Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4019

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
05-11-2018
Zaaknummer
K18/230226
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 12 Sv. Vervolging ter zake van smaad(schrift) en laster in de politieke arena? De begrenzing in verband met artikel 10 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K18/230226 van

T.H.P. Baudet,

klager,

woonplaats kiezende ten kantore van mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Amsterdam.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 17 mei 2018 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen K.H. Ollongren (hierna: beklaagde) ter zake van smaad(schrift)/laster.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 13 augustus 2018 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag kennelijk ongegrond te verklaren.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift met de daarbij behorende bijlagen, ontvangen op 18 mei 2018;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het in deze zaak door de politie opgemaakte proces-verbaal;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 16 juli 2018;

- de voordracht van beklaagde ter gelegenheid van de 21ste editie van de Ien Dales-lezing op 2 februari 20181.

Het ambtsbericht en het verslag zijn aan klager verzonden met het verzoek, desgewenst, daarop binnen veertien dagen na verzending schriftelijk te reageren. Het hof heeft geen reactie ontvangen.

4 De inhoud van de klacht en het standpunt van klager en het openbaar ministerie

Inhoud van de klacht:

Beklaagde is vice-premier en minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Naar aanleiding van uitlatingen gedaan in haar voordracht ter gelegenheid van de 21ste editie van de Ien Dales-lezing op 2 februari 2018 heeft klager aangifte gedaan tegen beklaagde ter zake van smaad(schrift) en laster. Het klaagschrift noemt de volgende passages, weergegeven in de context waarin zij zijn uitgesproken, waarbij de gewraakte passages zijn onderstreept:

“En stelde hij [Wilders] voor de verkiezingen voor om te zorgen voor minder Nederlanders met een Marrokaanse achtergrond.

Stuk voor stuk strijdig met het beginsel dat allen in Nederland gelijk zijn.

De nieuwste afsplitsing van het populisme gaat verder waar Wilders ophoudt. De partij van Baudet lijkt geobsedeerd te zijn door een van de weinige taboes waar ik als progressieve liberaal aan hecht: het praten over rassen in het politieke debat.

Rassenmening (het hof begrijpt op basis van de op de website van de rijksoverheid gepubliceerde tekst: rassenmenging) kwam al voorbij uit de mond van Forumleden. Rassenverdunning ook. De afgelopen weken ging Baudet opnieuw verder .

Geconfronteerd met uitspraken dat Nederlanders met een donkere huidskleur minder intelligent zouden zijn dan andere rassen, een uitspraak van een kandidaat van Forum bij de verkiezingen aanstaande maart, zei de voorman van Forum dat hij daar geen afstand van wilde nemen.

Volgens Baudet was dit een wetenschappelijk debat. Daar wilde hij zich niet in mengen. Zo laat hij het dus onweersproken als zijn partijgenoten openlijk discrimineren op basis van ras .

Het populisme wil sommige Nederlanders dus anders behandelen dan andere. En daarmee bedreigt het kernwaarden van Nederland .”

Standpunt klager:

Kort samengevat en zakelijk weergegeven luidt het standpunt van klager dat

- beklaagde door haar uitingen klager, al dan niet samen met zijn partij, Forum voor Democratie, beschuldigt van strafbare discriminatie;

- beklaagde klager daarmee en ook overigens beschuldigt van een “bepaald feit” als bedoeld in artikel 261 Wetboek van Strafrecht (Sr);

- de beschuldigingen onjuist zijn;

- er geen sprake is van (een bijdrage aan) een maatschappelijk en/of politiek debat

omdat het een eenzijdige communicatie betreft;

- ook al zou er sprake zijn van een maatschappelijk/publiek/politiek debat, de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ook in dat geval geen beschuldiging van het plegen van strafbare feiten toestaat;

- het bij een dergelijke beschuldiging immers gaat om een feitelijk oordeel dan wel een excessief waardeoordeel of een waardeoordeel dat berust op een feitelijke grondslag;

- in zo’n geval een voldoende onderbouwing een vereiste is, maar die ontbreekt hier;

- alsdan de bescherming van goede naam en reputatie ex artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) prevaleert boven de bescherming van de vrijheid van meningsuiting welke artikel 10 EVRM beoogt te beschermen.

Standpunt Openbaar Ministerie:

Bij brief van 21 februari 2018 heeft de hoofdofficier van justitie te Amsterdam aan klager meegedeeld dat zijn aangifte zal worden geseponeerd omdat – kort weergegeven – de gewraakte passages van de lezing van beklaagde geen telastlegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261 Sr bevatten, zodat er geen sprake is van smaad of laster, en dat ook overigens een redenering gebaseerd op de werking van artikel 10, eerste lid, EVRM, tot eenzelfde eindresultaat zou leiden.

In het ambtsbericht heeft de hoofdofficier van justitie zijn eerdere standpunt gehandhaafd en nader gemotiveerd; hij heeft toegevoegd dat het spreken over rassen-verdunning of rassenmenging zijns inziens geen misdrijf oplevert en ook geen feit is dat strijdt met de positieve moraal.

Dit standpunt is overgenomen door de advocaat-generaal; deze heeft eraan toegevoegd dat haars inziens ook de uitlatingen van een andere kandidaat van Forum voor Democratie, waaraan door beklaagde in haar lezing wordt gerefereerd, niet strafbaar zijn. Zij komt in haar verslag tot het oordeel dat in de toespraak geen sprake is van een duidelijk te onderkennen, concrete, historische gedraging of gebeurtenis en derhalve ook niet van een telastlegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261 Sr.

