Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4028

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
200.221.168/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft aanspraak op partnerpensioen onder aftrek van het aan de eerste partner van de overledene toekomende bijzonder partnerpensioen. Het recht van de eerste partner op bijzonder partnerpensioen vloeit voort uit de wet. Dat de overledene en/of de eerste partner destijds verzuimd hebben om melding te doen van hun echtscheiding aan de toenmalige werkgever van de overledene en/of de toenmalige pensioenuitvoerder, en dat het bijzonder partnerpensioen bij de daarop gevolgde waardeoverdracht(en) niet is afgesplitst en is achtergebleven bij de toenmalige pensioenuitvoerder, doet daar niet aan af.

Het pensioenfonds heeft het bijzonder partnerpensioen van de eerste partner aanvankelijk ten onrechte niet in mindering gebracht op het partnerpensioen van betrokkene. Het pensioenfonds heeft de gemaakte fout in dit geval voor de toekomst mogen herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2019/1
RFR 2019/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.221.168/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5425861 CV EXPL 16-29568

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 oktober 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. W.P.M. Thijssen te Heemstede,

tegen

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: prof. dr. E. Lutjens te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Bpf Bouw genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 7 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 16 mei 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en Bpf Bouw als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord;

- akte, met een productie;

- antwoordakte.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 augustus 2018 doen bepleiten door voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [appellante] zal toewijzen, met veroordeling van Bpf Bouw in de kosten van de procedure in beide instanties.

Bpf Bouw heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure - naar het hof begrijpt - in hoger beroep met nakosten en rente.

[appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1. tot en met 1.9. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

2.1

[appellante] heeft met ingang van 1 september 2009 recht op partnerpensioen wegens het overlijden van haar partner, wijlen de heer [X] (hierna: [X] ).

2.2

[X] is van 1976 tot 1991 werkzaam geweest bij Troost Pernis Groep. Van 1991 tot 1992 is hij werkzaam geweest bij Koninklijke Volker Stevin.

2.3

[X] heeft in het kader van voornoemde arbeidsovereenkomsten pensioenaanspraken opgebouwd bij Stichting Pensioenfonds Troost-Pernis Groep (hierna: PFTP), uitgevoerd door Nationale Nederlanden (hierna: NN), en bij Pensioenfonds Koninklijke Volker Wessels Stevin ( hierna: PKVWS). Bij aanvang van de deelname [X] aan PKVWS heeft in 1991/1992 waardeoverdracht plaatsgevonden van de door [X] bij PFTP opgebouwde aanspraak op ouderdoms- en weduwenpensioen. Als gevolg van een collectieve waardeoverdracht zijn per 1 januari 2011 alle pensioenrechten en -aanspraken van PKVWS overgedragen aan Bpf Bouw.

2.4

[X] is drie maal getrouwd geweest, van 22 december 1971 tot 3 februari 1988 met zijn eerste partner, van 22 november 1991 tot 8 februari 2001 met zijn tweede partner en van 29 juli 2009 tot 12 augustus 2009 met [appellante] .

2.5

De tweede partner [X] heeft afstand gedaan van het recht op bijzonder partnerpensioen.

2.6

Bij de uitvoering van de onder 2.3 bedoelde (eerste) waardeoverdracht is door het overdragend uitvoeringsorgaan (PFTP c.q. NN) in het daarvoor bestemde formulier d.d. 4 augustus 1992 bij “Fiktieve overdrachtswaarde van bijzonder weduwenpensioen” niets genoteerd. De waardeoverdracht heeft vervolgens plaatsgevonden zonder afsplitsing van het bijzonder weduwenpensioen (hierna: partnerpensioen) voor de eerste partner Van [X] .

2.7

Bij brief van 4 november 2014 heeft Bpf Bouw [appellante] bericht dat haar partnerpensioen te hoog is vastgesteld omdat een deel van het pensioen voor de eerste partner van [X] bestemd is, en aangekondigd dat haar partnerpensioen in de toekomst zal worden verlaagd.

2.8

Per brief van 28 januari 2015 heeft Bpf Bouw [appellante] bericht dat het verlaagde partnerpensioen van € 616,26 bruto per maand per 1 februari 2015 gehandhaafd blijft en dat de vordering van € 34.636,06 bruto over de periode van 1 september 2009 tot

1 februari 2015 wordt kwijtgescholden.

