Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4018

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
200.239.563/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; afwijzing van het verzoek een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2019/11
JONDR 2018/1238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.239.563/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 19 oktober 2018

inzake

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKVERENIGING,

gevestigd te Utrecht,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMBULANCE AMSTERDAM B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AA-GROEP B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTERS,

advocaten: mr. C. Nekeman en mr. B. de Ruijter, beiden kantoorhoudende te Amsterdam.

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoekster wordt hierna aangeduid met FNV. Verweersters worden hierna ieder afzonderlijk met Ambulance Amsterdam en AA-Groep aangeduid en gezamenlijk met Ambulance Amsterdam c.s.

1.2 FNV heeft bij op 23 mei 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Ambulance Amsterdam c.s. over de periode vanaf 2012, met veroordeling van Ambulance Amsterdam c.s. in de kosten van het geding.

1.3 Ambulance Amsterdam c.s. hebben bij op 28 juni 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht primair het verzoek van FNV af te wijzen, met veroordeling van FNV in de kosten van het geding, inclusief nakosten, met bepaling dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, en subsidiair de reikwijdte van een te bevelen onderzoek te beperken tot Ambulance Amsterdam over de periode vanaf 2016.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 12 juli 2018. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde aantekeningen en wat mr. Nekeman betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties 35 tot en met 39. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:

2.1

Ambulance Amsterdam is op 30 december 1969 opgericht en heeft haar huidige vorm gekregen in januari 2012 door het samengaan van Verenigd Ziekenvervoer Amsterdam (VZA) en de Ambulancedienst en meldkamer Ambulancezorg van de GGD Amsterdam. AA-Groep, opgericht op 10 april 1957, houdt de aandelen in het geplaatste kapitaal van Ambulance Amsterdam.

2.2

Zowel AA-Groep als Ambulance Amsterdam heeft een raad van commissarissen. Deze organen bestaan uit dezelfde personen. Er is op het niveau van AA-Groep een ondernemingsraad ingesteld, waarin Ambulance Amsterdam vertegenwoordigd is.

2.3

[A] (hierna: [A] ) was vanaf 1 maart 2010 bestuurder van AA-Groep en vanaf 7 mei 2014 bestuurder van Ambulance Amsterdam. Bij zijn vertrek per 31 december 2016 is hem een afvloeiingsregeling toegekend van € 180.095. Naast [A] was [B] bestuurder van AA-Groep en Ambulance Amsterdam vanaf 16 december 2013 respectievelijk 7 mei 2014 tot 3 juli 2015. Vanaf 1 januari 2016 tot 15 maart 2018 was [C] (hierna: [C] ) bestuurder van Ambulance Amsterdam c.s. (tot 1 januari 2017 naast [A] ). [D] (hierna: [D] ) trad vanaf 15 maart 2018 op als interim-bestuurder en is op 1 juni 2018 tot permanent bestuurder van Ambulance Amsterdam c.s. benoemd, in overleg met en op advies van de raden van commissarissen en nadat de ondernemingsraad daarover positief had geadviseerd.

2.4

Ambulance Amsterdam exploiteert een ambulancedienst, die acute ambulancezorgverlening en besteld ambulancevervoer verzorgt. Ambulance Amsterdam is aangewezen als Regionale Ambulancevoorziening (hierna: RAV) in de zin van de Tijdelijke wet ambulancezorg voor de regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. Ambulance Amsterdam Kennemerland B.V., een andere dochter van AA-Groep, neemt deel in de Coöperatieve RAV Kennemerland, die voor de regio Kennemerland is aangewezen als RAV. Als RAV draagt Ambulance Amsterdam zorg voor het in stand houden van een meldkamer en het (doen) verlenen van ambulancezorg binnen haar regio’s. Ambulance Amsterdam c.s. heeft ongeveer 500 medewerkers in dienst. Ambulance Amsterdam is gebonden aan de cao sector ambulancezorg.

2.5

Op 3 november 2013 heeft onderzoeksbureau Panteia een rapport uitgebracht naar aanleiding van een in oktober van dat jaar uitgevoerd medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO) onder alle medewerkers van Ambulance Amsterdam. Volgens dit rapport is door de veranderingen die in relatief korte tijd bij Ambulance Amsterdam zijn doorgevoerd veel onrust ontstaan, terwijl de verandertrajecten op zichzelf al vrij negatief worden beoordeeld. “Daarnaast is door de veranderingen, en doordat ambulances vaak niet volgens planning inzetbaar zijn, een hoge werkdruk ontstaan. De medewerkers hebben vanwege het hoge tempo van de veranderingen de indruk gekregen dat de directie onvoldoende op de hoogte is van wat er speelt op de werkvloer, en zijn het vertrouwen in hen kwijt. (…) Alles bij elkaar genomen blijkt minder dan de helft van de medewerkers van Ambulance Amsterdam tevreden over het werk.”

2.6

Eind 2014 hebben medewerkers van Ambulance Amsterdam en de ondernemingsraad het vertrouwen in de directie opgezegd. FNV heeft het bestuur en de raad van commissarissen van Ambulance Amsterdam daarover in december 2014 aangeschreven. FNV heeft naar aanleiding van klachten die zij van het personeel van Ambulance Amsterdam heeft ontvangen een meldpunt ingesteld. Verder heeft FNV de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie SZW ingeschakeld. De Inspectie SZW heeft na het uitvoeren van onderzoek een aanzegging opgelegd gedurende zes maanden tot eind 2015.