5. De beoordeling door het hof

Beoordelingskader:

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

Bij de beoordeling zijn de volgende bepalingen van toepassing:

- artikel 261 Sr:

1. Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

3. Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.

- artikel 262 Sr, voor zover hier van belang:

1. Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

- artikel 8 EVRM:

1. Een ieder heeft het recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

- artikel 10 EVRM:

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-, omroep- en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

De overwegingen van het hof:

Zowel klager als het openbaar ministerie hebben veel woorden gewijd aan de vraag of in dit geval sprake is van “telastlegging van een bepaald feit” als bedoeld in artikel 261 Sr. Die vraag kan echter buiten beschouwing blijven nu de in artikel 10 van het EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting in dit geval – ook al zou zijn voldaan aan de delictsomschrijving van de artikelen 261 en/of 262 Sr – aan een veroordeling in de weg zou staan.

In zaken waarin sprake was van strafvervolging in verband met smaad in de politieke arena2, heeft het EHRM met betrekking tot de vraag in hoeverre de vervolgde zich op de bescherming van artikel 10, tweede lid, EVRM kan beroepen, immers het navolgende als richtsnoer voor de nationale overheden aangereikt:

61. As regards the level of protection, the Court recalls that there is little scope under Article 10 § 2 of the Convention for restrictions on political speech or on debate on matters of public interest. Accordingly, a high level of protection of freedom of expression, with the authorities thus having a particularly narrow margin of appreciation, will normally be accorded where the remarks concern a matter of public interest. A degree of hostility and the potential seriousness of certain remarks do not obviate the right to a high level of protection, given the existence of a matter of public interest.

Beklaagde – vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – heeft de gewraakte uitlatingen gedaan bij gelegenheid van een voor ieder toegankelijke lezing over grondwettelijke vrijheid en gelijkwaardigheid. De tekst daarvan is vervolgens gepubliceerd op een overheidswebsite.

In het hiervoor weergegeven fragment uit de toespraak neemt beklaagde als “progressief liberaal” (het hof begrijpt: politica) een standpunt in over het spreken (door klager en/of klagers politieke partij) over rassen in het politieke debat.

Uit de tekst van de lezing en de omstandigheden waarin deze is uitgesproken kan worden afgeleid dat de uitlatingen zijn gedaan in het kader van het publieke debat. Beklaagde geeft uiting aan haar ongerustheid over medepolitici die uitspraken doen die naar haar idee in strijd zijn met het grondwettelijk beginsel dat allen in Nederland gelijk zijn. Nu de lezing vrij toegankelijk was en de tekst is gepubliceerd is eenieder in staat en vrij om er desgewenst op te reageren. Klager heeft dat (zoals in het klaagschrift is weergegeven) ook zelf in de media gedaan. In dit licht beschouwd valt niet goed in te zien dat de uitlatingen van beklaagde geen bijdrage zouden (kunnen) leveren aan het publieke debat over een kwestie van algemeen belang.

Het hof acht het niet aannemelijk dat de strafrechter in dit geval zal oordelen dat de bescherming van goede naam en reputatie ex artikel 8 EVRM zou moeten prevaleren boven de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Klager heeft zelf uitgebreid betoogd dat van de zijde van Forum voor Democratie geen strafbaar feit is gepleegd, en het openbaar ministerie is dat met hem eens. Beklaagde heeft zich evenmin als zodanig in tegengestelde zin over klager en diens partij(genoten) uitgelaten. De conclusie dat beklaagde klager en zijn partij(genoten) beschuldigt van het plegen van een strafbaar feit door hun uitlatingen te denatureren en/of uit hun verband te trekken, wordt – alleen – door klager getrokken, maar is niet onderbouwd.

Al met al is het hof van oordeel dat een veroordeling ter zake van smaad(schrift) of laster niet te verwachten valt. Alleen al op die grond is er geen reden om in deze zaak de vervolging te gelasten.

Het hof overweegt bovendien dat vervolging in deze zaak ook niet opportuun zou zijn. Klager is lid van de Tweede Kamer, en anders dan een burger kan hij in zijn hoedanigheid van volksvertegenwoordiger vragen stellen aan de minister om – indien hij dat nodig acht – in de Kamer met haar in debat te gaan en haar voor haar uitlatingen ter verantwoording te roepen. Daarbij geldt dat het strafrecht een uiterste middel is en dat in deze zaak niet primair de rechtszaal maar het parlement de plaats is waar het debat over politieke uitlatingen kan worden gevoerd.

Nu klager geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om te reageren op het ambtsbericht en het verslag valt van een nadere toelichting van de standpunten van partijen in raadkamer geen meerwaarde te verwachten. Het beklag is kennelijk ongegrond.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 30 oktober 2018 door mrs. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, P.C. Kortenhorst en J.L. Bruinsma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl/documenten/toespraken/2018/02/02/burgemeester-dales-lezing-door-minister-ollongren

2 Recentelijk nog in EHRM 19 juli 2018, Makraduli v. the former Yugoslav Republic of Macedonia (19-07-2018 - 64659/11 24133/13 (http://www.legalintelligence.com/documents/30281747?srcfrm=basic+search&docindex=1&stext=Makraduli))