit. Ze heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende vaststaat dat geld is ontvangen of afgegeven, en dat evenmin bekend is aan wie of van wie en onder welke omstandigheden dit zou zijn gebeurd. Voorts is niet vast te stellen dat het niet anders kan zijn dan het hier gaat om gelden afkomstig van enig misdrijf.

Oordeel van het hof

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 26 juni 2010 meermalen telefonisch contact plaatsvindt tussen [verdachte] en [Y.] . Daarbij wordt een token door [verdachte] naar [Y.] ge-sms’t. Vlak daarop sms’t [verdachte] aan [Y.] een getal, te weten 80605. Als [verdachte] vervolgens aan [Y.] vraagt of hij allebei heeft ontvangen, antwoordt [Y.] bevestigend. [Y.] vraagt daarbij of hij ook ”5 van Shedo” zal geven, waarop [verdachte] zegt: je mag het compleet maken. Hij geeft even later aan dat het 80 605 is. Wanneer [verdachte] ongeveer drie kwartier later gebeld wordt door [Y.] en vraagt of het is gedaan, antwoordt [Y.] : ja.

Uit het voorgaande maakt het hof op dat ook in dit geval sprake is geweest van een geldtransactie, waarbij [Y.] onder gebruikmaking van het door [verdachte] gestuurde token een bedrag van

€ 80.605,00 heeft afgegeven.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het feit dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [Y.] en [verdachte] bij meer geldtransacties betrokken zijn geweest, zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Ter terechtzitting in hoger beroep is [verdachte] met betrekking tot dit feit zich blijven beroepen op zijn zwijgrecht. Aldus heeft de verdachte geen verklaring gegeven die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat het door [Y.] en hemzelf aan een derde geleverd geldbedrag van € 80.605,00 van misdrijf afkomstig was en dat hij dit ook wist, gelet op het versluierd taalgebruik in de gesprekken tussen [Y.] en hemzelf met betrekking tot dit transport. Uit de gesprekken leidt het hof af dat de deelnemers aan het gesprek, onder wie [verdachte] , hoewel voor een buitenstaander niet te duiden, precies weten wat er wordt besproken.

2.4.4.

Transactie op 1 juli 2010 met betrekking tot € 36.740,00

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld zich wat betreft dit feit te refereren aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op 1 juli 2010 [verdachte] en [Y.] met elkaar telefonisch contact hebben, waarbij [verdachte] aan [Y.] om 14:30 uur een sms bericht met een token stuurt, dat aanvangt met: [telefoonnummer] . Om 14:32 uur stuurt [verdachte] een sms bericht met: 36.740. [Y.] heeft ruim vijf kwartier later contact met telefoonnummer [telefoonnummer] dat gebruikt wordt door een Griek die later [K.] blijkt te zijn. [Y.] vraagt of het oké is, en: “over 20 min op kantoor”. [K.] geeft aan dat dat geen probleem is en dat hij op [Y.] wacht. [K.] is er al. Om 16:37 uur wordt [K.] gebeld door een gebruiker van een Engels mobiel nummer, eindigend op 0793-44. In dit gesprek geeft [K.] aan dat hij de accountant heeft gezien, en hij noemt: 36 7 4 0 (zesendertig zeven vier nul). De gebruiker 0793-44 geeft aan dat [K.] het voor hem 35,36 5 moet maken, en dus van 36 740, 240 moet afnemen en (zo begrijp het hof) dan 36 500 moet overhouden. [K.] vraagt of hij het moet bewaren, waarop gebruiker 0793-44 zegt: je ziet hem, morgen. Laatstgenoemde geeft nog aan dat de accountant een heel goede registeraccountant is. Later in het gesprek geeft gebruiker 0793-44 aan dat als [K.] een paar duizend kan krijgen, elke week of zo door dit te doen, hij de huur kan bekostigen en de onkosten. [K.] zegt vervolgens dat hij “hiervan" leeft.