2.7

Onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix (AEF) heeft op 3 maart 2015 een rapport uitgebracht naar aanleiding van een in opdracht van Ambulance Amsterdam uitgevoerd onderzoek op een drietal thema’s: koers van Ambulance Amsterdam, evaluatie van het nieuwe bestuursmodel en verbinding in de organisatie. In dit rapport staat: “(…) AA is de afgelopen jaren overvraagd. Het was, terugkijkend, teveel tegelijk. AA is er onvoldoende in geslaagd om het tempo van de veranderingen aan te passen aan ‘rek’ in de organisatie. Dat heeft grote interne spanningen veroorzaakt: hoge werkdruk, onzekerheid over het toekomstperspectief, afnemend vertrouwen tussen organisatieonderdelen en weinig vertrouwen in leidinggevenden. De externe druk op AA om op alle fronten tot verbetering en vernieuwing te komen was de afgelopen jaren erg groot. En dat zal de komende jaren zo blijven (…)”.

2.8

FNV heeft op 17 december 2015 brieven gezonden aan het bestuur van Ambulance Amsterdam c.s. en de raad van commissarissen van Ambulance Amsterdam. De in zoverre gelijkluidende brieven bevatten een uiteenzetting van de bevindingen op grond waarvan bij FNV en haar bij Ambulance Amsterdam werkzame leden grote zorgen bestaan over het binnen Ambulance Amsterdam gevoerde beleid. De brieven zijn bedoeld als kennisgeving van bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken in de zin van artikel 2:349 lid 1 BW en bevatten de mededeling dat de reactie op de brief voor FNV mede van invloed zal zijn bij het nemen van een besluit over het indienen van een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer.

2.9

FNV heeft voornoemde ‘enquêtebrieven’ onder de aandacht van de ondernemingsraad gebracht. De ondernemingsraad heeft in januari 2016 aan FNV gemeld de bevindingen van FNV voor kennisgeving aan te nemen, maar zich gezien de huidige (positieve) ontwikkelingen binnen Ambulance Amsterdam niet achter de in de brief genoemde standpunten te scharen.

2.10

In juni 2016 heeft organisatie-adviesbureau Vodemol een rapport uitgebracht naar aanleiding van een Preventief Medisch Onderzoek naar de werkdruk en de gevolgen daarvan bij het personeel van Ambulance Amsterdam. Volgens dit rapport zijn de gevolgen van de psychosociale arbeidsbelasting voor medewerkers op groepsniveau geringer dan de Nederlandse benchmark. “(…) Tegelijkertijd is er een beperkte groep medewerkers, die hoge werkdruk ervaart en er ook last van heeft in termen van werkstress. De ernst van de klachten van deze groep is echter wel substantieel.” Vodemol geeft tien aanbevelingen voor beleid op het gebied van psychosociale arbeidsbelasting.

2.11

In 2016 hebben FNV, vertegenwoordigd door [E] (hierna: [E] ), en het bestuur en de raad van commissarissen van Ambulance Amsterdam met elkaar gecorrespondeerd en gesprekken gevoerd over de door FNV naar voren gebrachte zorgen. [C] heeft in een brief van 9 augustus 2016 aan FNV bevestigd: “(…) dat in het verleden gemaakte keuzes m.b.t. nieuwe activiteiten niet in alle gevallen goed hebben uitgepakt en nu niet meer zo zouden worden gemaakt. Ook bevestig ik u dat het van groot belang is voor de medewerkers van Ambulance Amsterdam om werkstress te voorkomen, te voorzien in de benodigde scholing en de cao na te leven.” Ambulance Amsterdam heeft bij die brief een grote hoeveelheid stukken aan FNV doen toekomen.

2.12

Voormeld overleg heeft ertoe geleid dat FNV en Ambulance Amsterdam op 23 november 2016 een overeenkomst hebben gesloten. In de aanhef is overwogen dat Ambulance Amsterdam de nodige besluiten heeft genomen en activiteiten in gang heeft gezet om de door FNV geconstateerde problemen op te gaan lossen. Afgesproken is:

1. Aan het einde van het eerste kwartaal van 2017 zal een evaluatie tussen partijen plaatsvinden van de resultaten van het ingezette beleid van [Ambulance Amsterdam] met name voor wat betreft werkdruk, scholing en Governance.

2. Daarin zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de resultaten van de maatregelen die op basis van de rapportage werkdrukonderzoek van Vodemol in juni 2016 zijn genomen. Doelstelling is dat uit evaluatie blijkt dat er aantoonbare verbeteringen zijn opgetreden in vergelijking met de diagnose, zoals die uit dat rapport blijkt.

3. Voor het einde van het eerste kwartaal van 2017 heeft Ambulance Amsterdam], zoals de CAO ook voorschrijft, met alle medewerkers een jaargesprek gevoerd (…). Een persoonlijk opleidingsplan (…) en loopbaangesprek en op basis daarvan een loopbaanplan (…) zal in de loop van 2017 worden gevoerd met alle werknemers.

