Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4044

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
17/00387
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:586
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; artikel 6:17 Wet IB 2001; aftrek genees- en heelkundige hulp

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-01-2019
V-N Vandaag 2019/184
FutD 2019-0243
V-N 2019/9.1.2
Viditax (FutD), 12-04-2019
NTFR 2019/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 17/00387

1 november 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 16/4818 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 12 mei 2016 voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.823, en daarbij € 104 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Na tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 30 september 2016, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 24 juli 2017 heeft de rechtbank als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.500;

- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig; en

- gelast verweerder het griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 8 augustus 2017. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 13 november 2017, 28 november 2017, 9 augustus 2018 en 25 september 2018 nadere stukken ontvangen, en van de zijde van de inspecteur is op 27 december 2017 een nader stuk ontvangen.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2018. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur mrs. R.A. Wolffram en R.G.A. de Jong. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser, geboren in 1962, is gehuwd met [naam echtgenote] (hierna ook: de echtgenote), geboren in 1963. In het jaar 2013 behoorde tot het huishouden van eiser en zijn echtgenote een in 1995 geboren zoon.

2. Eiser heeft voor het jaar 2013 aangifte ib/pvv gedaan en verzocht om als volgt rekening te houden met specifieke zorgkosten:

- op 4 maart 2014 tot een totaalbedrag van € 1.957 en

- op 9 december 2014 tot een totaalbedrag van € 5.035, dat na verhoging met 40% en aftrek van de drempel van € 542 heeft geleid tot bedrag aan specifieke zorgkosten van in totaal € 5.207.

Dit bedrag is in de aangifte als volgt gespecificeerd:

Medicijnen

172

Hulpmiddelen

163

Dieetkosten

1.450

Genees- en heelkundige hulp

3.250

Totaal

5.035

Verhoging 40% van € 1.785

714

Totaal

5.749

Drempel

-542

Aftrek

5.207

3. Verweerder heeft bij het vaststellen van de aanslag eiser bij brief van 11 februari 2016 nadere informatie, waaronder bewijsstukken, gevraagd over in de aangifte opgenomen:

- dieetkosten

van € 1.450

- uitgaven voor medicijnen

van € 172

- uitgave voor medische hulp

van € 3.250.

4. Bij brief van 10 maart 2016 heeft verweerder eiser informatie, waaronder bewijsstukken, gevraagd over onder meer de aangegeven uitgaven voor medische hulp van € 3.250 en uitgaven voor medicijnen van € 172.

5. Bij brief van 31 maart 2016 heeft verweerder eiser bericht dat hij van de in de aangifte opgenomen specifieke zorgkosten in aanmerking neemt de dieetkosten van € 1.700 en uitgaven voor medicijnen van € 172.

6. Op een bij het beroepschrift gevoegd overzicht zijn 28 data in 2013 vermeld waarop naar het ziekenhuis [naam ziekenhuis] is gereden met per datum de reden van het bezoek aan dit ziekenhuis. De afstand tussen de woning van eiser en het [naam ziekenhuis] is 32 kilometer.

Blijkens dit overzicht heeft eiser 16 keer een arts bezocht en/of een medische handeling ondergaan en is hij dagelijks bezocht gedurende drie opnames in het ziekenhuis.”

2.2.

Het Hof gaat van dezelfde feiten uit en vult deze nog als volgt aan.

2.3.

Tot de gedingstukken behoort een opstelling van [naam therapeut] (fysiotherapie en manuele therapie) met daarop, onder meer, het aantal in 2013 uitgevoerde behandelingen (per datum vermeld) bij belanghebbende en de prijs per behandeling.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of en zo ja in hoeverre belanghebbende een aftrek toekomt voor uitgaven voor specifieke zorgkosten (genees-en heelkundige hulp).

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

“7. In geschil is of er meer als uitgaven voor specifieke zorgkosten te kwalificeren uitgaven zijn gedaan dan het door verweerder geaccepteerde bedrag; in het bijzonder is in geschil of zodanige uitgaven zijn gedaan voor hulpmiddelen en voor genees- en heelkundige hulp.

8. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast inzake het bestaan van uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op eiser. Daarbij dient eiser aannemelijk te maken dat de kosten zijn gemaakt en op hem hebben gedrukt zoals bepaald in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001, dat wil zeggen dat zij niet voor vergoeding door een derde in aanmerking zijn gekomen.

9. Eiser stelt dat hij het bewijs had geleverd in de vorm van originele stukken die hij naar verweerder had gezonden doch dat deze stukken kennelijk op het kantoor van verweerder in het ongerede zijn geraakt. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder acht de rechtbank deze enkele stelling van eiser onvoldoende om het door eiser hieromtrent gestelde aannemelijk te achten. Aan de vraag of er twee verschillende versies van de brief van eiser van 2 februari 2015 zijn, kan de rechtbank in dat geval voorbij gaan.