2.9

Op het verzoek van de gemachtigde van [appellante] van 11 februari 2016 om het verlaagde partnerpensioen met terugwerkende kracht te herstellen, heeft Bpf Bouw bij brief van 3 mei 2016 afwijzend gereageerd.

2.10

Bij brief van 12 december 2017 heeft NN aan de advocaat van [appellante] bevestigd dat de echtscheiding tussen [X] en de eerste partner niet aan NN is gemeld, onder vermelding van de tekst van het destijds geldende pensioenreglement dat voorschreef dat de bij de beëindiging van het huwelijk betrokken partijen van de beëindiging terstond schriftelijk mededeling zullen doen aan de werkgever. Om die reden is door NN in 1992 ook geen bijzonder partnerpensioen afgesplitst en achtergebleven bij NN ten gunste van de eerste partner, aldus NN.

3 Beoordeling

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- een verklaring voor recht dat Bpf Bouw de korting van haar partnerpensioen vanaf

1 februari 2015 ongedaan dient te maken en dat haar partnerpensioen tot het oorspronkelijke bedrag dient te worden hersteld;

- veroordeling van Bpf Bouw tot het betalen van € 586,04 per maand vanaf 1 februari 2015 tot de maand waarin [appellante] overlijdt, exclusief eventuele indexering van dat bedrag, voor zover het achterstallige bedragen betreft te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de termijn verschuldigd was;

- veroordeling van Bpf Bouw tot het (doen) afgeven aan [appellante] van een schriftelijk bewijs dat haar partnerpensioen op 1 februari 2015 € 1.202,30 per maand bedroeg, op straffe van verbeurte van dwangsommen;

- veroordeling van Bpf Bouw tot het betalen van buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, inclusief nakosten.

3.2

[appellante] heeft daartoe aangevoerd dat Bpf Bouw jegens [appellante] het pensioenreglement van Bpf Bouw dient na te komen. Volgens dit reglement heeft [appellante] recht op partnerpensioen, dat is 70% van het ouderdomspensioen ten tijde van het overlijden van [X] . De eerste partner kan aan dit reglement geen rechten ontlenen omdat haar huwelijk met [X] eindigde vóór de deelneming van [X] aan de pensioenregeling van PKVWS, thans Bpf Bouw. Het niet afsplitsen van het bijzonder partnerpensioen bij de waardeoverdracht en de eventuele gevolgen daarvan komen voor risico van NN. [appellante] heeft betwist dat de eerste partner (nog) aanspraak heeft op bijzonder partnerpensioen. De vordering van de eerste partner is volgens [appellante] bovendien verjaard. Bpf Bouw had verweer tegen de vordering van de eerste partner moeten voeren althans de schade op NN moeten verhalen. Bpf Bouw is niet bevoegd om NN, die mogelijk een fout heeft gemaakt, onverplicht te hulp te schieten ten koste van [appellante] . Bpf Bouw heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en daartoe kort samengevat het volgende overwogen. De aanspraak van de eerste partner op bijzonder partnerpensioen staat voldoende vast en is niet verjaard. Uit het toepasselijke pensioenreglement van Bpf Bouw volgt dat [appellante] aanspraak heeft op partnerpensioen onverminderd de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van de eerste partner. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat een foutief vastgestelde aanspraak wordt hersteld. Dat Bpf Bouw als opvolgend pensioenuitvoerder de fout niet zelf heeft gemaakt, betekent nog niet dat Bpf Bouw jegens [appellante] gehouden is om de hieruit voortgevloeide, te hoog vastgestelde pensioenaanspraak voor de toekomst te blijven honoreren. Er bestaat geen grondslag voor de stelling dat Bpf Bouw het bijzonder partnerpensioen moet verhalen op NN. Aan de omstandigheid dat Bpf Bouw aan [appellante] gedurende zes jaar een te hoog partnerpensioen heeft uitgekeerd, mocht [appellante] niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat dit bedrag niet voor wijziging in aanmerking zou kunnen komen. Er is niet gebleken dat [appellante] door de fout bijvoorbeeld verplichtingen is aangegaan die zij onmogelijk nog kan redresseren en waardoor ze bij herstel van de fout in een onhoudbare situatie terecht zou komen.