4. Ambulance Amsterdam zal actief beleid voeren om het aantal overuren terug te dringen (…) om overwerk en overtredingen van de ATW te voorkomen. Uit de evaluatie dient te blijken dat het aantal uren overwerk van 2017 t.o.v. 2016 gaandeweg met tenminste 50% is terug gedrongen. (…) Dit beleid is erop gericht om de oorzaken van de werkdruk aan te pakken door onder meer het overwerk terug te dringen, zonder dat dit gepaard gaat met uitbreiding van de inzet van externe inhuur en flexkrachten. Overwerk door uitloop dienst kan verder worden teruggedrongen door de paraatheid structureel te verhogen, hetgeen afhankelijk is van voldoende instroom van gekwalificeerde medewerkers. (…)

5. Ambulance Amsterdam zal de FNV in het eerste kwartaal van 2017 informeren over de vorderingen en ontwikkelingen van Ambulance Amsterdam. Hierover zal er aan het einde van dat kwartaal een overleg plaatsvinden aan de hand van tevoren door Ambulance Amsterdam] aan FNV verschafte schriftelijke informatie over de resultaten (…)

6. Voor het einde van 2016 zullen de wijzigingen van de bevoegdheidsverdeling tussen de leden van de statutaire directie, de heer [C] en de heer [A] , verwerkt zijn in het Reglement van Bestuur (directiestatuut), waarvan een afschrift aan de FNV zal worden verschaft. (…)

8. Tot slot is afgesproken dat deze afspraken gelden ervan uitgaande dat zich geen onvoorziene omstandigheden zullen voordoen die de uitvoering belemmeren. (…)

2.13

In het voorjaar van 2017 heeft een MTO onder de medewerkers van Ambulance Amsterdam plaatsgevonden.

2.14

Op 3 april 2017 hebben [E] en [C] een voortgangsoverleg gevoerd naar aanleiding van de op 23 november 2016 gemaakte afspraken. Volgens het verslag van dit overleg “(…) constateert [ [E] ] dat inhoudelijk afspraken zijn nagekomen en toont [hij] zich niet ontevreden met de progressie die gemaakt is, m.n. ten aanzien van de terugdringing van overwerk. Tegelijkertijd ziet hij beleidsmaatregelen in voorbereiding dan wel in uitvoering waar het resultaat nog van moet blijken.”

2.15

Ambulance Amsterdam en de zorgverzekeraars Zilveren Kruis / Achmea en VGZ hebben in het najaar van 2017 een extern deskundige opgedragen onderzoek te doen naar de bekostiging van de ambulancezorg in de regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. Naar aanleiding hiervan is op 30 maart 2018 het rapport ‘Onderzoek naar exploitatie 2014-2017 en naar zorgprestaties 2016’ uitgebracht. Daarin staat:

(…) Belangrijkste kenmerk in de bekostiging van ambulancezorg is dat de beschikbaarheid van capaciteit centraal staat. Capaciteit betreft de inzet van directe medewerkers en wordt uitgedrukt in het aantal benodigde acht-uurs-diensten per week verdeeld naar dagdelen en dagsoorten. Eventuele effecten op die benodigde capaciteit als gevolg van volumeontwikkeling worden (inmiddels) in de bekostiging van jaar t+2 opgenomen. Andersom, de bekostiging in jaar t is gebaseerd op de capaciteit jaar t-2. (…) In de periode 2015 en 2016 bestond qua bekostiging tijdelijk een grotere afstand tot de relevante data in het capaciteitsmodel (2012) (…). In 2012 en 2014 is de productiegroei nihil (…). Feitelijk geldt hier dus ook t-2.

2.16

Tijdens een voortgangsoverleg op 25 september 2017 tussen [E] en [C] heeft [E] volgens het daarvan opgemaakte verslag gezegd te waarderen dat [C] ‘luistert’ naar de medewerkers en ook naar FNV. Wel heeft [E] gemeld dat er nog steeds klachten bij hem binnenkomen, onder andere over werkdruk en werktijden, en dat hij ziet dat de prestaties van Ambulance Amsterdam nog niet op het gewenste niveau zijn. [C] heeft daarop naar voren gebracht dat er nog steeds veel werk te verzetten is, dat de constateringen van medewerkers voor hem herkenbaar zijn en dat deze met prioriteit moeten worden aangepakt. [C] heeft diverse maatregelen genoemd, zoals meer decentraal werken van het Roosterbureau, betere afstemming tussen Operatie en Opleiden en optimaliseren van de transitie naar het nieuwe roosterprogramma. [E] en [C] hebben afgesproken op korte termijn opnieuw met elkaar in overleg te treden. In het verslag staat dat het overleg in goede sfeer is verlopen.

2.17

[E] en [C] hebben tijdens een voortgangsoverleg op 28 november 2017 afgesproken dat Ambulance Amsterdam [E] alsnog zal voorzien van volgens hem ontbrekende informatie over loopbaan- en functioneringsgesprekken, overwerk en uitzendkrachten.

2.18

[C] heeft [E] bij brief van 15 december 2017 niet alleen de in 2.17 bedoelde informatie gezonden, maar ook informatie waarmee wordt bevestigd dat de werkdruk en het overwerk bij Ambulance Amsterdam toenemen. De verslechtering van de werkdrukbeleving, die blijkt uit een vergelijking van het MTO van voorjaar 2017 met dat van 2013, was volgens [C] te verwachten “(…) gelet op de stijging van het aantal ambulance-inzetten in onze regio met ruim 15% t.o.v. 2013, tegen een uitbreiding van de paraatheid met 8%. Omdat de bekostiging van het zorgvolume niet prospectief maar retrospectief wordt toegekend, loopt AA in opleiding van benodigde medewerkers steeds achter de feiten aan. Bovendien ontwikkelt de zorgvraag in Amsterdam sneller dan de opleidingscapaciteit bij AA aan kan.”. Om dit probleem het hoofd te kunnen bieden, heeft Ambulance Amsterdam een aanvraag bij het ministerie van VWS ingediend om deel te mogen nemen aan een pilot die beoogt de werkdruk op de acute ambulancezorg in de grote steden te verkleinen. Deze pilot behelst “(…) een aanvullende vorm van zorgdifferentiatie voor de planbare ambulancezorg tussen de ALS-ambulance (high care) en de zorgambulance (low care): de Medium Care Ambulance.”. Volgens [C] wordt “(…) [d]e instroom van verpleegkundigen (…) door deze nieuwe zorgdifferentiatie verbreed en de duurzame inzetbaarheid van ambulanceverpleegkundigen (…) vergroot wanneer het werk in de acute zorg te zwaar wordt. Het is onze visie dat deze nieuwe zorgdifferentiatie nodig is om de stagnatie in de uitbreiding van de paraatheid vlot te trekken. Er zijn te weinig gespecialiseerde verpleegkundigen die opgeleid willen worden tot Ambulanceverpleegkundigen en de uitstroom van Ambulanceverpleegkundigen is te groot om de benodigde uitbreiding te realiseren (…)”. [C] heeft daarnaast het uitbreiden van de hulp van naastgelegen regio’s door gecoördineerde bovenregionale planbare zorg genoemd als initiatief om de werkdruk te verlagen.