Uit het “proces-verbaal bevindingen [Y.] / [K.] ” volgt dat [K.] op 28 juni 2011 contact heeft met twee mannen, van wie een later [T.] blijkt te zijn. Gezien wordt dat [T.] omstreeks 13:35 uur even contact heeft met [K.] en dan weggaat. Vervolgens gaat [K.] omstreeks 14:55 uur naar zijn woning op de [adres] in Amsterdam. Omstreeks 15:11 uur gaat [T.] deze woning binnen zonder tas. Hij komt 2 minuten later met een donkere weekendtas het portiek weer uit. In deze tas worden 2 kilogram hasj en ruim 3 kilogram cocaïne aangetroffen. [K.] wordt op 28 juni 2011 aangehouden. Tijdens de daaropvolgende doorzoeking worden in zijn woning diverse zakjes met wit poeder, wikkels met wit poeder en bruin gekleurde substantie, een zak met hennep, een seal apparaat en sealzakken aangetroffen, alsmede een geldbedrag van € 17.990,00 en een wapen (teaser).

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat op 1 juli 2010 [Y.] aan [K.] (die zich kennelijk in het drugscircuit begeeft) een (voor een onbekend gebleven gebruiker van een Engels telefoonnummer bestemd) geldbedrag van € 36.740,00 heeft gegeven, na van [verdachte] de benodigde informatie als het token en de hoogte van het betreffende bedrag te hebben ontvangen.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het feit dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] bij meer geldtransacties betrokken is geweest, zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

De verdachte heeft zich wat dit feit betreft op zijn zwijgrecht beroepen. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat het door [Y.] en [verdachte] aan een derde geleverd geldbedrag van

€ 36.740,00 van misdrijf afkomstig was en dat [verdachte] dit ook wist, gelet op het versluierd taalgebruik in de gesprekken tussen [Y.] en [verdachte] met betrekking tot dit transport, het feit dat enkel het sturen van een token en een getal door [verdachte] aan [Y.] voldoende was om in actie te komen, en gelet op de betrokkenheid van beiden bij het kort daarvoor, en door het hof bewezen geachte geldtransport op 26 juni 2010.

3 Feit 3

Door de advocaat-generaal is vrijspraak gevorderd voor dit feit omdat de gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als het verrichten van een betaaldienst in de zin van de Wft, omdat niet bewezen kan worden dat de ontvangen geldbedragen rechtstreeks worden overgemaakt naar een begunstigde.

Het hof zal dit verweer, dat ziet op de strafbaarheid van het feit, aldaar bespreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 1 juni 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam, (al dan niet vanuit de wasserette [M.H.] , [adres] te Amsterdam) heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en [A. 1] en [Y.] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- ( gewoonte)witwassen van een of meerdere geldbedragen en

- het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 sub 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten;

2 primair:
hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (al dan niet vanuit de wasserette [M.H.] , [adres] te Amsterdam) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader(s) geldbedragen, te weten:

- een geldbedrag van 150.000.- euro op 12 mei 2010;

- een geldbedrag van 80.605,- euro op 26 juni 2010;

- een geldbedrag van 36.740,- euro op 1 juli 2010 en

- een geldbedrag van 74.000,- euro op 27 oktober 2010;

voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;


3:
hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (al dan niet vanuit de wasserette [M.H.] , [adres] te Amsterdam), opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht,

immers hebben hij en zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van onbekend gebleven begunstigden en onbekend gebleven betalers geldtransfers uitgevoerd, te weten:

- een geldbedrag van 150.000.- euro op 12 mei 2010;

- een geldbedrag van 80.605,- euro op 26 juni 2010;

- een geldbedrag van 36.740.- euro op 1 juli 2010;

- een geldbedrag van 74.000.- euro op 27 oktober 2010

Hetgeen onder 1, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die in een bijlage aan dit arrest zijn gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van feit 3

Onder feit 3 is de verdachte cumulatief tenlastegelegd de overtreding van artikel 3, eerste lid, Wet inzake de geldtransactiekantoren en artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft).

Het hof stelt voorop dat onder beide strafbepalingen de feitelijke gedragingen die de verdachte (in medepleegvorm) zijn tenlastegelegd kunnen worden bewezen. Dat volgt reeds uit de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten onder feiten 1 en 2.

De vraag die voorligt is of hetgeen is bewezenverklaard tevens een strafbaar feit (in de zin van artikel 3, eerste lid, Wet inzake de geldtransactiekantoren en/of artikel 2:3a van de Wft) is.