3.4

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar drie grieven op. Met grief 1 voert [appellante] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat uit het pensioenreglement van Bpf Bouw volgt dat de eerste partner aanspraak maakt op bijzonder partnerpensioen jegens Bpf Bouw en dat dit de rechtsgrond vormt voor korting van het partnerpensioen van [appellante] . Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen rechtsregel in de weg staat aan herstel van een foutief vastgestelde pensioenaanspraak en dat het enkele feit dat Bpf Bouw de fout niet heeft gemaakt, niet betekent dat zij jegens [appellante] gehouden is om de hieruit voortvloeiende, te hoge pensioenaanspraak voor de toekomst te blijven honoreren. Grief 3 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen grondslag bestaat voor de stelling dat Bpf Bouw het bijzonder partnerpensioen dient te verhalen op NN en dat dit betoog ertoe zou leiden dat [appellante] een hoger pensioen zou krijgen dan waarop zij reglementair recht heeft. Bpf Bouw bestrijdt de grieven. De grieven 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5

In de grieven van [appellante] ligt het standpunt besloten dat aan de eerste partner geen bijzonder partnerpensioen toekomt omdat de echtscheiding tussen haar en [X] niet conform het pensioenreglement van PFTP aan Troost-Pernis Groep en vervolgens aan PFTP c.q. aan NN is gemeld en haar aanspraak in ieder geval is verjaard. Indien de meldingsplicht niet als een constitutieve voorwaarde aan het ontstaan van het recht van de eerste partner op bijzonder partnerpensioen mag worden gesteld, stelt [appellante] zich op het standpunt dat toekenning van dit pensioen niet door Bpf Bouw dient te geschieden, in ieder geval niet ten laste van het partnerpensioen van [appellante] , omdat daartoe voor Bpf Bouw geen enkele verplichting geldt, noch op grond van de wet noch op grond van enige overeenkomst waarbij [appellante] partij was.

3.6

Het hof overweegt dat de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van een gewezen partner van een deelnemer ten tijde als hier van belang - uitsluitend - rechtstreeks voortvloeide uit artikel 8a PSW, welke dwingendrechtelijke bepaling gold tot en met 31 december 2006, en met ingang van 1 januari 2007 uit artikel 57 van de Pensioenwet. Blijkens lid 3 van artikel 8a PSW kon slechts afstand van dit recht worden gedaan bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding. Het niet voldoen aan een verplichting, opgenomen in een pensioenreglement, om de werkgever mededeling te doen van een echtscheiding, leidt derhalve niet tot afstand van dit recht. Dat [X] en / of de eerste partner destijds hebben verzuimd om de echtscheiding te melden aan Troost-Pernis Groep, PFTP c.q. NN heeft derhalve niet geleid tot afstand van dit recht op de in lid 3 van artikel 8a PSW voorgeschreven wijze. Evenmin kan aan het achterwege blijven van deze melding de conclusie worden verbonden dat aan een ontstaansvoorwaarde voor de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van de eerste partner niet is voldaan. Uit de door [appellante] tijdens haar pleidooi aangehaalde wetsgeschiedenis van artikel 8a PSW kan dit niet worden afgeleid. De meldplicht waar het destijds om ging, werd veeleer beschouwd als waarborg, dat de vrouw op de hoogte zou zijn van haar aanspraak op weduwenpensioen en deze geldend zou maken. (Kamerstukken II, 1971-1972, 11 529, nr. 5, p. 8) Mededeling van de echtscheiding is voor de betreffende pensioenuitvoerder wel een voorwaarde voor het kunnen effectueren en administratief verwerken van de aanspraak op bijzonder partnerpensioen. De waardeoverdracht, waarbij het bijzonder partnerpensioen niet is afgesplitst en die heeft plaatsgevonden zonder instemming van de eerste partner, heeft evenmin geleid tot afstand van recht als bedoeld in artikel 8a lid 3 PSW. Uit het vorenstaande volgt dat de eerste partner recht heeft op bijzonder partnerpensioen vanaf het overlijden van [X] .