Verder heeft [C] in de brief van 15 december 2017 de verwachting uitgesproken dat in 2017 het totale overwerk, dus in de combinatie van extra diensten en uitloopdiensten, zal zijn gestegen met circa 10% ten opzichte van 2016. Hierdoor neemt het overwerk toe van gemiddeld 3,9 uur per fte per maand naar gemiddeld 4,3 uur per fte per maand. Ambulance Amsterdam is er in 2017 slechts beperkt in geslaagd de paraatheid uit te breiden, omdat de instroom van ambulanceverpleegkundigen is achtergebleven bij de uitstroom. [C] heeft toegelicht dat de totale inzet van uitzendkrachten in 2017 naar verwachting met circa 10% zal dalen, waardoor hun aandeel in de formatie – omgerekend naar fte – in dat jaar 3,7% is, ten opzichte van 4,1% in 2016.

Volgens de brief worden de jaargesprekken op teamniveau volgens planning gevoerd. Wat betreft de loopbaangesprekken is Ambulance Amsterdam in 2017 gestart met een pilot, in het kader waarvan een interne loopbaancoach met 28 medewerkers die zich hiervoor hebben aangemeld, een loopbaangesprek heeft gevoerd.

2.19

FNV heeft bij brief van haar advocaat aan Ambulance Amsterdam van 20 december 2017 gemeld dat de inhoud van [C] brief van 15 december 2017 en de wijze waarop in 2017 inhoud is gegeven aan het nakomen van de op 23 november 2016 gemaakte afspraken, voldoende grond zijn om een juridische procedure te starten tot naleving van deze afspraken. Over de ontwikkelingen waarmee Ambulance Amsterdam blijkens de brief van 15 december 2017 wordt geconfronteerd en die van invloed zijn op de resultaten van het gevoerde beleid, heeft FNV opgemerkt dat deze niet nieuw zijn “(…), deze speelden ook reeds in 2016 toen de gesprekken gevoerd zijn die uitgemond zijn in een aantal concrete afspraken. Bij de FNV was het beeld ontstaan dat er sprake was van een serieuze bereidheid bij Ambulance Amsterdam om die onderwerpen waarover afspraken zijn gemaakt de hoogste prioriteit toe te kennen en resultaatgericht aan te gaan pakken. Het feit dat op een aantal essentiële punten dit niet is gelukt en zelfs een omgekeerde tendens waarneembaar is, doet bij FNV het vermoeden ontstaan dat u niet bereid bent om de afspraken en/of de cao na te komen.”

FNV heeft Ambulance Amsterdam nog tot eind maart 2018 de gelegenheid geboden de afspraken alsnog na te komen, alvorens juridische stappen te ondernemen.

2.20

Ambulance Amsterdam heeft bij brief van haar advocaat van 24 januari 2018 gereageerd op voormelde brief van FNV. Blijkens die brief “(…) erkent [Ambulance Amsterdam] de arbeidsproblematiek binnen de ambulancezorg en heeft oog voor wat in de cao en het convenant is afgesproken. Ambulance Amsterdam doet er dan ook alles aan om de afspraken na te leven. Ambulance Amsterdam is net als FNV (…) teleurgesteld dat de arbeidsproblematiek desondanks aanhoudt. De door u genoemde punten hebben en houden dan ook de volle aandacht van Ambulance Amsterdam (…)”, waarna Ambulance Amsterdam inhoudelijk is ingegaan op de door FNV naar voren gebrachte punten.

2.21

FNV heeft bij brief van haar advocaat van 14 maart 2018 diverse onderwerpen genoemd en toegelicht die in aanvulling op de in 2.8 vermelde enquêtebrieven volgens haar maken dat ernstig moet worden getwijfeld aan het gevoerde beleid binnen Ambulance Amsterdam c.s. Ambulance Amsterdam heeft steeds naar externe ontwikkelingen gewezen, terwijl het nu juist aan het door Ambulance Amsterdam gevoerde beleid ligt dat daar niet adequaat op ingespeeld is, aldus FNV in de brief. FNV heeft laten weten naar aanleiding daarvan besloten te hebben de Ondernemingskamer te verzoeken een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Ambulance Amsterdam c.s. FNV heeft op 15 maart 2018 een afschrift van deze brief aan de ondernemingsraad gezonden.

2.22

In de jaren 2014, 2015 en 2016 was de exploitatie van Ambulance Amsterdam verlieslijdend; het resultaat bedroeg in 2014 € 1.625.279 negatief, in 2015 € 1.895.435 negatief en in 2016 € 1.605.110 negatief. Over 2017 is een positief resultaat van € 973.595 behaald.