Artikel 3, eerste lid, Wet inzake de geldtransactiekantoren (hierna: Wgk)

Door de raadsvrouw en de advocaat-generaal is betoogd dat de aan de verdachte verweten gedragingen niet strafbaar zijn in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wgk, omdat deze ten tijde van belang niet van toepassing was op hetgeen ten aanzien van de verdachte onder 3 is bewezen.

Het verweer slaagt. Tot 1 november 2009 verbood de Wgk zonder vergunning als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn. Onder ‘geldtransactie’ werd op grond van artikel 1, aanhef, onder 2, ten derde verstaan:

“het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen van gelden of geldswaarden, teneinde deze gelden of geldswaarden al dan niet in dezelfde vorm aan een derde elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel het betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden nadat deze gelden of geldswaarden elders al dan niet in dezelfde vorm ter beschikking zijn gesteld, waarbij deze geldelijke overmaking een op zichzelf staande dienst is.”

Per 1 november 2009 verviel dit onderdeel in artikel 1, aanhef, onder 2 van de Wgk en werd opgenomen in de Wft. Gelet op het voorgaande waren de onder 3 bewezenverklaarde feiten in 2010 niet (langer) strafbaar ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Wgk. Hieruit volgt dat de verdachte in zoverre dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Artikel 2:3a Wft

De raadsvrouw heeft betoogd dat geen sprake is van een overtreding van het verbod van artikel 2:3a, eerste lid, van de Wft reeds omdat de verdachte geen ‘betaaldienstverlener’ is in de zin van die bepaling.

Artikel 2:3a Wft is de implementatie van artikel 29 van de betalingsrichtlijn 2007/64/EG. De definitie van een betaaldienst in de zin van de richtlijn wordt volgens artikel 4 van de richtlijn bepaald door de bijlage van die richtlijn. In die bijlage wordt onder 6 een ‘geldtransfer’ omschreven als:

“een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken (ond. Hof) aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld;”

Volgens de verdediging is in dit geval niet gebleken van het overmaken van geldbedragen of het ten behoeve van een begunstigde in ontvangst nemen van gelden. Er is eerder sprake van een complex systeem waarbij geldbedragen in ontvangst worden genomen en via meerdere (verreken)schijven uiteindelijk bij een begunstigde terechtkomen. Het gaat ook om het in ontvangst nemen van bedragen van/voor andere bankiers, het ontvangen van A en uiteindelijk (via diverse verrekeningen) uitbetalen aan B, die in geen enkele relatie staat tot A.

De advocaat-generaal heeft vrijspraak gevorderd voor dit feit omdat de gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als het verrichten van een betaaldienst in de zin van de Wft omdat niet bewezen kan worden dat de ontvangen geldbedragen rechtstreeks worden overgemaakt naar een begunstigde. Voor de dienst verricht door de verdachte was geen vergunning nodig en niet is gebleken van een girale component.

De vraag die voorligt is of hetgeen is bewezenverklaard tevens een strafbaar feit (in de zin van artikel 2:3a van de Wft) is. Die vraag wordt door het hof bevestigend beantwoord. Daartoe wordt als volgt overwogen.

De term ‘overmaken’ in de zin van de richtlijn heeft een bredere betekenis dan het enkel giraal overmaken van geldbedragen. Dit volgt reeds uit de nadere overweging 7 in de richtlijn waar wordt opgemerkt:

(7) Een geldtransfer is een eenvoudige betalingsdienst, doorgaans op basis van contanten welke door een betaler worden verstrekt aan een betalingsdienstaanbieder die het overeenkomstige bedrag, bijvoorbeeld via een communicatienetwerk, overmaakt aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder. (-) Deze diensten voor het betalen van rekeningen moeten worden behandeld als de in deze richtlijn omschreven geldtransferdiensten, tenzij de bevoegde autoriteiten oordelen dat de activiteit onder een andere in de bijlage genoemde betalingsdienst valt.