3.7

Dan dient te worden beoordeeld wat de consequenties zijn van het recht van de eerste partner op bijzonder partnerpensioen voor het recht op partnerpensioen van [appellante] . Met betrekking tot de hoogte van het recht op partnerpensioen van [appellante] in haar rechtsverhouding tot Bpf Bouw is bepalend dat op haar partnerpensioen ingevolge artikel 7 lid 3 jo. artikel 8 lid 5 van het Pensioenreglement Bouwnijverheid van Bpf Bouw het bijzonder partnerpensioen van de eerste partner in mindering dient te worden gebracht. Dat de echtscheiding tussen [X] en de eerste partner niet heeft plaatsgevonden tijdens de diensttijd van [X] bij een bij Bpf Bouw aangesloten werkgever is geen beletsel aangezien waardeoverdracht heeft plaatsgevonden, ook voor wat betreft de aanspraak van de eerste partner op bijzonder partnerpensioen, en de deelneming bij Bpf Bouw van [X] daarom geacht wordt te liggen vóór het moment van echtscheiding. Dat de eerste partner zich pas geruime tijd na het overlijden van [X] bij NN en / of Bpf Bouw heeft gemeld, maakt dat ook niet anders en evenmin is van belang voor de hoogte van het recht op partnerpensioen van [appellante] of Bpf Bouw dan wel een andere pensioenuitvoerder het bijzonder partnerpensioen aan de eerste partner uitkeert of - afgezien van de situatie van afstand van recht - dient uit te keren. Overigens gaat het beroep op verjaring van [appellante] niet op omdat ingevolge artikel 59 van de Pensioenwet een rechtsvordering tegen een pensioenuitvoerder tot het doen van een uitkering niet verjaart bij leven van de pensioengerechtigde.

3.8

Vast staat dat het bijzonder partnerpensioen van de eerste partner aanvankelijk ten onrechte niet in mindering is gebracht op het partnerpensioen van [appellante] . Beoordeeld dient te worden of Bpf Bouw deze fout met ingang van 1 februari 2015 - voor de toekomst - heeft mogen herstellen. Het hof is van oordeel dat het Bpf Bouw in deze zaak inderdaad vrijstond om dit te doen en overweegt daartoe het volgende. Uitgangspunt is dat het pensioenreglement bepalend is voor de omvang van de pensioenaanspraken van de deelnemer of diens - gewezen - partner. Het staat een pensioenfonds vrij om een aanvankelijk te hoog vastgestelde pensioenuitkering te corrigeren, tenzij dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij valt niet in te zien op grond waarvan het pensioenfonds daartoe alleen gerechtigd zou zijn als de oorzaak van het te hoog vaststellen van de pensioenuitkering bij het betreffende pensioenfonds zelf ligt, zoals [appellante] heeft bepleit. Correctie zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kunnen zijn indien de deelnemer er in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat aan hem door het pensioenfonds verstrekte informatie juist was, en hij op grond van deze mededelingen bepaalde concrete financiële verplichtingen is aangegaan die hij niet meer ongedaan kan maken, en waardoor hij in grote financiële problemen komt te verkeren als het pensioen lager wordt vastgesteld dan voorheen. In deze zaak is namens [appellante] gesteld dat zij meer is gaan werken om de financiële gevolgen van de verlaging van haar partnerpensioen op te vangen, waaruit volgt dat er geen sprake is van financiële verplichtingen die zij niet meer kan opbrengen. In het midden kan daarom blijven of [appellante] er op mocht vertrouwen of de hoogte van het door Bpf aan haar verstrekte pensioen wel juist was. De conclusie van het hof is daarom dat in de gegeven omstandigheden correctie van het foutief vastgestelde partnerpensioen voor de toekomst gerechtvaardigd was. De grieven 1 en 2 slagen daarom niet.

3.9

[appellante] heeft geen belang bij behandeling van grief 3 aangezien het haar belang niet raakt of Bpf Bouw het bijzonder partnerpensioen al dan niet verhaalt op NN. Dit heeft immers, zoals reeds hiervoor in r.o. 3.7 overwogen, geen invloed op haar aanspraak op partnerpensioen jegens Bpf Bouw.

3.10

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Bpf Bouw begroot op € 716,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris, en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, F.J. Verbeek en A.C.M. Kuypers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2018.