3 De gronden van de beslissing

3.1

FNV heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Ambulance Amsterdam c.s. Ter toelichting heeft zij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht:

  1. Nadat medewerkers van Ambulance Amsterdam en de ondernemingsraad het vertrouwen in de directie van Ambulance Amsterdam hadden opgezegd en FNV door middel van de ‘enquêtebrieven’ van 17 december 2015 haar zorgen over het beleid binnen Ambulance Amsterdam kenbaar had gemaakt, zijn FNV en Ambulance Amsterdam met elkaar in overleg getreden en hebben zij op 23 november 2016 afspraken gemaakt. De brief van Ambulance Amsterdam van 15 december 2017 maakt duidelijk dat Ambulance Amsterdam in de nakoming van die afspraken schromelijk is tekortgeschoten. Óf Ambulance Amsterdam heeft de afspraken gemaakt om FNV aan het lijntje te houden wetende dat deze niet te realiseren zouden zijn, óf Ambulance Amsterdam meende dat de afspraken wel realistisch waren, maar is niet in staat is gebleken de uitvoering daarvan na te komen, wat erop duidt dat zij niet ‘in control’ is over haar eigen activiteiten.

  2. Aan het gevoerde financiële beleid van Ambulance Amsterdam c.s. moet ernstig worden getwijfeld. In de jaren 2014, 2015 en 2016 heeft Ambulance Amsterdam een negatief resultaat behaald. Het resultaat over 2017 is weliswaar verbeterd, maar dit is nog steeds zorgwekkend omdat dit vooral veroorzaakt is door een extra budgettoekenning waarvan niet duidelijk is of deze eenmalig is of structureel. Het lukt Ambulance Amsterdam c.s. maar niet op eigen kracht hun financiële huishouding op orde te krijgen.

  3. Evenmin zijn Ambulance Amsterdam c.s. erin geslaagd de werkdruk, die te hoog is, te verminderen; er is zelfs sprake van een verhoging van de werkdruk. De maatregelen die Ambulance Amsterdam c.s. hebben voorgesteld om de werkdruk aan te pakken, zijn ontoereikend of te vaag. Ambulance Amsterdam c.s. zijn onvoldoende in staat om het nodige personeel te werven, maar vooral ook aan zich te binden.

  4. Ambulance Amsterdam c.s. hebben de afspraak het structurele overwerk in 2017 terug te dringen met ten minste 50% ten opzichte van 2016, niet gerealiseerd, zonder dat zij steekhoudende argumenten daarvoor hebben aangevoerd.

  5. Ambulance Amsterdam c.s. hebben verscheidene bindende cao-afspraken die dienen ter bevordering van de ontwikkeling en een duurzame inzetbaarheid van personeelsleden, keer op keer geschonden. Het betreft onder meer verplichtingen tot het houden van jaargesprekken en loopbaangesprekken.

  6. Het personele verloop binnen het bestuur laat zien dat onvoldoende is nagedacht over een structurele invulling van de topstructuur en de continuïteit binnen de directie. Aan [A] is bij zijn vertrek een wel bijzonder ruimhartige vertrekvergoeding toegekend.

  7. Ambulance Amsterdam c.s. hebben onvoldoende adequaat ingespeeld op de externe factoren waarmee hun onderneming is geconfronteerd en die volgens Ambulance Amsterdam c.s. een rechtvaardiging vormen voor het beleid waarop FNV haar heeft aangesproken.

  8. Zorgwekkend is dat Ambulance Amsterdam jarenlang niet voldoet aan de wettelijke norm die ten aanzien van paraatheid en aanrijtijden geldt.

3.2

De Ondernemingskamer overweegt allereerst dat de omstandigheid dat diverse bezwaren van FNV gebaseerd zijn op het gestelde tekortschieten door Ambulance Amsterdam in de nakoming van de op 23 november 2016 met FNV gemaakte afspraken, anders dan Ambulance Amsterdam c.s aanvoert, niet betekent dat het hier gaat om een geschil van louter verbintenisrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden. De bezwaren van FNV zien, ook waar zij betrekking hebben op de schending van de afspraken, tevens op het beleid en de gang van zaken binnen de onderneming.

3.3

Ambulance Amsterdam c.s. hebben ook inhoudelijk verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal dit verweer voor zover nodig hierna beoordelen.

3.4

De bezwaren van FNV genoemd in 3.1 onder A, C, D, E en G hebben gemeen dat FNV daarmee klaagt over het niet nakomen door Ambulance Amsterdam van de op 23 november 2016 met haar – in het belang van de medewerkers van Ambulance Amsterdam c.s. – gemaakte afspraken. Aanleiding tot het maken van die afspraken waren de zorgen die FNV meermaals had geuit over het binnen Ambulance Amsterdam gevoerde beleid en het opzeggen in 2014 van het vertrouwen in de directie van Ambulance Amsterdam door medewerkers en de ondernemingsraad. Ambulance Amsterdam en FNV zijn naar aanleiding van deze zorgen op constructieve wijze in overleg getreden; zowel in de periode van totstandkoming van de afspraken als in de periode van evaluatie daarvan. Steen des aanstoots voor FNV was de brief van Ambulance Amsterdam van 15 december 2017, waarmee Ambulance Amsterdam volgens FNV in feite erkende diverse afspraken niet (volledig) te zijn nagekomen.