Het overmaken van contanten via een communicatienetwerk moet naar het oordeel van het hof aldus worden begrepen dat ook de aan de verdachte verweten gedragingen daaronder vallen. De contanten die elders aan een betalingsdienstaanbieder zijn verstrekt worden hier te lande door een andere betalingsdienstaanbieder verstrekt aan een begunstigde. Aldus worden geldbedragen overgemaakt in de zin van verplaatsing van A naar B. Het hof hecht er voor de uitleg van artikel 2:3a van de Wft belang aan dat de toezichthouder van de Wft, te weten: de Nederlandse Bank, uitdrukkelijk het “overmaken van geld naar begunstigden in het buitenland, met name naar landen met een minder ontwikkeld banksysteem en waar het gebruik van bankrekeningen minder voorkomen”, rekent tot dienst 6 van de Bijlage bij voornoemde richtlijn. Dat het hier gaat om een complex systeem waarbij sprake is van meerdere (verreken)schijven zoals de raadsvrouw betoogt doet daar niet aan af.

Uit het voorgaande volgt dat de richtlijn voor het ‘overmaken’ van gelden niet de eis stelt van een girale component zoals betoogd door de advocaat-generaal.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, terwijl dit feit opzettelijk wordt begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, in georganiseerde vorm en een keer met een ander, schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van uit misdrijf voortgekomen geldbedragen en hij heeft samen met een ander/anderen in strijd met de Wet op het financieel toezicht gehandeld. Hij heeft hierbij gebruik gemaakt van het systeem van Hawala-bankieren. De verdachte heeft meegewerkt aan het (grensoverschrijdend) laten verplaatsen, verrekenen en uitbetalen van grote contante geldbedragen, buiten het formele geldcircuit. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende tussenpersonen en geldkoeriers.

Witwassen tast de integriteit van het formele, aan regels gebonden financieel-economische verkeer aan en vormt een bedreiging voor het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit daarvan behoort te kunnen stellen.

Gelet op de vele en internationale contacten die de leden van de organisatie erop nahielden, was sprake van een internationaal netwerk. De verdachte heeft een substantiële rol gehad binnen de criminele organisatie. Hij heeft nauw samengewerkt met diverse medeverdachten en met hen veelvuldig telefonisch overleg gepleegd. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het verwezenlijken van de misdrijven die de organisatie beoogde en vormde daarmee een belangrijke schakel. Hij heeft er aldus toe bijgedragen dat de organisatie als geheel kon blijven voortbestaan en misdrijven kon blijven plegen.

Het hof acht dit ernstige feiten en is van oordeel dat gelet op de bewezen verklaarde periode, de hoogte van de witgewassen geldbedragen, de rol van de verdachte en de mate van organisatie, in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden passend is.

Overschrijding redelijke termijn

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in de zaak het volgende.

De verdachte is op 6 september 2011 in verzekering gesteld. Op 24 juni 2015 is door de rechtbank het eindvonnis gewezen. De redelijke termijn is in deze fase van het proces met ruim 1 jaar en 9 maanden overschreden. Het proces in hoger beroep wordt afgerond met een arrest op 5 juli 2018. In deze fase van het proces is de redelijke termijn met een jaar overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan periodes van inactiviteit aan de zijde van het hof. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof de straf zal matigen met 3 maanden.

Voor een voorwaardelijk strafdeel, zoals door de advocaat-generaal geëist, ziet het hof geen aanleiding mede gelet op het tijdverloop sinds het plegen van de bewezenverklaarde feiten, en het feit dat, afgezien van deze zaak, uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juni 2018 niet blijkt van andere veroordelingen door de strafrechter.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De door en namens de verdachte ter terechtzitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht jo. de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde transacties/aangetroffen geldbedragen, te weten:

Transacties

  • -

    18 januari 2010 - onbekend geldbedrag;

  • -

    12 september 2010 - € 35.000,00;

Aangetroffen geldbedragen

- wasserette [M.H.] - € 50.000,00.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 2 primair onder gedachtestreepje 8 tenlastegelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde feit niet strafbaar voor zover dit ziet op artikel 3, eerste lid, Wgk en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 (voor zover dit feit ziet op artikel 2:3a Wft) bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.L. Leenaers, in tegenwoordigheid van

mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

5 juli 2018.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002653-15

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 5 juli 2018.

Tegenwoordig zijn:

mr. E. Mijnsberge, voorzitter,

mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.L. Leenaers, raadsheren,

mr. F. van den Brink, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. W.H.J. Freijsen, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.