Hulpmiddelen

10. Eiser heeft in zijn aangifte van 9 december 2014 een bedrag van € 163 als uitgaven voor hulpmiddelen opgenomen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren waarop dit bedrag betrekking heeft. Reeds hierom acht de rechtbank eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de desbetreffende uitgaven heeft gedaan.

Genees- en heelkundige hulp

11. Eiser heeft in zijn aangifte van 9 december 2014 een bedrag van € 3.250 als uitgaven voor genees- en heelkundige hulp opgenomen. Bij de aanslagregeling en tijdens de bezwaarfase heeft verweerder aan eiser meerdere keren verzocht om toezending van bewijsstukken van deze aftrekpost.

12. Ter zitting heeft eiser verklaard dat deze kosten zien op drainagetherapie en manuele therapie doch dat hij ter zake van deze kosten geen betalingsbewijzen kan verstrekken. Reeds hierom kan niet geoordeeld worden dat eiser aan zijn bewijslast heeft voldaan.

Vervoerskosten

13. Verweerder heeft ter zitting verklaard akkoord te gaan met een aftrek ter zake van vervoerskosten van het huis van eiser naar het ziekenhuis en vice versa, zoals vermeld op het door eiser verstrekte overzicht, met uitzondering van de reizen in het kader van het ziekenbezoek tijdens eisers opname in het ziekenhuis. In het overzicht gaat het om drie maal drie keer een bezoek aan het ziekenhuis, zodat het aantal in aanmerking te nemen reizen aldus uitkomt op (28-9=) 19. De rechtbank volgt verweerder hierin. Voor het in aanmerking nemen van meer dan wel hogere vervoerkosten heeft eiser geen bewijs geleverd. Dit betekent dat het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning van € 30.823 moet worden verlaagd met een bedrag van ((19 x € 0,19 x 32 kilometer x 2) + 40% =) € 323 tot € 30.500.

14. Het voorgaande voert tot de slotsom dat het beroep gegrond is. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, kan niet tot een verdere vermindering van de aanslag leiden. Tegenover de betwisting door verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan schending van de door eiser in zijn brief van 18 oktober 2016 genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zodat hieraan voorbij wordt gegaan voor de onderhavige procedure.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift geschreven dat over de onder 7,8 9, 10 en 13 van de rechtbankuitspraak weergegeven geschilpunten en de beoordeling daarvan in hoger beroep geen twistpunten meer zijn. Wel maakt hij een kanttekening bij rechtsoverweging 9 welke kanttekening, kort gezegd, erop neer komt dat “uit [belanghebbendes] bijlages die bijgevoegd waren aan de rechtbank Haarlem (...) duidelijk op te maken [is] dat er bij de belastingdienst gesjoemeld wordt met originele stukken”. Nu belanghebbende aan deze kanttekening, wat er ook van zij, geen juridische gevolgen verbindt zal het Hof hieraan voorbij gaan.

Voor wat betreft de hiervoor genoemde rechtsoverwegingen van de rechtbank is het Hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank derhalve over en maakt die tot de zijne.

5.2.

Belanghebbende richt zijn pijlen in hoger beroep op het overwogene onder 11 en 12van de rechtbankuitspraak; volgens belanghebbende heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij (op hem drukkende) uitgaven heeft gedaan ter zake voor genees-en heelkundige hulp (artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001).

Belanghebbende stelt (in zijn nader stuk van 25 november 2017), voor zover van belang, ter zake :

“Voor wat betreft de nota’s van de Fysio/Manuele/ enz. therapie, in 2013 waren wij bij [naam verzekeraar] verzekerd, ik had als aanvulling een [xxx] pakket en mijn vrouw [xxx], voor het [xxx]-pakket gelde destijds de volgende voorwaardes; (zie kopie vergoedingsoverzicht bij [naam verzekeraar] 2013)

Er gelden over 2013 voor mij de volgende regels;

1. niet-chronische aandoening (alle overige aandoeningen die niet onder Bijlage 1 van het Besluit zorgverzekering en niet vallen onder de basisverzekering) uw arts en/of fysiotherapeut stelt de aandoening vast. Manuele lymfedrainage bij ernstig lymfoedeem mag ook worden uitgevoerd door een huidtherapeut in plaats van een fysiotherapeut.

12 behandelingen per jaar aanvullend start-pakket

27 behandelingen per jaar aanvullend extra-pakket

27 behandelingen per jaar aanvullend [xxx]-pakket

alle behandelingen aanvullend [xxx]-pakket

D.w.z.( zie overzicht van Fysio) ik heb in 2013 68 behandelingen gehad waarvan er 27 vergoed zijn door de zorgverzekeraar en ik er 41 zelf heb moeten voldoen, zoals ik al eerder mee deelde heb ik deze contant voldaan ad. €31,75 x 41 = € 1301,75