3.5

De Ondernemingskamer stelt voorop dat het enkele feit dat de afgesproken doelstellingen en prestaties niet zijn behaald op zichzelf onvoldoende grond is om te twijfelen aan een juist beleid. Wel kan daarvan sprake zijn als aannemelijk is dat het niet behalen is veroorzaakt door tekortschietend optreden door (de bestuurders van) Ambulance Amsterdam c.s. Ambulance Amsterdam c.s. stellen dat voor zover de met FNV afgesproken doelen niet zijn behaald, de reden daarvan is dat de arbeidsmarktproblematiek waar zij mee te kampen hebben daaraan in de weg stond. Ambulance Amsterdam c.s. hebben uiteengezet dat het aanbod aan gekwalificeerde (ambulance)verpleegkundigen klein is, waardoor het voor Ambulance Amsterdam erg moeilijk is om voldoende verpleegkundig personeel aan te trekken. De hele (ambulance)zorgsector in Nederland heeft met deze problematiek te kampen, maar in Amsterdam speelt deze in nog grotere mate. Ambulance Amsterdam c.s. wijzen in dat verband op de krappe en dure woningmarkt, de bereikbaarheid en de gebrekkige parkeerfaciliteiten, die werken in Amsterdam minder aantrekkelijk maken. Daar komt bij dat de uitstroom van personeel bij Ambulance Amsterdam hoog is. Tegenover dit alles staat dat Ambulance Amsterdam uit hoofde van haar wettelijke en maatschappelijke taak gehouden is binnen daartoe voorgeschreven tijdprestatienormen ambulancezorg te verlenen. In geval van de spoedeisende zorg – die haar kerntaak vormt en die zij 24 uur per dag, zeven dagen per week moet verlenen – gelden strakke eisen van paraatheid. Daarbij speelt verder een rol dat in Amsterdam de vraag naar ambulancezorg sterk is toegenomen door de groei van de stad, de omstandigheid dat meer ouderen langer zelfstandig thuis wonen, het lokaal evenementenbeleid en het toenemende toerisme. Een en ander leidt ertoe dat ondanks een tekort aan beschikbaar gekwalificeerd personeel een steeds verder toenemende hoeveelheid diensten moet worden geleverd, aldus – nog steeds – Ambulance Amsterdam c.s. Dit alles zorgt volgens Ambulance Amsterdam c.s. voor een zware werklast voor het bij Ambulance Amsterdam werkzame personeel, dat hierdoor een hoge werkdruk ervaart.

3.6

De Ondernemingskamer constateert dat FNV de door Ambulance Amsterdam c.s. beschreven situatie en de problematiek die daaraan ten grondslag ligt, niet heeft bestreden. Wel heeft FNV naar voren gebracht dat de situatie van Ambulance Amsterdam niet uniek is, nu ook elders in het land, vooral in andere grote steden, sprake is van een enorme toename van de te verlenen ambulancezorg waarop de ambulanceorganisatie heeft in te spelen. Dit maakt echter, ook indien juist, nog niet dat de door Ambulance Amsterdam c.s. geschetste achtergrond van de omvangrijke werklast en de werkdruk onder haar personeel onjuist zou zijn. Van belang is veeleer hoe Ambulance Amsterdam c.s. met de geschetste problemen zijn omgegaan.

3.7

Ambulance Amsterdam c.s. stellen dat zij alle in redelijkheid te treffen maatregelen hebben getroffen om de gevolgen van de arbeidsmarktproblematiek zo goed mogelijk het hoofd te bieden. Aan de tien aanbevelingen uit het onderzoek van Vodemol naar de werkdruk onder het personeel, waarover in juni 2016 een rapport is uitgebracht (zie 2.10), is volgens hen concreet uitvoering gegeven. Toen uit het MTO van 2017 naar voren kwam dat de beleving van werkdruk desondanks niet substantieel was verlaagd, heeft Ambulance Amsterdam nadere maatregelen getroffen, waarvan de belangrijkste is de in 2.18 genoemde pilot-aanvraag bij het Ministerie van VWS voor een aanvullende vorm van zorgdifferentiatie: de ‘Medium Care Ambulance’. Hiermee wordt beoogd de potentiële instroom van ambulanceverpleegkundigen te verbreden en de duurzame inzetbaarheid van de bestaande gekwalificeerde spoedambulanceverpleegkundigen te vergroten door hen de mogelijkheid te bieden een stapje terug te doen om zo hun uitstroom te voorkomen. Daarnaast hebben Ambulance Amsterdam c.s. grote investeringen gedaan om een nieuw opleidingscentrum op te zetten. Zij bevorderen de ontwikkeling van medewerkers, door te faciliteren dat ambulancechauffeurs tot verpleegkundige worden opgeleid of de opleiding Bachelor Medische Hulpverlening volgen, en verpleegkundigen de specialistische vervolgopleiding tot Spoedeisende Hulp Verpleegkundige doen. In oktober 2017 is in het belang van de medewerkers besloten om het besteld vervoer tussen 18.00 uur ’s avonds en 8.00 uur ’s ochtend en in de weekenden te reduceren. Voorts is er een analyse van de grote uitstroom van personeel uitgevoerd, waaruit naar voren is gekomen dat veel medewerkers overstappen naar ziekenhuizen of detacheringsbureaus, waar ze beter betaald krijgen, of naar ambulancediensten in de buurt van hun woonplaats buiten de stad. Ambulance Amsterdam maakt er, zo heeft [D] ter zitting verklaard, werk van medewerkers beter aan zich te binden. Er zal worden toegewerkt naar zelfroosteren door de medewerkers en er is er een nieuw roosterprogramma ingevoerd dat medewerkers in staat stelt zich vrijwillig voor extra diensten in te schrijven, waarmee Ambulance Amsterdam het personeel de gelegenheid biedt over te werken als zij dat wensen. Ambulance Amsterdam en verschillende ziekenhuizen in de regio Amsterdam zijn met elkaar in gesprek om door middel van samenwerking de problemen rond het intraklinische vervoer in de keten van de acute zorg te verlichten. Dit zal leiden tot inzet van één extra ambulance gedurende zeven avonden door Ambulance Amsterdam samen met de Spoedeisende Hulp van het AMC, met reductie van werkdruk en verbetering van prestaties als beoogd gevolg. Bovendien steunen Ambulance Amsterdam c.s. pogingen om de voor de ambulancezorg geldende cao gelijk te trekken met de cao die voor de ziekenhuizen geldt, waardoor gelijke arbeidsvoorwaarden ontstaan en de ambulancezorg beter in staat zal zijn om ‘uit dezelfde personeelsvijver te vissen’ als de ziekenhuizen.