Doormiddel van het overzicht van de fysiotherapeut met de daarbij vermelde kosten per behandeling en het overzicht van mijn zorgverzekeraar kunnen we hier toch duidelijk opmaken welke kosten er op mij gedrukt hebben, de originele nota’s van de fysiotherapeut zijn verstuurd aan de belastingdienst, daarop staat natuurlijk vermeld dat deze contant is voldaan, op het overzicht van de fysio kunt u eveneens zien dat de nota’s zijn voldaan (zie vermelding status), tevens en dat heb ik tijdens de zitting in Haarlem ook meegedeeld heeft mijn zoon (toen 17 jaar) enige tijd onder behandeling gelopen van de GGZ, ook daar zijn de nota’s contant van betaald en ook deze originele zijn naar de belastingdienst gestuurd, hier kan ik helemaal niets meer van terug vinden want deze therapeut/Psychiater is gestopt met de praktijk

(…) Het bedrag waar verweerder het over heeft in zijn verweer ad. € 2160 - € 1301,75 = € 858,25 dit zijn dus de kosten die mijn zoon heeft gemaakt voor de GGZ. Natuurlijk heeft de belastingdienst gelijk dat er bedragen door de zorgverzekering verrekend zijn voor deze behandelingen, daar ben ik immers voor een gedeelte voor verzekerd geweest, maar voor het grootste gedeelte niet en die hebben wij zelf moeten betalen.”

5.3.

De inspecteur stelt, samengevat, daartegenover:

“Voor wat betreft de kosten van de fysiotherapie heb ik in mijn verweerschrift in eerste aanleg van 2 januari 2017 en mijn verweer in hoger beroep van 30 oktober 2017 al gemotiveerd dat de kosten eventueel voor aftrek in aanmerking zouden kunnen komen als belanghebbende deze kosten (gedeeltelijk) niet vergoed heeft gekregen. Daarbij merkte ik op dat de kosten in totaal € 2.160 bedroegen waarvan € 350 werden afgeboekt op het eigen risico.

Belanghebbende stelt in zijn conclusie van repliek (Hof: nader stuk van belanghebbende van 25 november 2017) dat hij in 2013 een aanvullende verzekering heeft afgesloten van [naam verzekeraar]. Deze verzekering vergoedt 27 fysiotherapiebehandelingen per jaar. Omdat belanghebbende in 2013 68 fysiotherapie behandelingen heeft gehad stelt hij dat de kosten van de andere 41 behandelingen voor aftrek in aanmerking komen. Dit is niet juist. Uit navraag bij de verzekeringsmaatschappij blijkt dat er na 20 behandelingen voor dezelfde indicatie sprake is van een chronische aandoening. De eerste 20 behandelingen worden uit de aanvullende verzekering betaald en de verdere behandelingen uit de basisverzekering. Indien belanghebbende onder behandeling is voor verschillende indicaties wordt per indicatie vanaf de 21 behandeling een vergoeding verstrekt uit de basisverzekering.

In hoeverre belanghebbende bedragen vergoed heeft gekregen zou kunnen blijken uit de overzichten van de verzekeringsmaatschappij welke belanghebbende tot nu niet heeft verstrekt.

In zijn conclusie stelt belanghebbende dat hij in 2013 € 858 heeft betaald aan de GGZ in verband met de behandeling van zijn zoon. Dit is een nieuwe gegeven. De bewijslast voor deze kostenpost ligt bij belanghebbende. Het is aan hem om aannemelijk te maken dat hij deze kosten heeft gemaakt en in hoeverre deze kosten op hem hebben gedrukt. (…) Zonder verdere gegevens kan ik niet beoordelen in hoeverre er sprake is van aftrekbare specifieke kosten.”

5.4.

Het Hof overweegt (gelijk de rechtbank heeft gedaan in overweging 8) dat de bewijslast inzake het bestaan van voornoemde gestelde uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op belanghebbende. Daarbij dient belanghebbende aannemelijk te maken dat de kosten zijn gemaakt en op hem hebben gedrukt. Ten aanzien van de uitgaven voor fysiotherapie is tussen partijen niet meer in geschil dat ter zake uitgaven zijn gedaan (totaal € 2.160). Partijen verschillen evenwel van inzicht of een deel van deze uitgaven (volgens belanghebbende 41 x € 31,75= € 1301,75) op belanghebbende drukken. Nu dit gemotiveerd door de inspecteur wordt betwist ligt het op de weg van belanghebbende hierover duidelijkheid te verschaffen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door een (totaal) vergoedingenoverzicht van de verzekeringsmaatschappij. Nu belanghebbende dit niet heeft gedaan, terwijl dit wel op zijn weg lag, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat voornoemd deel van de uitgaven voor fysiotherapie op hem (geheel dan wel gedeeltelijk) heeft gedrukt. Belanghebbendes betoog dat de verstrekking van een dergelijk overzicht hem veel te ver gaat (“wat moet de belastingdienst met deze informatie”) baat hem niet.

5.5.

Ten aanzien van de door belanghebbende gestelde uitgaven aan de GGZ ten behoeve van zijn zoon heeft belanghebbende geen enkel nader bewijsstuk overgelegd. Reeds hierom kan niet geoordeeld worden dat belanghebbende aan zijn bewijslast ter zake heeft voldaan.

De slotsom

5.6.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, P.F. Goes en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 1 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.