3.8

Volgens Ambulance Amsterdam c.s. dient evenwel onder ogen te worden gezien dat deze maatregelen de arbeidsmarktproblematiek niet op korte termijn zullen kunnen oplossen. Om thans ondanks de bestaande personeelskrapte toch aan de eisen van paraatheid te kunnen voldoen, ontkomt Ambulance Amsterdam er niet aan een beroep op de eigen medewerkers te doen, in de vorm van enige uitloop van diensten (door acute zorgvraag) en overwerk. Overwerk door de eigen medewerkers – in de vorm van inzet voor extra diensten – gebeurt op basis van vrijwilligheid. Daarnaast is volgens Ambulance Amsterdam c.s. het inhuren van medewerkers bij externe partijen (uitzendbureaus, onderaannemers) onvermijdelijk om de (reeds hoge) werklast van het eigen personeel zoveel mogelijk te beperken. Er is met dit doel besloten steviger in te zetten op onderaanneming voor de inzet van ambulancepersoneel.

3.9

De Ondernemingskamer concludeert dat Ambulance Amsterdam c.s. er gelet op het voorgaande blijk van hebben gegeven de (arbeidsmarkt)problematiek waarvoor zij zich gesteld zien, te onderkennen en dat zij met het oog hierop diverse maatregelen hebben getroffen. De enkele omstandigheid dat de gevolgen van deze problematiek zich ondanks de getroffen maatregelen reeds jarenlang doen voelen en op sommige vlakken niet minder zijn geworden, rechtvaardigt niet de conclusie dat Ambulance Amsterdam c.s. daarop door eigen toedoen te weinig vat hebben. De Ondernemingskamer volgt FNV dan ook niet waar zij stelt dat Ambulance Amsterdam haar eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de problematiek uit de weg gaat door alles af te wentelen op externe ontwikkelingen en ervan uit lijkt te gaan dat de oplossing van buiten zal moeten komen. Daarnaast heeft FNV onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de maatregelen die Ambulance Amsterdam c.s. in de loop der tijd hebben getroffen, geen of een gebrekkige analyse ten grondslag ligt en Ambulance Amsterdam c.s. maar lijdzaam afwachten of getroffen maatregelen het beoogde effect zullen hebben. FNV heeft over de Medium Care Ambulance-pilot naar voren gebracht dat deze vorm van zorgdifferentiatie de druk op het spoedambulancevervoer alleen maar zal vergroten en dus geen oplossing kan zijn. Dat FNV Ambulance Amsterdam c.s. om nadere informatie over de pilot heeft gevraagd en daarover het gesprek is aangegaan is echter niet gebleken. [D] heeft evenwel ter zitting uitgelegd dat door middel van deze maatregel wel degelijk kan worden bereikt dat het spoedambulancevervoer in de stad wordt ontlast omdat daarmee een evenwichtiger spreiding van de inzet van het beschikbare personeel over de verschillende door Ambulance Amsterdam uit te voeren taken mogelijk wordt. FNV heeft op haar beurt geen concrete maatregelen genoemd die Ambulance Amsterdam c.s. zouden hebben verzuimd te nemen. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat Ambulance Amsterdam c.s. in de aanpak van deze problematiek zodanig zijn tekortgeschoten dat dit een gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid vormt.

3.10

FNV noemt verder als bezwaar dat Ambulance Amsterdam, in weerwil van de met haar gemaakte afspraken en in strijd met de cao, eind 2017 niet met alle werknemers een jaargesprek had gevoerd en er in dat jaar met slechts 28 werknemers bij wijze van pilot een loopbaangesprek heeft plaatsgevonden. Ambulance Amsterdam c.s. hebben uitgelegd dat voor het voeren van de jaargesprekken een cyclus wordt gehanteerd die van 1 april tot 1 april daaropvolgend loopt. Op 1 april 2018 waren met vrijwel alle medewerkers de jaargesprekken van 2017 gevoerd; voor zover dit toen nog niet was gebeurd, kwam dit door een verandering in het teammanagement op een locatie, waarna de gesprekken daar in juni 2018 alsnog zijn afgerond. Daarnaast erkennen Ambulance Amsterdam c.s. dat het voeren van de loopbaangesprekken niet conform de gemaakte afspraak heeft plaatsgevonden. Met medeweten van de ondernemingsraad is besloten aan deze gesprekken, waarvoor weinig animo bestaat binnen haar organisatie, een lagere prioriteit te geven dan aan het aanpakken van de arbeidsmarktproblematiek. Wel kan iedere medewerker die daaraan behoefte heeft dat melden, waarna een loopbaangesprek zal worden gevoerd (en een loopbaanplan opgesteld). Daarnaast kunnen medewerkers op hun verzoek steeds terecht bij een interne loopbaanadviseur, aldus Ambulance Amsterdam c.s. De Ondernemingskamer acht gelet op de gegeven uitleg, het ten dele niet (tijdig) naleven van de afspraken en de cao niet van zodanig gewicht dat deze een grond voor twijfel aan juist beleid oplevert.

3.11

Over de in 3.1 onder B genoemde twijfel van FNV over het door Ambulance Amsterdam c.s. gevoerde financiële beleid en de in 3.1 onder H genoemde zorg van FNV over het niet voldoen door Ambulance Amsterdam c.s. aan de eisen van paraatheid en aanrijtijden, overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Het enkele feit dat de financiële resultaten van Ambulance Amsterdam over diverse jaren slecht waren, noch de door Ambulance Amsterdam erkende omstandigheid dat zij onder de voor haar als ambulancezorgverlener geldende tijdprestatienorm presteert, kan op zichzelf een voldoende grond voor twijfel aan een juist beleid zijn. Ook hier geldt dat aannemelijk moet zijn dat dit is veroorzaakt door tekortschietend optreden door (de bestuurders van) Ambulance Amsterdam c.s. Ambulance Amsterdam c.s. hebben bestreden dat het financiële beleid niet op orde is en erop gewezen dat de financiële bedrijfsvoering van Ambulance Amsterdam niet alleen door haar accountant wordt gecontroleerd, maar ook door verscheidene overheidsinstanties, zorgverzekeraars en diverse andere externe ‘stakeholders’. Naar aanleiding van de financiële resultaten over de jaren 2014 tot en met 2017 heeft Ambulance Amsterdam in het najaar van 2017 in samenspraak met zorgverzekeraars opdracht gegeven tot het in 2.15 genoemde bekostigingsonderzoek. Het daaruit voortgekomen rapport biedt verklaringen voor de achterblijvende resultaten en geeft aanbevelingen. Daarmee is Ambulance Amsterdam aan de slag gegaan. Naar aanleiding hiervan zijn afspraken gemaakt met de zorgverzekeraars. Ter zitting heeft [D] verklaard dat over 2018 een positief resultaat van circa € 250.000 wordt verwacht. Tegen die achtergrond is FNV er onvoldoende in geslaagd om duidelijk te maken dat de financiële situatie structureel zorgwekkend is.

Datzelfde geldt voor het niet voldoen door Ambulance Amsterdam aan de tijdprestatienormen. Ambulance Amsterdam c.s. erkennen dat dit een punt van zorg is; zij benadrukken werk te blijven maken van een zo goed mogelijke paraatheid en het verkorten van de aanrijtijden. Dat Ambulance Amsterdam oog heeft voor de tijdprestatienorm, blijkt uit het inzetten van(extra) onderaanneming en uitzendkrachten en het organiseren van vrijwillig overwerk om, gegeven de arbeidsmarktproblematiek maar zonder het eigen personeel (nog) verder te willen belasten, zoveel mogelijk de vereiste paraatheid te kunnen leveren. Ambulance Amsterdam c.s. hebben er verder nog op gewezen dat het voldoen aan de eisen voor paraatheid en aanrijden reeds nauwlettend worden gevolgd door de wettelijke en sectorale toezichthouders waarmee Ambulance Amsterdam als ambulancedienstverlener te maken heeft.

In het licht van het voorgaande is FNV er onvoldoende in geslaagd aannemelijk te maken dat Ambulance Amsterdam c.s. zodanig zijn tekortgeschoten ter zake van het gevoerde financiële beleid en de eisen van paraatheid en aanrijtijden, dat dit een grond voor het bevelen van een onderzoek oplevert.

3.12

Het in (3.1 onder F) genoemde bezwaar van FNV dat ziet op de governance binnen Ambulance Amsterdam c.s. levert evenmin een dergelijke grond op. Dat de continuïteit van het bestuur van Ambulance Amsterdam c.s. zodanig in gevaar is gekomen door de wisselingen die binnen dit orgaan hebben plaatsgevonden is niet gebleken. Het huidige bestuur geniet het vertrouwen van de ondernemingsraad en FNV heeft niet concreet gesteld dat en waarom op dat punt thans aanleiding voor zorg zou bestaan. Wat betreft de vertrekvergoeding van [A] , die volgens FNV (te) ruimhartig is, hebben Ambulance Amsterdam c.s. naar voren gebracht dat daarmee in overeenstemming met wet en cao is gehandeld, hetgeen niet is betwist door FNV.

3.13

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er onvoldoende grond is te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Ambulance Amsterdam c.s. Dat geldt ook indien de bezwaren gezamenlijk worden beschouwd. De Ondernemingskamer zal het enquêteverzoek van FNV afwijzen.

3.14

Ondernemingskamer ziet geen aanleiding te bepalen dat het enquêteverzoek door FNV niet op redelijke grond is gedaan zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 2 BW, nu niet is gebleken dat FNV daarmee misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid een enquêteverzoek in te dienen.

3.15

Wel zal de Ondernemingskamer FNV als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van Federatie Nederlandse Vakvereniging af;

wijst het verzoek van Ambulance Amsterdam B.V. en AA-Groep B.V. te bepalen dat het verzoek van Federatie Nederlandse Vakvereniging niet op redelijke grond is gedaan af;

veroordeelt Federatie Nederlandse Vakvereniging in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van Ambulance Amsterdam B.V. en AA-Groep B.V. begroot op € 3.408;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, prof. dr. mr. F. van der Wel RA en drs. C. Smits-Nusteling, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof en N.P.W. Geven, griffiers, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.M.M. Tillema op 19 oktober 2018.